Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9298

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
20-003293-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1106, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt de verdachte terzake van twee bedrijfsinbraken in vereniging en bedreiging met zware mishandeling van twee politieagenten door -na betrapping op heterdaad- met een auto op hun dienstvoertuig in te rijden tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Vrijspraak van poging tot zware mishandeling op deze agenten omdat hof geen aanmerkelijke kans aanwezig acht dat zij als gevolg van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-003293-11

Uitspraak : 20 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-845138-11 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen de vrijspraken van de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder 2. -voor zover betrekking hebbend op de aangevers [aangever 1] en [aangever 2]-, 3., 4. en 5. is ten laste gelegd.

Vanwege voormelde vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde met betrekking tot [aangever 2], valt de door hem ingediende vordering benadeelde partij, terzake waarvan hij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd, eveneens buiten de omvang van het hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte zal vrijspreken van het onder 7. primair ten laste gelegde;

- de verdachte ter zake van de onder 1., 2. als eerste ten laste gelegde feit, 6. en 7. subsidiair ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 400,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 8 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 535,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 9 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 300,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 6 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 300,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot datzelfde bedrag, subsidiair 6 dagen hechtenis.

De verdediging heeft:

- zich wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof;

- vrijspraak bepleit van de overige ten laste gelegde feiten;

- bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

- zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] moeten worden afgewezen en dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] kan worden toegewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is -met inachtneming van de beperking van het hoger beroep- ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 april 2011 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit twee, althans een of meer bedrijfspand(en) weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] [adres] en/of [benadeelde partij 3] [adres], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat/die bedrijfspand(en) te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen:

- het slot van het toegangshek (van [benadeelde partij 3]) heeft afgebroken en/of;

- het toegangshek (van [benadeelde partij 3]) heeft ontzet/verbogen en/of;

- het hekwerk om het bedrijfsterrein (van [aangever 5]) heeft opengeknipt en/of;

- (met een auto) het hekwerk (van [aangever 5]) omver heeft gereden en/of;

- het cilinderslot van de deur van het magazijn (van [aangever 5]) heeft afgebroken;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 10 april 2011 te Oss tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon/personen genaamd [aangever 3] en/of [aangever 4], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (telkens) met een auto, met hoge, althans aanzienlijke snelheid op het (dienst)voertuig, waarin voornoemde [aangever 3] en/of [aangever 4] zich bevonden, is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 10 april 2011 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangever 3] en/of [aangever 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (telkens) met een auto met hoge, althans aanzienlijke snelheid ingereden op het (dienst)voertuig waarin die [aangever 3] en/of die [aangever 4] aanwezig waren;

6.

hij op of omstreeks 10 april 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen een televisie (Samsung) en/of drie, althans een of meer laptop(s) (Acer en/of Panasonic en/of Lenovo) met de bijbehorende tassen, kabels en voedingen en/of een camera (Radiant Imaging) met statief en/of een lens (Sigma) en/of een camera (Nikon) met lens (Sigma) en tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming te weten door:

- de sloten van de deur van het bedrijfspand uit te boren en/of;

- het alarmsysteem, althans de zoemer in dat pand kapot te slaan;

7. primair

hij in of omstreeks de periode van 8 april 2011 tot en met 10 april 2011 te Sliedrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen twee, althans een computer(s) (Apple Imac en/of Samsung Notebook), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en / of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door:

- een cilinder uit het slot van de hoofdingang te verwijderen en/of;

- een alarmbel/sirene in het bedrijfspand kapot te slaan en/of;

- (toegangs)deuren en/of ladenkasten in dat bedrijfspand open te breken;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 8 april 2011 tot en met 10 april 2011 te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans een computer(s) (Apple Imac en/of Samsung Notebook) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die computer(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 7. primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. In het bijzonder acht het hof op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende duidelijk of de ten laste gelegde goederen weggenomen zijn bij de onder 7. primair ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal nu de aangever niet heeft verklaard dat de door de politie aangetroffen goederen de goederen zijn die bij de in de aangifte bedoelde inbraak zijn weggenomen met gevolg dat – gelet op het onder 7. subsidiair ten laste gelegde - ook onvoldoende duidelijk is of de betreffende goederen door misdrijf zijn verkregen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1., 2. en 6. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 10 april 2011 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [aangever 5] [adres] en zich daarbij de toegang tot dat bedrijfspand te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader:

