Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9688

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
20-002605-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1120, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 11 jaar en 6 maanden voor het met een sierzwaard in de rug steken van het slachtoffer.

Bewezen verklaring van poging tot moord. Verwerping verweer noodweer(exces), dan wel putatief noodweer; geen sprake van een (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en voorts kan de gedraging van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als aanvallend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002605-11

Uitspraak : 22 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 14 juni 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-800390-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

volgens het uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [woonplaats], [adres],

en verblijvende in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 Gevangenis te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid hoger beroep

Blijkens de inhoud van de akte rechtsmiddel van 20 juni 2011 is het hoger beroep bij het aanwenden daarvan niet beperkt tot de veroordeling ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. Het hoger beroep is later evenmin beperkt door middel van een partiële intrekking bij akte.

De raadsvrouwe van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep echter te kennen gegeven dat de voormalig raadsman van verdachte bij het instellen van het rechtsmiddel in de veronderstelling was dat de feiten 2, 3 en 4 waren geregistreerd onder een ander parketnummer dan het parketnummer 02-800390-10 en dat het hoger beroep niet tegen de veroordeling ter zake van die feiten is gericht.

Op de voet van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof, mede gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, juncto artikel 407, tweede lid, van dat Wetboek, de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van voorarrest, zal opleggen.

Ten aanzien van de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het gerechtshof op de voet van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de aan de verdachte op te leggen straf zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zou hebben gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces. Subsidiair heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat geen sprake was van voorbedachte raad, zodat geen sprake kan zijn van poging tot moord. Meer subsidiair heeft zij bepleit dat bij een bewezen verklaring van poging tot doodslag de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf zal worden gematigd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsvrouwe gezegd daartegen “geen grieven” te richten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 maart 2010 te Waalwijk ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een mes/(sier)zwaard, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of de arm(en), althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 29 maart 2010 te Waalwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (zenuwletsel in het ruggenmerg en/of dwarslaesie en/of zenuw-/peesletsel in rechter- en/of linkerarm(en)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal met een mes/(sier)zwaard, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of armen, althans in het lichaam te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 maart 2010 te Waalwijk ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met een sierzwaard in de rug en de armen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Nu uit het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat tussen verdachte en zijn vriendin [getuige 3] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bewezen verklaarde feit tezamen en in vereniging met [getuige 3] heeft gepleegd.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een poging doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen doch bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde poging tot moord zal worden vrijgesproken, nu verdachte niet heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg zodat de voorbedachte raad ontbreekt. Daartoe heeft de raadsvrouwe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Verdachte voelde zich door [slachtoffer] bedreigd aangezien die [slachtoffer] eigendommen in de woning van verdachte had vernield. Toen [slachtoffer] daarop de woning van verdachte had verlaten, is verdachte vervolgens achter [slachtoffer] aan naar buiten gelopen om er zeker van te zijn dat [slachtoffer] zijn auto zou pakken en weg zou rijden. Verdachte heeft daarbij een mes meegenomen, maar uitsluitend om daarmee te dreigen en niet met de intentie om [slachtoffer] daarmee te steken. Tussen het naar buiten gaan en het steken met het mes in de rug van [slachtoffer] heeft enig tijdsverloop gezeten, maar verdachte was op dat moment ten prooi aan een hevige gemoedsbeweging en de waarneming van verdachte werd vertroebeld door angst. Dat sprake was van een dreigende situatie, blijkt ook uit het feit dat de vriendin van verdachte zich geroepen voelde een vaas kapot te slaan op de rug van [slachtoffer] en uit het feit dat [getuige 1] tegen [slachtoffer] riep: ‘pak je gun’. Verdachte zou toen “in een split second” hebben gehandeld zonder dat hij tijd heeft gehad hierover rustig na te denken.

Het hof overweegt het volgende.

