Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
20-002468-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ8172, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ8172
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Verdachte heeft in de keuken van de woning van zijn ex-vrouw vier gaspitten opengedraaid. Toen hij zag dat zijn ex-vrouw terugkeerde bij de woning, heeft hij in de gang negen kaarsen aangestoken en vervolgens de deur voor haar opengedaan. Bij een andere gelegenheid heeft hij de gaspitten opengedraaid toen zijn ex-vrouw in de woonkamer en hun drie kinderen op de eerste verdieping lagen te slapen. Vervolgens is hij, terwijl zijn ex-vrouw nog lag te slapen, naar boven gegaan en heeft hij het gas vrijelijk de woning in laten stromen. Het hof legt 3 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002468-11

Uitspraak : 19 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juni 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-825548-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond,

waarbij:

- de verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 2 primair en onder 3;

- de verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1 primair (poging tot doodslag, meermalen gepleegd) en onder 2 subsidiair (poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege;

- de benadeelde partijen, die zich ter zake van het onder 3 ten laste gelegde in het strafproces hadden gevoegd, niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding;

- een in beslag genomen bijl en moker werden teruggegeven aan [A] en een boek werd teruggegeven aan de verdachte.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 11 januari 2012 en 5 maart 2012, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 4 februari 2011, 13 april 2011 en 24 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het hof - anders dan de rechtbank - komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2010 tot en met 25 oktober 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn ex-echtgenoot [A] en/of zijn kinderen, te weten [B] (geboren op [2009]) en/of [C] (geboren op [1999]) en/of [D] (geboren op [2002]) van het leven te beroven, met dat opzet vier, althans een of meer, gaspit(ten) heeft opengezet en/of het gas vrijelijk in de woning aan het [adres] aldaar heeft laten stromen (terwijl voornoemde [A] en/of zijn kinderen in de woning lag(en) te slapen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2010 tot en met 25 oktober 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in een woning aan het [adres], terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van deze woning en/of de belendende panden en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zijn ex-echtgenote [A] en/of zijn kind(eren), te weten [B] (geboren op [2009]) en/of [C] (geboren op [1999]) en/of [D] (geboren op [2002]) (die in die woning lagen te slapen) en/of de in de belendende panden aanwezige personen te duchten was, met dat opzet vier, althans een of meer, gaspit(ten) in voornoemde woning heeft opengezet en/of het gas vrijelijk de woning in heeft laten stromen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

primair:

hij op of omstreeks 6 februari 2009 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn ex-echtgenote [A] van het leven te beroven, met dat opzet vier, althans een of meerdere, gaspitten van het fornuis in de woning aan het [adres] heeft opengezet en/of het gas vrijelijk in voornoemde woning heeft laten stromen (in de wetenschap dat die [A] elk moment thuis kon komen) en/of negen, althans een of meer, kaars(en) aangestoken en/of deze brandende kaars(en) in de hal van voornoemde woning gezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 6 februari 2009 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in een woning aan het [adres], terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van deze woning en/of de belendende panden en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zijn ex-echtgenote [A] en/of de in de belendende panden aanwezige personen te duchten was, met dat opzet vier, althans een of meer, gaspit(ten) in voornoemde woning heeft opengezet en/of het gas vrijelijk in de woning heeft laten stromen en/of (daarbij) negen, althans een of meer, kaars(en) heeft aangestoken en/of deze brandende kaars(en) (vervolgens) in de hal van voornoemde woning heeft gezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de onderstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Deze bewijsmiddelen maken onderdeel uit van het dossier van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Woensel Zuid, OPS-dossiernr. 2010162545, sluitingsdatum 1 december 2010, doorgenummerde pagina’s 1-136.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een proces-verbaal van aangifte, nr. 2009021317-1, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [A] d.d. 6 februari 2009:

- pag. 81:

Ik woon aan het [adres] te Eindhoven. Ik ben gescheiden van [verdachte]. Zijn volledige naam is [verdachte]. We hebben samen twee kinderen, genaamd [C] (het hof begrijpt: [C]) en [D].

