Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9816

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
10-00172
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft uitspraak op een bezwaarschrift betreffende de aanslag over het jaar 2001 gedaan. Belanghebbende stuurt hierop een brief naar de inspecteur, herhaalt zijn bezwaren en vraagt de uitspraak te corrigeren en belanghebbende niet extra te belasten met kosten van griffierecht en advocaatkosten. Bij een brief is een aan de rechtbank gericht pro forma beroepschrift gevoegd. Dit beroepschrift heeft belanghebbende echter niet daadwerkelijk ingediend bij de rechtbank. Pas later, na afloop van de termijn, gaat belanghebbende in beroep bij de rechtbank. In geschil is of de inspecteur de brief met bijlage als beroepschrift had moeten doorzenden, zodat belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep is. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat in dit geval op de inspecteur geen verplichting rustte de brief met bijlage door te zenden aan de rechtbank. De inspecteur heeft naar het oordeel van het hof uit de bewoordingen van de brief mogen aannemen dat belanghebbende met deze brief niet heeft beoogd dat deze als een rechtsmiddel tegen de uitspraak op bezwaar zou worden behandeld. De doorzendverplichting is in het onderhavige geval niet van toepassing. Het hof verklaart belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in haar beroep bij de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/808
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00172

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst,

(hierna, evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Limburg van die dienst, die met ingang van

1 januari 2011 te dezen bevoegd is, aan te duiden als:

de Inspecteur),

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda van 3 februari 2010, kenmerk AWB 09/1771 inzake het geding tussen:

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 700.000. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 11 april 2008 gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank 's-Gravenhage. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288. De Rechtbank 's-Gravenhage heeft het beroep op 22 april 2009 ter verdere behandeling doorgezonden aan de Rechtbank Breda. De Rechtbank Breda heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 663.442 en vergoeding van griffierecht gelast.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 448. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep bij brief van 11 februari 2011 beantwoord.

1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd. De Inspecteur heeft bij dupliek aangegeven de bestreden aanslag te verminderen naar een belastbaar bedrag van € 663.442.

1.6. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 mei 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van mevrouw A, partner van de hierna onder 2.3 genoemde heer B, alsmede de Inspecteur.

1.8. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10. Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is op 00-00-1988 opgericht. Haar activiteiten bestaan uit het beheren van vermogen.

2.2. In het jaar 1997 heeft belanghebbende onroerend goed verkocht. De gerealiseerde boekwinst ad fl. 1.519.915 (= € 689.707) werd opgenomen in een vervangingsreserve.

2.3. Na het vormen van de onder 2.2 genoemde vervangings-reserve in het jaar 1997 zijn de aandelen in belanghebbende verkocht aan een vennootschap, waarin de heer B indirect een aandelenbelang heeft.

2.4. Met betrekking tot de door belanghebbende ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2001 deelt de Inspecteur haar bij brief van 10 november 2004 voor zover van belang het volgende mede:

"U heeft de aangifte vennootschapsbelasting 2001 ingediend. Met betrekking tot deze aangifte vraag ik u aandacht voor het volgende.

In de aangifte wendt u de in 1997 gevormde herinvesteringsreserve van € 689.707 aan met de aankoop van onroerend goed. De koopsom wordt schuldig gebleven. De aanwending dient nader te worden onderzocht.

(...) leg ik i.v.m. het verstrijken van de driejaarstermijn (...) een aanslag vennootschapsbelasting 2001 ter behoud van rechten op, waarbij ik rekening houd met een belastbaar bedrag van € 700.000."

2.5. De aanslag vennootschapsbelasting 2001 is gedagtekend 11 december 2004. Bij brief van 12 december 2004 maakt belanghebbende bezwaar tegen de aldus opgelegde aanslag.

2.6. Met dagtekening 22 april 2008 zendt belanghebbende de Inspecteur een tweetal brieven, elk met als kenmerk 1, waarin zij vermeldt de uitspraak op het bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting van het jaar 2000 en van het jaar 2001 te hebben ontvangen.