Naar het oordeel van het hof is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de op poging tot moord toegesneden tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Naar het oordeel van het hof is daarvan te dezen sprake gelet op hetgeen hof met betrekking tot de feitelijke gang van zaken vaststelt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de verklaringen van [slachtoffer] die steun vinden in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

Naar het oordeel van het hof heeft zich - kort samengevat - het volgende voorgedaan.

Op 29 maart 2010 is [slachtoffer] samen met [getuige 1] in de woning van verdachte geweest. In huis is onenigheid ontstaan tussen [slachtoffer] en verdachte. Op enig moment hebben [slachtoffer] en [getuige 1] de woning van verdachte verlaten. Verdachte was toen nog in zijn woning.

Verdachte heeft daarop een sierzwaard gepakt van een dressoir dat naast de bank in de woonkamer stond en is vervolgens ook naar buiten gegaan met dat sierzwaard in zijn hand. Hij is achter [slachtoffer] aangelopen. [slachtoffer] is op enig moment gestopt en verdachte heeft zwaaiende bewegingen met het sierzwaard gemaakt in de richting van [slachtoffer], die [slachtoffer] met zijn armen afweerde. [slachtoffer] voelde daarop bloed uit zijn jas lopen. Getuige [getuige 2] heeft ook gezien dat [slachtoffer] al bloed aan zijn handen had nadat de verdachte zwaaiende bewegingen met het zwaard had gemaakt, maar voordat [slachtoffer] enige tijd later in zijn rug werd gestoken.

Vaststaat dat [slachtoffer] bij het afweren van de zwaaiende bewegingen die verdachte maakte met het sierzwaard pees- en zenuwletsel aan zijn armen heeft opgelopen (geneeskundige verklaring van 22 april 2010, dossierp. 70).

[slachtoffer] is vervolgens van verdachte weggelopen in de richting van de parkeerplaats. De verdachte is toen opnieuw achter [slachtoffer] aangelopen. Verdachte heeft, zo heeft [slachtoffer] verklaard (dossierp. 66) het mes (het hof begrijpt: het sierzwaard) laten vallen maar ook weer opgeraapt. [slachtoffer] heeft, toen hij vervolgens richting zijn auto liep, op enig moment omgekeken om te zien waar verdachte zich bevond. Op dat moment stak verdachte [slachtoffer] in zijn rug, waarna [slachtoffer] op de grond viel en zijn benen niet meer voelde.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] in een “gewoon” tempo liep.

Uit de hiervoor omschreven gang van zaken, volgt naar het oordeel van het hof, dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof acht, anders dan de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat [getuige 1] tegen [slachtoffer] ‘pak je gun’ heeft geroepen. Immers, noch [slachtoffer] noch de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben daarover iets verklaard, terwijl [getuige 1] zich in de directe nabijheid van verdachte en [slachtoffer] bevond en [getuige 2] zich ook binnen gehoorsafstand van verdachte en [slachtoffer] bevond. Het hof acht daarom niet aannemelijk dat verdachte dergelijke woorden heeft gehoord en vervolgens in een opwelling [slachtoffer] met het sierzwaard in zijn rug heeft gestoken.

Door met het sierzwaard in de rug van [slachtoffer] te steken heeft verdachte naar het oordeel van het hof op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor van het leven zou worden beroofd.

Gelet op al het voorgaande acht het hof, anders dan de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – kort gezegd – heeft gepoogd, na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] van het leven te beroven.

Het hof wijkt derhalve af van het standpunt van de verdediging.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte is door de raadsvrouwe een beroep gedaan op noodweer(exces), dan wel putatief noodweer, zodat verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe hebben de raadsvrouwe en de verdachte het volgende aangevoerd.