- pag. 82:

Vandaag, vrijdag 6 februari 2009, kwam [verdachte] bij mij thuis. Toen ik hem aankeek, zag ik dat hij drugs had gebruikt. Ik sprak hem daarop aan met de woorden: “Je stopt nu met het drugsgebruik, anders kom je niet meer bij mij binnen.” Hierop werd [verdachte] boos en bracht de kinderen naar school. Op hetzelfde moment dat [verdachte] de kinderen naar school bracht, bracht ik mijn zus naar huis. Mijn zus had afgelopen nacht bij mij gelogeerd.

Toen ik terugkwam, heb ik mijn auto in de straat geparkeerd. Ik wilde de voordeur openen en merkte dat [verdachte] deze had afgesloten zodat ik niet met mijn sleutel naar binnen kon. Ik riep naar [verdachte] dat hij de deur moest openen. [verdachte] opende de deur voor mij. Op het moment dat ik de hal binnenliep, rook ik direct een gaslucht. Ik zag dat hij negen kaarsen had aangestoken welke allemaal in de hal stonden. Ik heb toen de kaarsen naar buiten gegooid. Daarna ben ik direct naar de keuken gelopen om het gas uit te draaien. Ik zag en hoorde dat [verdachte] alle vier de gaspitten had opengedraaid.

2. Een brief van [A] d.d. 28 maart 2011 (gehecht aan de getuigenverklaring van [A] bij de rechter-commissaris d.d. 1 april 2011), voor zover inhoudende:

We zijn de afgelopen jaren bezig geweest om bij elkaar terug te komen. Daar is ons dochtertje [B] uit voortgekomen.

3. Een proces-verbaal van aangifte, nr. PL2209 2010161019-1, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [A] d.d. 25 oktober 2010:

- pag. 37-38:

Ik wens aangifte te doen tegen mijn ex-man [verdachte]. Sinds 2004 zijn wij gescheiden. Hij is ook de vader van mijn drie kinderen. Vanaf het moment dat hij weer in onze woning aan de [adres] te Eindhoven kwam, was er bijna dagelijks ruzie.

Hij heeft gezegd dat hij iedereen af zou maken.

Vorig jaar zei mijn ex tegen mij “we gaan allemaal dood”. Ik was bang dat hij mij en de kinderen iets aan wilde doen. Hij zegt: “Of we blijven bij elkaar of we gaan allemaal dood.”

4. Een proces-verbaal van verhoor, nr. PL2209 2010161019-16, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [A] d.d. 27 oktober 2010:

- pag. 42:

Ik begrijp van u dat [verdachte] gisteren tijdens zijn verhoor op het politiebureau heeft gezegd dat hij niet zonder mij en de kinderen kan leven.

- pag. 43:

Ongeveer een week geleden bevond ik mij in de woonkamer van mijn woning. Ik lag te slapen op de bank. De woonkamer grenst aan de keuken. Toen ik op de bank lag, hoorde ik in één keer het gas van het gasfornuis aan staan. Toen ik opstond en naar de keuken liep, zag ik dat alle vier de gaspitten aanstonden. Ik zag [verdachte] weglopen naar boven. Op het moment dat [verdachte] het gas aan deed, lagen onze drie kinderen op de eerste verdieping te slapen.

5. Een proces-verbaal van verhoor, nr. PL2209 2010161019-15, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van de verdachte d.d. 26 oktober 2010:

- pag. 75-77:

U vraagt mij waar ik op dit moment verblijf. Ik ga vaak terug naar mijn ex-vrouw. Mijn ex-vrouw woont op het [adres] in Eindhoven samen met mijn drie kinderen. Ik kan niet zonder hen. Mijn ex-vrouw heet [A]. Ik kan echt niet zonder haar. Dan is het einde verhaal voor mij.