- het slot van het toegangshek van [benadeelde partij 3] heeft afgebroken en

- het toegangshek (van [benadeelde partij 3]) heeft verbogen en

- het hekwerk om het bedrijfsterrein (van [aangever 5]) heeft opengeknipt en

- het cilinderslot van de deur van het magazijn (van [aangever 5]) heeft afgebroken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 10 april 2011 te Oss [aangever 3] en [aangever 4] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een auto met aanzienlijke snelheid ingereden op het dienstvoertuig waarin die [aangever 3] en die [aangever 4] aanwezig waren;

6.

hij op 10 april 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand heeft weggenomen een televisie (Samsung) en twee laptops (Acer en Lenovo) met de bijbehorende tassen en een camera (Nikon) met tas, toebehorende aan [benadeelde partij 4], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, te weten door:

- de sloten van de deur van het bedrijfspand uit te boren en

- de zoemer in dat pand kapot te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

(t.a.v. het onder 1. ten laste gelegde)

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde weliswaar gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar de verdachte heeft volhard bij zijn in eerste aanleg afgelegde verklaring dat hij de onderhavige poging tot inbraak niet met één ander, maar met twee anderen heeft gepleegd. Deze verklaring kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat de verdachte het door de eerste rechter bewezen verklaarde bestanddeel “tezamen en in vereniging met een ander” betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch anderszins is het bestaan van een derde dader aannemelijk geworden. Blijkens de verklaringen van de (oog)getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben zij niet meer dan twee daders ter plaatse gezien en -zoals uit de bewijsmiddelen die ten aanzien van het onder 2. bewezen verklaarde zijn gebezigd blijkt- hebben de bij dat feit betrokken verbalisanten geen van allen een derde dader ter plaatse gesignaleerd. De inhoud van het procesdossier bevat ook overigens geen enkele aanwijzing voor de aanwezigheid van een derde dader. De verklaring van verdachte dat hij en zijn mededader de derde dader hebben achtergelaten op het bedrijfsterrein komt het hof evenmin plausibel voor, aangezien een dergelijk handelen onder de gegeven omstandigheden niet zonder meer voor de hand ligt en door de politie geen derde persoon is aangetroffen.

Op grond van het vorenstaande, bezien in samenhang met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof -evenals de eerste rechter- bewezen dat de verdachte het onderhavige feit tezamen en in vereniging met één ander heeft gepleegd.

II.

(t.a.v. het onder 2. als eerste en tweede ten laste gelegde)

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van poging tot zware mishandeling en/of bedreiging van de in de tenlastelegging genoemde verbalisanten [aangever 3] en/of [aangever 4] door de verdachte, omdat:

1. er bij de verdachte geen sprake was van voorwaardelijk opzet op bedreiging dan wel op zware mishandeling;

2. het slechts aan het achteruit rijden van het dienstvoertuig is te wijten dat de verdachte niet voldoende ruimte had met gevolg dat de bumper daarvan werd geraakt.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is bij de beoordeling van het verweer uitgegaan van de inhoud van de door verbalisanten [aangever 1], [aangever 2], [aangever 3] en [aangever 4] opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, alsmede van hun in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen, die het hof gelet op de consistentie daarvan en de omstandigheden dat zij elkaar op detailpunten ondersteunen, betrouwbaar acht. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan aan het waarheidsgehalte van die verklaringen zou moeten worden getwijfeld.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt de volgende gang van zaken naar voren.

Na een melding van een inbraak kregen de verbalisanten [aangever 3], [aangever 4], [aangever 1] en [aangever 2] op 10 april 2011, omstreeks 14.36 uur, de opdracht om naar de [adres] te Oss te gaan. De melding hield in dat twee personen het toegangshek van de Mercedes-dealer ([aangever 5]) met een koevoet forceerden. De daders zouden nog achter op het bedrijfsterrein aanwezig zijn.

De verbalisanten ging vervolgens in twee afzonderlijke diensvoertuigen ter plaatse. Het dienstvoertuig waarin [aangever 3] en [aangever 4] waren gezeten, arriveerde bij de [adres] te Oss en de verbalisanten zagen dat een toegangshek van de Mercedes-dealer ([aangever 5]) openstond. [aangever 4] trad op als bestuurster. Het dienstvoertuig waarin [aangever 2] en [aangever 1] waren gezeten, reed de toegangsweg van het bedrijfsterrein op. Teneinde een eventuele vluchtroute te blokkeren, besloten [aangever 3] en [aangever 4] hun dienstvoertuig ter hoogte van het toegangshek dwars op de toegangsweg te zetten. De breedte van het toegangshek bedroeg volgens het rapport van de Forensische Technische Ondersteuning van de politie 5,5 meter.

