Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9690

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
20-003430-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van bedreiging van de burgemeester van de gemeente Roosendaal. De gebruikte bewoordingen zijn niet

ondubbelzinng op te vatten als een bedreiging. Evenmin kan worden gezegd dat de omstandigheden waaronder deze

bewoordingen zijn gebezigd zodanig waren dat daardoor de gerede vrees kon ontstaan bij de burgemeester.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003430-11

Uitspraak : 22 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

22 augustus 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met de parketnummers

02-800231-11, 02-666111-11 en 02-666295-11, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd in de strafzaak met parketnummer 02-800231-11.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 dagen, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van de niet aan het oordeel van het hof onderworpen feiten gevorderd, dat het gerechtshof op de voet van artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering, de aan de verdachte op te leggen straf zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden conform het vonnis van de rechtbank.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 februari 2011 te Steenbergen en/of Tilburg, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (burgemeester van de gemeente Roosendaal) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, telefonisch via een medewerker van de meldkamer van de politie Midden en West Brabant opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "someone is out to get the mayor [slachtoffer 1]", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard. Daartoe heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de in de dagvaarding opgenomen bewoordingen ‘someone is out to get the mayor [slachtoffer 1]’ niet ondubbelzinnig zijn op te vatten als een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de dagvaarding onvoldoende duidelijk is.

Het hof overweegt omtrent de geldigheid van de dagvaarding het volgende.

Het hof is, anders dan de raadsvrouwe van verdachte, van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof overweegt daartoe dat in de tenlastelegging voldoende feitelijk en eveneens duidelijk is omschreven waaruit de verweten feitelijke gedraging bestaat. Het hof overweegt voorts dat de tenlastelegging moet worden begrepen tegen de achtergrond van het dossier en dat niet is gebleken dat het de verdachte niet duidelijk zou zijn geweest welk verwijt hem wordt gemaakt.

Het hof acht de dagvaarding geldig en verwerpt mitsdien het verweer van de raadsvrouw.

Vrijspraak

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte van de ten laste gelegde bedreiging zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd:

I. Niet verdachte maar iemand anders heeft de bedreiging geuit. Verdachte heeft de door hem opgevangen woorden slechts doorgegeven aan de meldkamer van de politie;

II. De in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen zijn niet te duiden als een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, nu deze “bedreiging” niet van dien aard is en niet onder zodanige omstandigheden is geschied dat daardoor bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel dat hij het slachtoffer zou kunnen worden van zware mishandeling. Ook uit de overige omstandigheden kan zulks niet worden afgeleid;

III. Indien het hof van oordeel is dat de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen wel een bedreiging opleveren, heeft verdachte geen opzet gehad op de bedreiging van [slachtoffer 1]. Immers, de bedreiging is door verdachte niet rechtstreeks aan [slachtoffer 1] zelf geuit. Voorts is verdachte er niet verantwoordelijk voor dat de bewoordingen die hij aan de meldkamer van de politie heeft doorgegeven door die meldkamer vervolgens onjuist aan [slachtoffer 1] zijn overgebracht. Als de burgemeester zich al bedreigd heeft gevoeld is dat door deze – onjuiste – weergave veroorzaakt.

Het hof overweegt het volgende.

Ad. I.

Het hof acht het ongeloofwaardig dat verdachte slechts de woorden die hij van anderen had opgevangen – ‘someone is out to get the mayor [slachtoffer 1]’ – aan de meldkamer wilde doorgeven en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte deed de melding aan de meldkamer van de politie Midden en West Brabant in de Engelse taal. Verdachte heeft verklaard dat hij dat in de Engelse taal deed, omdat hij de woorden ook in de Engelse taal had opgevangen. Het hof ziet echter niet in waarom verdachte op vragen van de meldkamer eveneens in de Engelse taal reageerde met onder andere ‘(…) I advice you to take it seriously’. Voorts heeft verdachte op vragen van de meldkamer geen nadere gegevens willen verstrekken, maar in plaats daarvan verbrak verdachte de verbinding. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen ‘someone is out to get the mayor [slachtoffer 1]’ van verdachte zelf komen en dat hij deze niet heeft opgevangen van andere personen.

Ad. II.

Het hof is van oordeel dat de bewoordingen ‘someone is out to get the mayor [slachtoffer 1]’, in het Nederlands te vertalen als ‘iemand wil de burgemeester [slachtoffer 1] pakken cq te grazen nemen’, niet ondubbelzinnig zijn op te vatten als een bedreiging, waardoor bij [slachtoffer 1] (burgemeester van Roosendaal) de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of het slachtoffer zou kunnen worden van zware mishandeling. Het hof acht de bewoordingen in de gedane uitlating daartoe onvoldoende bepaald. Evenmin kan worden gezegd dat de omstandigheden waaronder deze bewoordingen zijn gebezigd zodanig waren dat daardoor de voormelde gerede vrees kon ontstaan bij [slachtoffer 1].

Derhalve is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals dat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Gelet hierop behoeft het door de raadsvrouw onder III aangevoerde geen bespreking.

Op te leggen straf met betrekking tot de niet aan het oordeel van het hof onderworpen feiten

Het hof zal, gelet op artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, een straf bepalen ten aanzien van de niet aan zijn oordeel onderworpen door de eerste rechter bewezen verklaarde feiten, te weten (kort gezegd):

- Het opzettelijk meerdere malen zonder noodzaak bellen van het alarmnummer 112 (parketnummer 02-800231-11);

- De vernieling van telkens een ruit van een tweetal panden (parketnummer 02-800231-11);

- De mishandeling van zijn levensgezel [slachtoffer 2] (parketnummer 02-666295-11). Ten laste gelegd is de naam ‘[slachtoffer 2]’ en de rechtbank heeft dat zo bewezen verklaard. Uit de inhoud van het procesdossier blijkt echter dat één van de voorletters onjuist is en dat de steller van de tenlastelegging ‘[slachtoffer 2]’ heeft bedoeld. Het hof leest dat verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging;

- Het meermalen bedreigen van [slachtoffer 3] (parketnummer 02-666111-11).

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat deze straf kan worden bepaald op een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Het hof zal aan het voorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf eveneens de na te melden bijzondere voorwaarde verbinden.

Beslag

De in beslag genomen mobiele telefoon zal worden teruggegeven aan de hieronder te noemen persoon, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800231-11 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt de straf voor de door de rechtbank in de zaak met parketnummer 02-800231-11, onder 2 en 3 en de in de zaken met parketnummer 02-666295-11 en 00-666111-11 bewezen verklaarde feiten op een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Novadic-Kentron verslavingsreclassering, ook als dat inhoudt dat hij zich dient te laten opnemen in en behandelen door de zorginstelling FPA De Mare of een soortgelijke forensische instelling, gedurende de termijn van twee jaar of zoveel korter als de leiding van de inrichting in overleg met de reclassering wenselijk acht dan wel zich ambulant dient te laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek;

Draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de thans bepaalde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 2] van de in beslag genomen mobiele telefoon van het merk Nokia (kleur grijs).

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

dr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en dr. mr. M. Malsch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 22 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J. Huurman- van Asten en dr. mr. M. Malsch zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.