U vraagt of ik in het verleden de gaskraan opengedraaid zou hebben thuis. Ik wilde de hele boel in de fik gooien. Ik heb al eerder gezegd dat ik mijn vrouw en kinderen niet achterlaat. Mijn vrouw en drie kinderen waren op dat moment thuis. Mijn vrouw lag in de woonkamer op de bank te slapen. Ik heb de gaskraan opengedraaid in de keuken. Vanaf de bank, waar mijn ex-vrouw lag te slapen, kun je zo de keuken in kijken. Mijn kinderen lagen op dat moment boven te slapen. Ik deed dit omdat ik een conflict had met haar. Mijn ex-vrouw heeft de gaskraan dichtgedraaid. De vorige keer had ik kaarsen aangestoken nadat ik de gaskraan had opengedraaid. De laatste keer, deze keer, heb ik geen kaarsen aangestoken. Dit is in de afgelopen twee dagen gebeurd. U vraagt of het zo is dat als ik ga, mijn kinderen ook dood moeten. Ja.

6. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ’s-Hertogenbosch, opgemaakt bij gelegenheid van de toetsing van de inverzekeringstelling en de vordering inbewaringstelling, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van de verdachte d.d. 28 oktober 2010:

Het klopt dat ik twee keer de gaspitten in de keuken heb opengedraaid. Het is een keer in 2009 gebeurd, het kan zijn dat dat in februari was. Ik heb de gaspitten opengedraaid. Ik heb gezien dat [A] eraan kwam, ik heb toen nog kaarsen aangestoken. [A] is de woning binnengekomen en zij heeft de gaspitten uitgezet. De tweede keer was denk ik één à twee dagen voor mijn aanhouding op 25 oktober 2010.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Feit 1: Betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte en zijn ex-vrouw

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte dit feit ontkent; dat hij - anders dan is geverbaliseerd - dit feit nooit heeft bekend, alsmede dat aangeefster bij de rechter-commissaris op 1 april 2011 en 14 november 2011 is teruggekomen op haar verklaring bij de politie dat de verdachte in oktober 2010 de gaspitten heeft opengedraaid terwijl zij en hun drie kinderen lagen te slapen.

Het hof overweegt als volgt.

De verklaring van aangeefster [A] bij de politie d.d. 27 oktober 2010 is diezelfde dag door de verhorende verbalisanten [V1] en [V2] vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt in dat, nadat de aangeefster haar verklaring was voorgelezen, zij verklaarde daarin te volharden en dat zij die in concept ondertekende.

Het hof acht niet aannemelijk dat de politie haar verklaring onjuist heeft geverbaliseerd en gaat daarom uit van de juistheid van de weergave van die verklaring in het proces-verbaal van verhoor.

De verklaring van aangeefster d.d. 27 oktober 2010 vindt steun in de verklaringen van de verdachte bij de politie d.d. 26 oktober 2010 (dus daags vóór de verklaring van aangeefster) en bij de rechter-commissaris d.d. 28 oktober 2010. Het hof acht niet aannemelijk dat, zoals in de stelling van de verdachte besloten ligt, zowel de politie als de rechter-commissaris verdachtes verklaring onjuist heeft geverbaliseerd en gaat daarom uit van de juistheid van de weergave van die verklaringen.

In die beide verklaringen heeft de verdachte uitdrukkelijk verklaard over twee voorvallen waarbij hij de gaspitten heeft opengedraaid. In zijn verklaring bij de politie heeft hij daarbij bovendien een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de eerste keer, waarbij hij wel kaarsen heeft aangestoken, en de tweede keer, waarbij hij geen kaarsen heeft aangestoken.

Op grond van het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de tot bewijs gebezigde verklaringen van [A] en de verdachte.

Feit 1 en 2: Poging tot doodslag

Bij het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt de verdachte telkens primair verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan poging tot doodslag.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens vaste jurisprudentie zijn gedragingen van een verdachte aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, indien zij naar de uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

In februari 2009 heeft de verdachte - nadat hij boos was geworden op zijn ex-vrouw omdat zij had gezegd dat hij niet meer bij haar binnenkwam als hij niet zou stoppen met zijn drugsgebruik - in de keuken van de woning van zijn ex-vrouw vier gaspitten opengedraaid. Toen hij zag dat zijn ex-vrouw terugkeerde bij de woning, heeft hij in de gang negen kaarsen aangestoken en vervolgens de deur voor haar opengedaan (feit 2).