2.7. Eén van de brieven van 22 april 2008 heeft als onderwerp "uw brief d.d. 11-04-2008 inzake uitspraak vpb 2000 Aanslagnummer 2". De opmaak en inhoud van deze brief is gelijkluidend aan die hierna onder 2.8 vermeld (hierna, ook wel: "de brief voor het jaar 2001"), met dien verstande dat het jaartal telkens gewijzigd is. Waar in de onder 2.8 vermelde brief het jaartal 2001 wordt genoemd, is in eerstbedoelde brief het jaartal 2000 vermeld en indien in de onder 2.8 vermelde brief het jaartal 2000 wordt genoemd, is in deze brief het jaartal 2001 vermeld (hierna: kruisverwijzing).

2.8. In "de brief voor het jaar 2001" is het onderwerp

"uw brief d.d. 11-04-2008 inzake uitspraak vpb 2001 Aanslagnummer 3" en daarin is vermeld:

"Wij ontvingen van u de "uitspraak op het bezwaarschrift" omtrent het boekjaar 2001.

Gelet op het feit dat u reeds over 2000 de aanwezige "vervangingsreserve" schrapt om redenen, dat er niet vervangen zou zijn, lijkt ons dat u over het boekjaar 2001 dit niet kunt doen. (...)

Wij gaan ervan uit dat u deze uitspraak corrigeert!

Als bijlage sturen wij u het "Proforma Beroepsschrift" toe wat wij indienden bij de Rechtbank omtrent het boekjaar 2000.

(...)

Gelet op het feit dat u reeds over het boekjaar 2000 hetzelfde argument gebruikt, verzoeken wij u deze uitspraak te herzien en ons niet extra te belasten met kosten van Griffiegeld bij de Rechtbank en ander kosten zoals advocaatkosten etc. etc."

2.9. Als bij "de brief voor het jaar 2001" vermelde bijlage "Proforma Beroepsschrift" heeft belanghebbende overgelegd een door belanghebbende ondertekende brief van 22 april 2008 gericht aan de Rechtbank 's-Gravenhage, sector Bestuursrecht, afdeling belastingzaken, met als kenmerk 4 en als onderwerp "Beroep", waarin voor zover van belang is opgenomen:

"Hierbij tekenen we beroep aan tegen de beslissing op het bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2001 (aanslagnummer 3) van (...) belanghebbende (...).

(...)

De aangifte vennootschapsbelasting 2001 is niet ingediend. (...)

Omtrent nadere feiten en omstandigheden zullen wij zo snel mogelijk een motivering nasturen."

Dit "Proforma Beroepsschrift" met als dagtekening 22 april 2008 is niet bij de Rechtbank 's-Gravenhage, sector Bestuursrecht, afdeling belastingzaken, binnengekomen.

2.10. Een brief met eenzelfde opmaak en inhoud als het onder 2.9 vermelde "Proforma Beroepsschrift", maar gedagtekend 21 mei 2008 is op 2 juni 2008 bij de Rechtbank 's-Gravenhage binnengekomen, aldaar geregistreerd en op 22 april 2009 ter verdere behandeling doorgezonden aan de Rechtbank Breda.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I Is belanghebbende ontvankelijk in haar beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 11 april 2008, in die zin dat op de Inspecteur een verplichting rustte de brief voor het jaar 2001 door te zenden aan de Rechtbank?

II Zo ja, heeft de Inspecteur ten onrechte een correctie van de vervangingsreserve (c.q. herinvesteringsreserve) aangebracht, dan wel bij deze correctie algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

III Dient aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden verleend gelet op onder meer het arrest Hoge Raad 10 juni 2011, nr. 09/05112 (LJN: BO5080)?

IV Dient aan belanghebbende een integrale vergoeding van proceskosten te worden verleend?

Belanghebbende is van mening, dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.1. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hun standpunten toegelicht.

3.2.2. Belanghebbende kan zich wat betreft de ontvankelijkheid van haar beroep geheel vinden in de uitspraak van de Rechtbank, maar is van mening dat de aanslag naar een onjuist belastbaar bedrag is berekend. Naar belanghebbendes mening is de correctie van de vervangingsreserve onterecht en dienen aan haar immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en integrale proceskosten te worden vergoed.