Het dienstvoertuig van [aangever 2] en [aangever 1] reed in de richting van de parkeerplaats achter het terrein van [aangever 5]. Vrijwel direct kwam een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, kleur zwart, om de hoek gereden, die -naar later bleek- werd bestuurd door de verdachte en waarin nog één ander persoon als passagier aanwezig was. De Volkswagen Golf maakte een omtrekkende beweging om het dienstvoertuig van [aangever 2] en [aangever 1], waarbij de Volkswagen Golf tegen het dienstvoertuig schampte en tegen en vervolgens over het aan de -vanaf de voorzijde van het bedrijfsterrein bezien- linkerzijde van het aan de toegangsweg gelegen hekwerk reed. De Volkswagen Golf kwam weer op de toegangsweg terecht en reed zonder af te remmen met telkens hoger wordende snelheid (accelererend) in de richting van de opening gelegen tussen het dienstvoertuig van [aangever 3] en [aangever 4] en de zijkant van het hekwerk/toegangshek. De afstand tussen de plaats waar de Volkswagen Golf na de aanrijding van het hekwerk zijn weg vervolgde tot aan het dienstvoertuig van [aangever 3] en [aangever 4] bedroeg volgens verbalisant [aangever 3] naar schatting 20 à 30 meter.

Het dienstvoertuig van [aangever 3] en [aangever 4] stond onder een schuine hoek met de neus in de richting van -vanaf de voorzijde van het bedrijfsterrein bezien- de linkerzijde van het hekwerk van de toegangsweg naar het bedrijf van [aangever 5]. De voorzijde van het dienstvoertuig stond daarbij vrijwel tegen de linkerzijde van dit hekwerk. De afstand tussen de achterzijde van het dienstvoertuig tot aan de (vanaf de voorzijde van het bedrijfsterrein bezien) rechterzijde van het hek bedroeg volgens verbalisant [aangever 3] naar schatting één tot anderhalve meter.

Terwijl de Volkswagen Golf op vorenomschreven wijze in de richting van deze opening reed, reed verbalisante [aangever 4] op aanwijzing van [aangever 3] het dienstvoertuig achteruit teneinde de tussenruimte verder te verkleinen en aldus de Volkswagen Golf de doorgang te versperren ter aanhouding van de verdachte. Kort daarop reed de Volkswagen Golf met kracht tegen de achterzijde van het dienstvoertuig van [aangever 3] en [aangever 4] aan, waardoor aan het voertuig schade werd toegebracht aan de rechter achterzijde (het hof begrijpt: aan de bijrijderszijde), ter hoogte van de achterverlichting en achterbumper. De Volkswagen Golf wist vervolgens via de opening tussen de rechter zijkant van het toegangshek en de achterkant van het dienstvoertuig te ontkomen.

Uit het vorenstaande blijkt onvoldoende dat het opzet van verdachte, die zich aan de aanhouding door de politie trachtte te onttrekken en te dien einde zijn auto in de richting van de opening tussen het dienstvoertuig van [aangever 3] en [aangever 4] en de zijkant van het toegangshek stuurde, onvoorwaardelijk gericht was op de zware mishandeling van genoemde verbalisanten.

Gelet op de omstandigheden waaronder de botsing heeft plaatsgevonden, in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte niet recht op het dienstvoertuig van [aangever 3] en [aangever 4] afreed maar in de richting van voormelde opening, de plaats waar de door verdachte bestuurde Volkswagen Golf het dienstvoertuig heeft geraakt, de relatief geringe ernst van de aan het dienstvoertuig toegebrachte schade zoals daarvan blijkt uit de zich in het procesdossier bevindende foto’s, en de feitelijke situatie zoals door het hof ter terechtzitting waargenomen op de foto’s 24 en 26 opgenomen op de pagina’s 64 en 65 van het proces-verbaal van politie, kan het hof niet vaststellen dat er te dezen een aanmerkelijke kans bestond dat genoemde verbalisanten als gevolg van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen. Aldus kan evenmin worden bewezen dat in het onderhavige geval bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de zware mishandeling van genoemde verbalisanten. Bijgevolg zal de verdachte van het onder 2. als eerste ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2. als tweede ten laste gelegde feit overweegt het hof als volgt.