In oktober 2010 heeft de verdachte vier gaspitten opengedraaid op een moment waarop zijn ex-vrouw in de woonkamer en hun drie kinderen op de eerste verdieping lagen te slapen. Vervolgens is hij, terwijl zijn ex-vrouw nog lag te slapen, naar boven gegaan en heeft hij het gas vrijelijk de woning in laten stromen (feit 1).

Naar het oordeel van het hof ontstond hierdoor een reëel gevaar op het overlijden van zijn ex-echtgenote en kinderen door het inademen van gas of door een ontploffing, bijvoorbeeld indien een lichtschakelaar omgezet zou worden of een elektrisch apparaat zoals een koelkast zou “aanslaan”. Het gevaarzettende karakter van het handelen van de verdachte acht het hof een feit van algemene bekendheid, gelet op de vele waarschuwingen waarmee het gebruik van gas in de woning is omgeven en de van tijd tot tijd verschijnende berichten over gasontploffingen in woningen.

De verdachte heeft over het opendraaien van de gaskranen verklaard dat hij “de hele boel in de fik wilde gooien”. De verdachte heeft zich voorts als volgt uitgelaten over zijn lot en dat van ex-vrouw en kinderen:

- “Ik kan echt niet zonder haar. Dan is het einde verhaal voor mij.”;

- “Ik heb al eerder gezegd dat ik mijn vrouw en kinderen niet achterlaat.”;

- “Of we blijven bij elkaar of we gaan allemaal dood.”;

- “U vraagt of het zo is dat als ik ga, mijn kinderen ook dood moeten. Ja”.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes gedragingen, mede bezien in het licht van zijn hiervoor geciteerde uitlatingen over zijn lot en dat van ex-vrouw en kinderen, dat zijn opzet was gericht op de levensberoving van zijn ex-vrouw en hun drie kinderen (feit 1) c.q. zijn ex-vrouw (feit 2).

In de omstandigheid dat de verdachte in beide gevallen zelf ook levensgevaar heeft gelopen, ziet het hof geen contra-indicatie voor het opzet op de dood van zijn ex-vrouw en kinderen (feit 1) c.q. zijn ex-vrouw (feit 2), in aanmerking nemende dat de verdachte zich blijkens zijn uitlatingen kennelijk ook had verzoend met zijn eigen dood.

De gedragingen van de verdachte moeten naar het oordeel van het hof naar de uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zozeer te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf van doodslag op zijn ex-echtgenote en hun drie kinderen (feit 1) c.q. op zijn ex-echtgenote (feit 2), dat zij telkens zijn aan te merken als een begin van uitvoering van dat misdrijf. Door dat begin van uitvoering heeft verdachtes voornemen tot levensberoving zich geopenbaard, zodat er telkens sprake is van een poging tot doodslag.

Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 18 oktober 2010 tot en met 25 oktober 2010 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn ex-echtgenoot [A] en zijn kinderen, te weten [B] en [C] en [D], van het leven te beroven, met dat opzet vier gaspitten heeft opengezet en het gas vrijelijk in de woning aan het [adres] aldaar heeft laten stromen (terwijl voornoemde [A] en zijn kinderen in de woning lagen te slapen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 6 februari 2009 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn ex-echtgenote [A] van het leven te beroven, met dat opzet vier gaspitten van het fornuis in de woning aan het [adres] heeft opengezet en het gas vrijelijk in voornoemde woning heeft laten stromen (in de wetenschap dat die [A] elk moment thuis kon komen) en negen kaarsen aangestoken en deze brandende kaarsen in de hal van voornoemde woning gezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 verklaarde levert op: poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: poging tot doodslag.