3.2.3. De Inspecteur is primair van mening dat de Rechtbank belanghebbende ten onrechte ontvankelijk in haar beroep heeft geacht. Hij is van mening dat op hem geen doorzendverplichting betreffende de onder 2.8 vermelde brief rustte. Verder is de aanslag na de door hem toegezegde vermindering tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 663.442, zie onder 1.5, volgens de Inspecteur tot het juiste bedrag vastgesteld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de verklaring omtrent de ontvankelijkheid in beroep en de vergoeding van griffierecht, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en van de onder 1.1 vermelde aanslag, vergoeding van de kosten van bezwaar, van de integrale proceskosten en van de immateriële schade. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en niet-ontvankelijkverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar beroep, nu het beroepschrift buiten de termijn van zes weken na de uitspraak op bezwaar van 11 april 2008 op 2 juni 2008 door de Rechtbank 's-Gravenhage is ontvangen. Verder voert de Inspecteur aan dat belanghebbende hem bij de brief voor het jaar 2001 kenbaar maakt dat zij veronderstelt dat de Inspecteur de bestreden aanslag corrigeert en hem meedeelt dat belanghebbende beroep heeft ingesteld. De Inspecteur betoogt dat hij belanghebbendes mededeling dat zij in beroep is gegaan voor kennisgeving mag aannemen. Voorts betoogt de Inspecteur dat belanghebbende in "de brief voor het jaar 2001" geen nieuwe, nog niet door hem behandelde grieven tegen de betreffende aanslag heeft ingebracht. In de situatie dat belanghebbende de Inspecteur de genoemde mededeling doet en geen nadere grieven aanvoert, is er voor de Inspecteur geen enkele reden de, op 22 april 2008 gedagtekende, brief voor het jaar 2001 door te zenden aan de Rechtbank 's-Gravenhage, aldus de Inspecteur. Hierbij acht de Inspecteur van belang dat belanghebbende regelmatig procedeert in belastingzaken en goed bekend is met de gang van zaken in belastingprocedures.

4.2. Belanghebbende is van mening dat er sprake is van een tijdig ingediend beroep en verwijst daarbij naar het oordeel van de Rechtbank, die heeft overwogen:

"2.4. Op grond van artikel 6:15, lid 3, van de Awb heeft het tijdstip van indiening van de brief van 22 april 2008 bij de inspecteur te gelden als het tijdstip waarop dit - als beroepschrift aan te merken - geschrift bij de rechtbank is ingediend. Daaraan doet niet af dat in de brief van 22 april 2008 is vermeld dat bij de rechtbank pro forma beroep is ingediend. De inspecteur mag er niet zondermeer vanuit gaan dat dit daadwerkelijk is geschied."

Voorts bestrijdt belanghebbende dat zij in april 2008 voldoende bekend was met de procedurele regels van de fiscale rechtsgang.

4.3. Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is dat belanghebbende bij de onder 2.10 vermelde brief, die op 2 juni 2008 is binnengekomen bij de Rechtbank 's-Gravenhage, niet tijdig in beroep is gekomen tegen de onder 1.1 vermelde uitspraak op bezwaar. Voorts heeft belanghebbende niets gesteld en is het Hof niet gebleken dat bij het indienen van het beroep bij de onder 2.10 vermelde brief sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Naar het oordeel van het Hof rest voor de ontvankelijkheid van het beroep het antwoord op de vraag of "de brief voor het jaar 2001" op grond van artikel 6:15, lid 1, van de Awb door de Inspecteur doorgezonden had moeten worden aan de Rechtbank om daar als beroepschrift in behandeling genomen te worden.

4.4. In "de brief voor het jaar 2001" verzocht belanghebbende de Inspecteur de ontvangen uitspraak op het bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting betreffende het jaar 2001 te herzien en belanghebbende niet extra te belasten met kosten van griffierecht en andere kosten zoals advocaatkosten. Van deze brief voor het jaar 2001, waarin sprake is van de kruisverwijzing naar de jaren 2000 en 2001 en waarin wordt verwezen naar een bijlage "Proforma Beroepsschrift", en van de onder 2.7 vermelde brief, heeft de Inspecteur kennisgenomen.