In de woning van verdachte is ruzie ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer]. [slachtoffer] had eigendommen van verdachte vernield in de woning en verdachte zag dat [slachtoffer] op een vreemde manier zat alsof hij een voorwerp in zijn broeksband droeg. Voorts had [slachtoffer] aan verdachte een gasbrander met een flinke vlam laten zien. Hierdoor ontstond in de woning al een dreigende sfeer. Verdachte voelde zich door [slachtoffer] bedreigd en is op het moment dat [slachtoffer] naar buiten ging achter hem aangelopen met een sierzwaard om er zeker van te zijn dat [slachtoffer] weg zou gaan. Op een gegeven moment leek de afstand tussen verdachte en [slachtoffer] te worden vergroot. Op dat moment hoorde verdachte echter dat door [getuige 1] tegen [slachtoffer] werd geroepen ‘pak je gun’. Verdachte zag dat de hand van [slachtoffer] naar zijn broeksband ging en vreesde dat [slachtoffer] met een vuurwapen op hem zou schieten, zodat hij meende zich daartegen te moeten verdedigen. Dat geen wapen is aangetroffen sluit niet uit dat dit aanwezig geweest kan zijn. Verdachte heeft vervolgens, onder invloed van een hevige gemoedsbeweging, [slachtoffer] met het sierzwaard in de rug gestoken.

Het hof overweegt het volgende.

? Ten aanzien van het beroep op noodweer(exces).

Om een geslaagd beroep te kunnen doen op noodweer(exces) in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken met het sierzwaard, omdat deze gedraging was geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een (onmiddellijk dreigende) ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, door [slachtoffer].

Voorts overweegt het hof het volgende.

Blijkens de wettelijke omschrijving van noodweer gaat het bij deze strafuitsluitingsgrond om de "verdediging" van bepaalde rechtsgoederen tegen een (wederrechtelijke) aanranding. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet slagen.

Zoals het hof hiervoor onder het kopje ‘bijzondere overwegingen omtrent het bewijs’ heeft overwogen, is het de verdachte geweest die [slachtoffer] achterna is gelopen met een sierzwaard en dat verdachte [slachtoffer], die op dat moment al gewond was aan beide armen, in zijn rug heeft gestoken, zonder dat [slachtoffer] daar aanleiding toe gaf. Immers, uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat [getuige 1] tegen [slachtoffer] heeft geroepen ‘pak je gun’. Dit nog daargelaten de vraag of, als deze woorden door [getuige 1] zouden zijn geuit, die uitlating een aanleiding mocht zijn voor verdachte om te handelen zoals hij heeft gedaan. Van enige (andere) dreiging op dat moment door [slachtoffer] richting verdachte is evenmin gebleken. Verdachte heeft voorts verklaard (dossierpag. 134) dat hij niet heeft gezien dat [slachtoffer] daadwerkelijk iets in zijn handen had.

Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de lezing van verdachte bevestigen, acht het hof die lezing van verdachte niet aannemelijk. Dit betekent dat naar het oordeel van het Hof geen sprake was van een (onmiddellijk dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. Reeds daarom wordt het beroep op noodweer(exces) verworpen.

Naar het oordeel van het hof is de gedraging van verdachte - kort gezegd: [slachtoffer] achterna blijven lopen met het sierzwaard in de hand terwijl [slachtoffer] dan al gewond is aan beide armen – zelfs een gedraging die naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als aanvallend.

Nu geen sprake was van een noodweersituatie waarin verdediging door de verdachte noodzakelijk was, wordt eveneens het beroep op noodweer(exces) verworpen.

? Ten aanzien van het beroep op putatief noodweer.

In aanmerking genomen dat (I) niet aannemelijk is geworden dat [getuige 1] ‘pak je gun’ heeft geroepen tegen [slachtoffer], (II) bij [slachtoffer] geen wapen is aangetroffen en (III) geen van de getuigen heeft gezien dat [slachtoffer], voordat verdachte [slachtoffer] met het sierzwaard in zijn rug stak, een voorwerp heeft willen pakken en (IV) verdachte naar eigen zeggen (dossierpag. 134) ook niet heeft gezien dat [slachtoffer] een voorwerp in zijn handen had, kon verdachte niet redelijkerwijs in de veronderstelling verkeren dat van het slachtoffer [slachtoffer] een onmiddellijk dreigend gevaar van een wederrechtelijke aanranding uitging. Het hof verwerpt daarom eveneens het beroep op putatief noodweer.