Het bewezen verklaarde is telkens strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van (1) poging tot doodslag op zijn ex-echtgenote en hun drie kinderen en (2) poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest en aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze beslissing van de rechtbank geschaard.

De raadsvrouw heeft zich verzet tegen oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en heeft bepleit dat aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf zal worden opgelegd met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact.

Het hof komt tot een bewezenverklaring van (1) poging tot doodslag op zijn ex-echtgenote en hun drie kinderen en (2) poging tot doodslag op zijn ex-echtgenote.

Gevangenisstraf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dit is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming voor de duur de hierna te melden duur met zich brengt.

Daarbij is ten bezware van de verdachte rekening gehouden met het feit dat het bewezen verklaarde werd begaan in de woning van zijn ex-echtgenote, waar zij en haar kinderen zich bij uitstek veilig behoren te kunnen voelen, en met de bijzondere kwetsbaarheid van zijn drie kinderen. In plaats van zijn jonge kinderen als vader bescherming te bieden heeft hij zich jegens hen schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft zijn kinderen en ex-echtgenote, met wie hij na de formele scheiding steeds een relatie heeft behouden waarin ook het derde kind is geboren, in zijn onmacht om zijn met drugs gerelateerde problemen op te lossen, willen meeslepen.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof in strafmatigende zin rekening gehouden met het gegeven dat, zoals hierna zal worden overwogen, het bewezen verklaarde in licht verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, alsmede met het feit dat het hof aan de verdachte tevens de vrijheidsbenemende maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen. Beperking van de duur van de op te leggen gevangenisstraf maakt het bovendien mogelijk de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling eerder te doen aanvangen.

Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden.

Het hof komt tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur dan door de door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, aangezien het hof - anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal - komt tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Terbeschikkingstelling

De deskundigen drs. R.K.F. Lemmens, klinisch psycholoog, en drs. P. Bokšan, psychiater, hebben ieder afzonderlijk een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte. Dit heeft geresulteerd in Pro Justitia rapportages van drs. Lemmens d.d. 14 januari 2011 en 23 maart 2011 (aanvullend) en van drs. Bokšan d.d. 14 mei 2011.

De rapportage van drs. Lemmens d.d. 14 januari 2011 houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in (pag. 16-17):

“Betrokkene lijdt aan een stoornis, namelijk afhankelijkheid van alcohol en afhankelijkheid van soft- en harddrugs, welke momenteel kortdurend in remissie zijn omdat betrokkene in detentie verblijft. Betrokkene lijdt ook aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline kenmerken. (…) Beide, stoornissen en gebreken, waren in de periode van het ten laste gelegde onder 1 (oktober 2010), aanwezig en actueel. Ten tijde van het ten laste gelegde onder 2 (februari 2009) was de persoonlijkheidsstoornis aanwezig en actueel; de verslaving aan alcohol en drugs was aanwezig in latente vorm. (…) De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden). (…) Te adviseren is om betrokkene t.a.v. de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. (…) Het recidiverisico is verhoogd vanwege de impulsiviteit, het lacunaire geweten, de basale achterdocht, de lage frustratietolerantie, het ontbreken van ziektebesef en van zelfinzicht, het bagatelliseren van zijn alcohol- en/of middelengebruik. (…) Betrokkenes psychosociale omgevingsfactoren zijn risicoverhogend. (…) Een bijzondere factor is betrokkenes relatie met zijn ex-vrouw en zijn kinderen. Men mag aannemen dat zijn ex-vrouw de relatie niet kan of niet wil beëindigen en niet in staat blijkt om haar grenzen tegenover betrokkene te bewaken. (…) Deze factoren en condities versterken elkaar. (…) Een begeleiding of behandeling op vrijwillige basis acht onderzoeker niet haalbaar. Omdat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, adviseert ondergetekende om aan betrokkene een verplichte behandeling en begeleiding op te leggen.”