Uit de bewoordingen van "de brief voor het jaar 2001" heeft de Inspecteur, naar het oordeel van het Hof, in de onderhavige situatie mogen aannemen dat belanghebbende met deze brief voor het jaar 2001 niet heeft beoogd dat deze als een rechtsmiddel tegen de uitspraak op bezwaar van 11 april 2008 zou worden behandeld. Belanghebbende verzoekt in deze brief immers ter voorkoming van extra kosten die samenhangen met een gerechtelijke procedure, zoals griffierecht en advocaatkosten, aan de Inspecteur deze uitspraak te herzien. Op de brief voor het jaar 2001 is het bepaalde in artikel 6:15, lid 1, van de Awb noch naar zijn bewoordingen noch naar zijn strekking van toepassing (zie Hoge Raad van 5 januari 2007, nr. 42.861, LJN: AZ5557, BNB 2007/124). Op de Inspecteur rustte geen verplichting de brief voor het jaar 2001 door te zenden aan de Rechtbank.

4.5. Belanghebbende heeft in "de brief voor het jaar 2001" verwezen naar een door haar op dezelfde datum bij de Rechtbank ingediend - pro forma - beroepschrift, dat zij als bijlage bij deze brief had gevoegd. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof uit die bewoordingen van haar brief terecht mogen aannemen, dat belanghebbende heeft zorg gedragen voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de uitspraak op bezwaar. Op de Inspecteur rustte dan ook geen verplichting (de bijlage bij) "de brief voor het jaar 2001" door te zenden aan de Rechtbank.

4.6. Uit het vorenoverwogene volgt, dat belanghebbende het rechtsmiddel van beroep niet tijdig heeft ingesteld, dat de Inspecteur terecht heeft verondersteld dat op hem geen doorzendverplichting rustte met betrekking tot "de brief voor het jaar 2001" (met bijlage) en dat de Rechtbank belanghebbende ten onrechte ontvankelijk in haar beroep heeft verklaard. Vraag I dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag II

4.7. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel, dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is, komt het Hof aan de beantwoording van vraag II niet meer toe.

Vraag III

4.8. Belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en daarbij verwezen naar de procedure bij de Hoge Raad bekend onder nummer 09/05112. In deze procedure heeft de Hoge Raad arrest gewezen op 10 juni 2011, LJN: BO5080, V-N 2011/31.5, en overwogen:

"3.3.2. (...) Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan de inspecteur tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (...)."

4.9. In het onder 4.8 vermelde arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vergoeding van immateriële schade aan de orde kan komen met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Dit betekent naar het oordeel van het Hof dat voor een veroordeling tot een dergelijke vergoeding sprake moet zijn van een gegrond (hoger) beroep van belanghebbende. Gelet op hetgeen onder 4.6 en 4.7 is overwogen, is daarvan in deze procedure geen sprake. Vraag III dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag IV

4.10. Gelet op het hier gegeven oordeel dat het beroep van belanghebbende bij de Rechtbank niet-ontvankelijk is, heeft belanghebbende in beginsel geen recht op een (integrale) proceskostenvergoeding. Ook overigens acht het Hof geen omstandigheden aanwezig die aanleiding vormen voor het veroordelen van de Inspecteur in de (integrale) proceskosten. Gelet hierop dient vraag IV ontkennend te worden beantwoord.

Slotsom

4.11. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur en dient het incidenteel hoger beroep gegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.12. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. Immers het is niet in overeenstemming met de strekking van artikel 27p, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen om vergoeding van het griffierecht toe te kennen indien, zoals hier, de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend vernietigd wordt op gronden die door de Inspecteur in zijn incidentele hoger beroep zijn aangevoerd, en dus niet op door belanghebbende aangedragen gronden (HR 15 april 2011, nr. 10/00692, LJN: BP6600).

Ten aanzien van de proceskosten

4.13. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en

- verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep bij de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 03 februari 2012

door P. Fortuin, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en A.J. van Soelen, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.