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte probeerde met zijn auto te ontsnappen door de aanwezige opening tussen de politieauto en het hekwerk, welke opening ongeveer één tot anderhalve meter breed was en aldus redelijkerwijs te klein was om met een personenauto als de onderhavige doorheen te rijden zonder de politieauto te raken. Dat de opening in die zin te klein was moet voor de verdachte, evenals voor ieder ander weldenkend mens, redelijkerwijs kenbaar zijn geweest. De verdachte heeft desondanks, accelererend en met een gezien de omstandigheden aanzienlijke snelheid, zijn auto in de richting van voormelde opening gestuurd. Kennelijk was het hem om het even of hij de politieauto daarbij zou raken.

Door onder die omstandigheden toch zijn auto door die te kleine opening te manoeuvreren, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inzittenden van de politieauto, voor wie duidelijk was dat een botsing onvermijdelijk was, zouden vrezen dat zij door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen bekomen.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is voorts vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen.

Vorenomschreven handelen van verdachte -dat vanwege de omstandigheid dat een botsing onvermijdelijk was kan worden bestempeld als het inrijden op een politieauto- is in het algemeen geëigend om een dergelijke vrees bij de bedreigde op te wekken. Voorts zijn de omstandigheden waaronder het inrijden plaatsvond, zoals hiervoor uiteen gezet, naar het oordeel van het hof, dusdanig dat bij de inzittenden van de politieauto die vrees ook redelijkerwijs kon ontstaan. De omstandigheid dat verbalisante [aangever 4] ter aanhouding van de verdachte het dienstvoertuig nog achteruit heeft gereden teneinde de opening tussen het voertuig en de zijkant van het hek te verkleinen, kan aan het vorenstaande niet afdoen.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

III.

(t.a.v. het onder 6. ten laste gelegde)

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 6. ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat niet aannemelijk is dat de verdachte ten tijde van de inbraak, die omstreeks 8.00 en 8.30 uur plaatsvond, op de plaats delict aanwezig was, omdat hij op de betreffende ochtend eerst omstreeks 11.00 uur is opgehaald door twee personen in een Volkswagen Golf.

Het hof overweegt als volgt.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd en waarbij hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft gepersisteerd, houdt -zakelijk weergegeven- in dat hij op 10 april 2011, omstreeks 11.00 uur à 11.15 uur, in Amsterdam is opgehaald door een kennis en een derde persoon, die in een Volkswagen Golf reden. Hij is vervolgens achterin de auto gaan zitten en zij zijn met drie man naar Oss gereden om aldaar in te breken. Op dat moment lagen er nog geen goederen achter de bestuurderstoel of de bijrijderstoel van de Volkswagen, Zijn mededaders hebben op het bedrijfsterrein van [aangever 5] in Oss voorafgaand aan de onder 1. bewezen verklaarde poging tot inbraak goederen vanuit de achterbak achter in de auto gelegd om ruimte te maken in de kofferbak. De verdachte heeft niet gezien welke goederen dit waren omdat hij op dat moment op de uitkijk stond. Nadat zijn kennis had geroepen dat zij weg moesten gaan, is verdachte op de bestuurderstoel van de Volkswagen gaan zitten en zijn kennis op de bijrijderstoel, waarna verdachte is weggereden. De autosleutel zat toen nog in het slot en de motor van de Volkswagen draaide nog. De derde dader is volgens verdachte achtergebleven op het bedrijfsterrein van [aangever 5].

Met de rechtbank acht het hof deze verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Zoals uit bewijsoverwegingen van het hof met betrekking tot het onder 1. bewezen verklaarde blijkt, gaat het hof ervan uit dat bij dat feit naast verdachte slechts één andere dader aanwezig was. Aldus is de verklaring van verdachte ten aanzien van hetgeen hij voor het overige heeft verklaard evenmin geloofwaardig.

Resteert de vaststelling op grond van de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte samen met een ander enkele uren nadat de onder 6. ten laste gelegde inbraak is gepleegd -bij welke inbraak eveneens een zwarte Volkswagen Golf is gezien- is aangetroffen in aanwezigheid van een groot aantal van de daarbij gestolen goederen, waarvoor hij noch zijn mededader een aannemelijke verklaring heeft afgelegd.