De aanvullende rapportage van drs. Lemmens d.d. 23 maart 2011 houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in (pag. 6-7):

“Ondergetekende komt tot de conclusie dat de behandeling in een klinische setting dient te gebeuren. De voornaamste argumenten daarvoor zijn:

Betrokkene heeft geen ziektebesef en geen ziekte-inzicht. Hij is niet bereid tot en gemotiveerd voor een structureel en uitgebreider pakket van interventies, gericht op zijn persoon en gedrag.

Hij is niet bereid om zich te onderwerpen aan een ambulant toezicht, althans het risico dat betrokkene zich aan het toezicht onttrekt, zich niet aan de voorwaarden houdt en/of zich niet conformeert aan de aanwijzingen vanuit dat toezicht, is groot.

Eerdere pogingen om betrokkene in een ambulante of dagklinische behandeling te betrekken zijn niet gelukt doordat betrokkene niet voor afspraken verscheen, afhaakte, of tijdens de behandeling verdovende middelen bleef gebruiken.

Het risico op recidive van soortgelijk gedrag (als het nu ten laste gelegde) is matig tot hoog in directe relatie tot zijn stoornis c.q. gebrek en in de context van met name huiselijk geweld. Betrokkene is van plan terug te keren bij zijn ex-echtgenote; in die context is naar de mening van ondergetekende het recidiverisico specifiek verhoogd. (…) Overigens zijn de psychosociale condities waaronder betrokkene ambulant zou verkeren (zijn huisvesting, zijn financiële toestand, zijn sociale netwerk) dermate onduidelijk of instabiel dat hiervan een negatieve invloed uit zal gaan op het recidiverisico.

Binnen een klinische context is er meer toezicht en controle op zijn gedrag en met name zijn neiging tot het gebruik of misbruik van middelen, onder meer middels urinecontroles.

Een klinisch verblijf biedt ook meer mogelijkheden om betrokkenes sociale vaardigheden te trainen, evenals zijn agressie-hanteringsvaardigheden.

Verder is het binnen een klinische setting beter dan ambulant mogelijk om de ex-vrouw van betrokkene (die kennelijk al heeft aangegeven dat haar ex-man weer welkom is thuis) bij de behandeling te betrekken op een manier die - voor haar - veiliger is en - voor de hulpverleners - inzichtelijker is, dan ambulant is te realiseren.

Het advies van ondergetekende, na weging van de verschillende factoren, is dan ook om de eerder geadviseerde verplichte behandeling in een klinische setting te doen plaatsvinden.”

De rapportage van drs. Bokšan d.d. 14 mei 2011 houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in (pag. 23-25):

“Betrokkene lijdt aan een stoornis, te weten afhankelijkheid van alcohol en afhankelijkheid van cocaïne, beide momenteel kortdurend in remissie door betrokkene zijn verblijf in detentie. Er is zowel sprake van een ziekelijke stoornis als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In diagnostische zin is er een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline kenmerken. (…) Zowel ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde in 2009 als ook in 2010 was er zowel sprake van persoonlijkheidsstoornis als ook van de verslaving van alcohol en cocaïne. (…) Ten aanzien van het ten laste gelegde in 2009 en in 2010, indien bewezen, heeft betrokkene vanuit zijn complexe ziektebeeld agressief- impulsief gedrag getoond, dat het gevolg is van zijn agressiedisregulatie en impulsiviteit in het kader van een gemengde persoonlijkheidsstoornis. (…) Betrokkene verkeerde in beide hem ten laste gelegde situaties bovendien onder invloed van alcohol en cocaïne, waardoor zijn zelfcontrole negatief beïnvloed werd. (…) Rapporteur acht betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar. (…) Het opnieuw optreden van het gedrag zoals dat gepleegd is ten tijde van het ten laste gelegde bij gelijkblijvende psychopathologie en omstandigheden is reëel mogelijk. (…) Om de kans op verbaal dan wel fysiek geweldsrecidief te verminderen is een klinische behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek aan te bevelen. Hierbij valt te denken aan de behandeling van patiënten met een dubbele diagnose, waarbij aandacht aan zowel afhankelijkheid van verschillende middelen als ook aan behandeling van de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene gegeven kan worden. Gezien de zeer gebrekkige therapietrouw in verleden, het gebrekkige ziektebesef en afwezige ziekte-inzicht van betrokkene acht ik deze behandeling op vrijwillige basis niet haalbaar. Ook gezien de grote kans op een recidief gedrag onder gelijkblijvende omstandigheden zoals voor het hem ten laste gelegde het geval was, acht ik een gedwongen juridisch kader noodzakelijk om betrokkene klinisch te laten behandelen. Daarbij zou ik de rechtbank in overweging willen geven om de gedwongen behandeling, welke ik noodzakelijk vind, in een TBS kader, al dan niet met dwangverpleging, te doen plaatsvinden. Dit enerzijds vanwege het mijns inziens hoge recidiverisico indien betrokkenes stoornissen (zijn persoonlijkheidsstoornis en zijn verslaving) niet behandeld worden, en anderzijds omdat betrokkene geen ziekte-inzicht heeft en vanuit dat gebrek aan inzicht en vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis niet gemotiveerd is voor een behandeling. Dit laatste gelet op betrokkene zijn afwezigheid dan wel ambivalentie ten aanzien van elke vorm van behandeling, en zijn toekomstplannen.”