Bovendien is het naar het oordeel van het hof aldus dat – zoals hiervoor reeds is overwogen – de gedraging van verdachte een gedraging is, die naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als aanvallend. In zo een geval kan, zoals hiervoor al is overwogen, een beroep op putatief noodweer niet slagen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer].

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] met een sierzwaard in zijn armen en in zijn rug gestoken. Blijkens de geneeskundige verklaring van [naam deskundige] (neuroloog) van 22 april 2010 waren steekverwondingen in beide armen en in de rug zichtbaar. Als gevolg van de steekverwonding in de rug is er sprake van ernstig zenuwletsel in zijn ruggenmerg, waardoor [slachtoffer] een dwarslaesie heeft opgelopen. De verwachting is dat geen herstel meer zal optreden in zijn motore dwarslaesie. Daarnaast heeft [slachtoffer] door de steekverwondingen in de armen zenuwletsel (aan de nervus ulnaris) in de rechterarm opgelopen en zenuw- en peesletsel in de linkeronderarm.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt welke gevolgen het bewezen verklaarde feit voor hem heeft gehad en thans nog heeft. [slachtoffer] moet zich voor de rest van zijn leven voortbewegen in een rolstoel. Naast de lichamelijk gevolgen heeft het bewezen verklaarde feit ook psychische gevolgen voor [slachtoffer] gehad. [slachtoffer] vindt zijn leven uitzichtloos, omdat hij moet accepteren dat hij wat betreft verzorging voortaan afhankelijk is van anderen en omdat hij niet meer in staat is om te werken. Daardoor is [slachtoffer] in een depressie geraakt waarvoor hij zich onder behandeling van een psycholoog heeft moeten stellen.

Naar het oordeel van het hof kan in het onderhavige geval niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft voorts ten bezware van de verdachte acht geslagen op de mate waarin een feit als het bewezen verklaarde feit in de maatschappij gevoelens van onveiligheid en onrust teweeg pleegt te brengen, op de omstandigheid dat het bewezen verklaarde feit heeft geleid tot ernstig blijvend lichamelijk letsel bij het slachtoffer [slachtoffer] en op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van16 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit als het bewezen verklaarde feit, een geweldsdelict, onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof ziet in de bovengenoemde strafverzwarende omstandigheden aanleiding om een hogere straf op te leggen dan de eerste rechter. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij eerder ter zake van een ernstig geweldsdelict onherroepelijk is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf en dat dat hem kennelijk niet weerhoudt van het wederom plegen van een dergelijk ernstig strafbaar feit.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Beslag

Het hierna te noemen zilverkleurig mes, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot hetwelk het bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De hierna te noemen stiletto, die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf is aangetroffen, aan verdachte toebehoort en kan dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven als bewezen verklaard, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Van de in beslaggenomen mobiele telefoon (merk Nokia) zal de teruggave aan verdachte worden gelast.

De in beslaggenomen gouden schakelketting zal worden teruggegeven aan de hieronder te noemen persoon, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 10.000,--. Deze vordering is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot moord.

Verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] terzake van het bewezen verklaarde feit tot het bedrag van EUR 10.000,00 (tienduizend euro) aan immateriële schade, toe en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 10.000,00 (tienduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart het in beslag genomen, aan een zijde gekarteld zilverkleurig mes met aan het uiteinde het hoofd van een python verbeurd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen stiletto.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen mobiele telefoon, merk Nokia.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de in beslag genomen gouden schakelketting.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

dr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en dr. mr. M. Malsch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 22 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J. Huurman-van Asten en dr. mr. M. Malsch zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.