Op grond daarvan merkt het hof de verdachte aan als mededader van de onder 6. ten laste gelegde gekwalificeerde diefstal.

IV.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

V.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 6. bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door bedrijfsinbraken zoals onder 1. en 6. bewezen verklaard schade teweeg wordt gebracht aan eigenaren van de weg te nemen dan wel weggenomen goederen en/of betrokken verzekeraars, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten wordt veroorzaakt aan de gedupeerden;

- de omstandigheid dat het hier gaat om bedrijfsinbraken uitgevoerd door professionele daders in vereniging, die uitsluitend hebben gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin;

- de omstandigheid dat het onder 2. bewezen verklaarde is gericht tegen politieambtenaren, gedurende de uitoefening van hun politietaak, waardoor het ambtelijk gezag is geschonden;

- het gevaarzettende en agressieve karakter van het onder 2. bewezen verklaarde en de mate waarin het bewezen verklaarde feit heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de betreffende politieambtenaren.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 februari 2012, waaruit blijkt dat hij veelvuldig is veroordeeld terzake van bedrijfs- en woninginbraken, maar ook terzake van (onder meer) geweldsdelicten;

- het de verdachte betreffend voorlichtingsrapport van Novadic-Kentron, d.d. 7 juli 2011, opgemaakt door [naam reclasseringswerker], reclasseringswerker, waarin onder meer staat vermeld dat de verdachte kan worden aangemerkt als een zogenaamde “beroepsdader” en dat hij de onderhavige delicten heeft gepleegd om op een snelle manier aan geld te komen;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot persoon van verdachte is overwogen, in het bijzonder voormelde recidive, en op het feit dat hij kennelijk ondanks een veelvoud aan veroordelingen door de strafrechter zich niet laat weerhouden om (als beroepsdader) inbraken als de onderhavige te blijven plegen, waarbij verdachte gevaarzettend en agressief gedrag niet schuwt teneinde zich aan zijn aanhouding te onttrekken, acht het hof een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van EUR 300,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 300,00.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van EUR 300,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van EUR 300,00.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 535,50, bestaande uit een bedrag van EUR 450,00 terzake van schade aan een hekwerk en een bedrag van EUR 85,50 aan BTW.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 450,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan BTW overweegt het hof dat de vordering zoverre moet worden afgewezen, aangezien de benadeelde partij, zijnde immers een BV, deze BTW kan verrekenen, zodat de vordering in zoverre voor de benadeelde partij geen schade oplevert.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van EUR 450,00.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade. Deze bedraagt EUR 36.439,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ten aanzien van de gevorderde schade in verband de vermissing van een calibratie-camera (het hof begrijpt: de Radiant Imaging camera) tot een bedrag van EUR 35.639,00, overweegt het hof dat -zoals uit de bewezenverklaring onder 6. blijkt- de verdachte zal worden vrijgesproken van de diefstal van deze camera. Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, in verband met artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering, kan de benadeelde partij niet in dit deel van de vordering worden ontvangen omdat voor wat betreft het onder 6. ten laste gelegde feit in zoverre aan de verdachte noch een straf of maatregel wordt opgelegd noch een schuldig verklaring zonder toepassing van straf wordt uitgesproken.

Naast laatstgenoemd bedrag heeft de benadeelde partij terzake van braakschade een bedrag van EUR 800,00 gevorderd, welk bedrag niet door enig schriftelijk stuk is onderbouwd. Het hof schat deze schade naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van EUR 400,00

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 4] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot laatstgenoemd bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Voor het overige zou de behandeling van de vordering met betrekking tot de gevorderde braakschade een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in het meerdere van dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering in zoverre, te weten: tot een bedrag van EUR 400,00, slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2. als eerste ten laste gelegde feit, 7. primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1., 2. als tweede ten laste gelegde feit en 6. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 2., en 6. bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van EUR 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] terzake van het onder 2. bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van EUR 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] terzake van het onder 2. bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] terzake van het onder 1. bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro) aan materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], een bedrag te betalen van EUR 400,00 (vierhonderd euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] terzake van het onder 6. bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 400,00 (vierhonderd euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat zij haar vordering tot een bedrag van EUR 400,00 slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke opgelegde vrijheidsstraf.

Aldus gewezen door

mr. M. Rutgers, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. C.M. Hilverda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 20 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.