Ter terechtzitting van 5 maart 2012 heeft het hof de deskundigen drs. Lemmens en drs. Bokšan gehoord.

Bij die gelegenheid heeft drs. Lemmens onder meer verklaard dat hij het recidiverisico hoog inschat; dat - om recidive zo goed als mogelijk tegen te gaan - het hoogste beveiligingsniveau noodzakelijk is en dat het recidiverisico moeilijker verkleind kan worden met terbeschikkingstelling met voorwaarden of met een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke strafoplegging. Drs. Lemmens heeft voorts uiteengezet op welke gronden hij in zijn aanvullende rapportage - in afwijking van zijn oorspronkelijke rapportage - heeft geadviseerd tot een behandeling in een klinische setting. Het hof acht deze uiteenzetting inzichtelijk en overtuigend.

Drs. Bokšan heeft onder meer verklaard dat hij de kans van slagen van een behandeling buiten het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet groot acht. Hij heeft alternatieven voor terbeschikkingstelling met dwangverpleging - zoals een ambulante al dan niet poliklinische behandeling, dan wel een intramurale behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden - overwogen, maar acht die niet afdoende. Het recidiverisico rechtvaardigt naar zijn oordeel oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het heeft voorts de inhoud van de rapportages van de reclassering d.d. 28 januari 2011,

14 maart 2011 en 11 april 2011 in aanmerking genomen, alsmede de ernst van de begane feiten.

Op grond van de deskundigenoordelen van drs. Lemmens en drs. Bokšan stelt het hof vast dat er bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond en dat zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde door die ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling werden beïnvloed, in die zin dat het ten laste gelegde hem in licht verminderde mate kan worden toegerekend. Evenals de gedragsdeskundigen acht het hof het recidiverisico op soortgelijke feiten groot.

De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Mede gelet op rapportages en verklaringen van drs. Lemmens en drs. Bokšan, wier conclusies en adviezen het hof aan zijn beslissing ten grondslag legt, is het hof van oordeel dat de door de raadsvrouw bepleite deels voorwaardelijke strafoplegging met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, gelet op het gebrekkige dan wel afwezige ziekte-inzicht en ziektebesef bij de verdachte, een onvoldoende juridisch kader vormt uit het oogpunt van bescherming van verdachtes ex-echtgenote en hun kinderen.

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, eist voorts dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof zal derhalve aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.

De door de verdachte begane feiten ter zake waarvan de maatregel wordt opgelegd, zijn misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Beslag

Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.

De in beslag genomen bijl en moker dienen te worden teruggeven aan [A], zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het in beslag genomen boek dient te worden teruggeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan [A] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven moker en bijl.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven boek "Alles over handvuurwapens".

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. J.W.A. Nieuwenhuijsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 19 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.