Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9135

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
11-00564
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende geniet een bijstandsuitkeringen maakt niet aannemelijk dat hij € 3000 geleend heeft van zijn schoonvader, die inmiddels is overleden. Het Hof volgt de inspecteur in diens opvatting dat bedoeld bedrag verzwegen inkomen vormt. Gelet op de overige inkomsten concludeert het Hof dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en daarmee acht het Hof artikel 27e AWR van toepassing. De correcties van de inspecteur betreffende de uitgaven voor een bezoek aan Disneyland, de aanschaf van Volkswagen Golf en de kosten van een architect worden gehandhaafd. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/756
V-N 2012/23.25.17
FutD 2012-0774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00564

Uitspraak op het hoger beroep van

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 juni 2011, nummer AWB 10/5399 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost Brabant/kantoor 's-Hertogenbosch

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.804, alsmede een aanslag ingevolge de Zorgverzekeringswet naar een bijdrage-inkomen van € 14.050. De Inspecteur heeft de aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken d.d. 25 november 2010 verminderd tot een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.904 en een aanslag ingevolge de Zorgverzekeringswet berekend naar een bijdrage-inkomen van € 6.150.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112,00.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 9 januari 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een verklaring van de heer A d.d. 6 januari 2012 voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bijlage genummerd 1 van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. De resterende bijlagen zijn niet overgelegd.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 8.754. Dit bedrag betrof blijkens de aangifte een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand. Ook de echtgenote van belanghebbende genoot in 2007 een zodanige bijstandsuitkering.

2.2. De Inspecteur is bij het opleggen van de onderhavige aanslag afgeweken van belanghebbendes aangifte, omdat belanghebbende uitgaven heeft gedaan die hij volgens de Inspecteur niet uit zijn uitkering of zijn vermogen heeft kunnen doen. Bij uitspraken op bezwaar is het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd naar € 14.904 en de aanslag ingevolge de Zorgverzekeringswet dienovereenkomstig verminderd. De Inspecteur baseert de door hem toegepaste verhoging van de respectieve inkomens op informatie verkregen van het Openbaar Ministerie te Arnhem. De door de Inspecteur bedoelde uitgaven bedragen in totaal € 6.150 en kunnen als volgt worden gespecificeerd:

- De aankoop van een auto van het merk Mercedes Benz met kenteken 00-00-00. Deze auto heeft belanghebbende op 8 maart 2007 gekocht voor € 3.000.

- De aankoop van een auto van het merk Volkswagen met kenteken 00-00-00 op 3 december 2007 voor een bedrag van € 2.500.

- Een reis naar Euro Disney, waarmee een bedrag gemoeid is van € 500.

- Betaling van een bedrag van € 150 aan een architect.

2.3. In zijn hoger beroepschrift stelt belanghebbende dat de auto's zijn gefinancierd uit leningen waaronder een lening bij de heer A. Belanghebbende voegt een kopie van de schuldbekentenis bij zijn beroepschrift ingediend bij de rechtbank. De schuldbekentenis is ondertekend door belanghebbende en de heer A en luidt als volgt:

"Schuldbekentenis

B/Y, 9 juli 2007

X, A-straat 1, 0000 AA Y, handelende voor zichzelf in privé, verklaart in leen te hebben ontvangen van A, B-straat 1, te 00000 (BRD) een bedrag van € 25.000,-- (vijfentwintigduizend Euro).

Per maand zal € 200 (tweehonderd) worden afgelost. Volledige aflossing is te allen tijde boetevrij toegestaan.

De rente bedraagt 4% per jaar, effectief over het (pro resto) uitstaande bedrag en wordt in de maandelijkse termijn begrepen."

2.4. Op 23 juli 2007 heeft belanghebbende zich bij de belastingdienst aangemeld als ondernemer met ingang van 15 mei 2007. De activiteiten van de onderneming bestaan uit de handel in ijzer-/staalschroot en gebruikte auto's. Op 00-00-2010 heeft belanghebbende zich tevens laten inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Als hoofdactiviteit staat in het handelsregister vermeld: "Groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen".

2.5. Met dagtekening 25 maart 2011 verklaart de heer A voornoemd in een brief aan de heer C, toenmalige gemachtigde van belanghebbende, met kopie aan belanghebbende het volgende:

"Betreft: lening X te Y van 9 juli 2007

Geachte heer C,

Op uw verzoek bevestig ik u, dat op voormelde lening, van bij aanvang € 25.000, inmiddels (t/m februari 2011) € 9.225 werd betaald, resp. afgelost.

Het pro resto saldo is moeilijk exact te bepalen, aangezien de het saldo aan rente zal worden berekend over het gemiddeld uitgestaan hebbende saldo (bij correcte betaling € 12.500) en achteraf in, resp. na, de laatste termijn, afsluitend in rekening zal worden gebracht.

Eerstvolgende termijn is die van 9 april a.s.

Zoals de overeenkomst luce claris aangeeft, werd de lening op 9 juli 2007 afgesloten en bij ondertekening op mijn kantoor te D, op genoemde datum in contanten uitgekeerd (voor zover van interesse, grotendeels in coupures van € 50).(.....)"

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Zijn de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de aanslag ingevolge de Zorgverzekeringswet naar het juiste bedrag vastgesteld.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen hieraan het volgende - zakelijk weergegeven - toegevoegd.

Belanghebbende

Ik heb de heer A uitgenodigd als getuige te komen verklaren. Hij bleek kort vóór de zitting verhinderd te zijn naar de zitting te komen. Ik verzoek om de zaak aan te houden teneinde de heer A als getuige te horen. Ik heb een recente schriftelijke verklaring van de heer A alsmede een aantal bijlagen en overleg hierbij deze verklaring alsmede de bijlagen. Ik zal de verklaring voorlezen. Ik verzoek u de verklaring en de bijlagen tot de stukken te rekenen.

De Inspecteur

Ik had niet begrepen dat de heer A als getuige zou meekomen; ik dacht dat hij aanwezig zou zijn tot bijstand van belanghebbende. Ik heb de door belanghebbende thans ingebrachte verklaring een minuut vóór de zitting op de gang van belanghebbende ontvangen. Ik heb de bijlagen bij de verklaring niet kunnen beoordelen, aangezien zij in het Duits zijn opgesteld en verzet mij er tegen de bijlagen, met uitzondering van de bijlage genummerd 1, tot de stukken te rekenen. Ik trek niet langer in twijfel dat de heer A voldoende solvabel is om de lening te kunnen verstrekken. Ik geloof evenwel niet dat in werkelijkheid een lening is verstrekt aan belanghebbende; ik bestrijd dat een lening van

€ 25.000 door de heer A is verstrekt aan belanghebbende.

Belanghebbende

Belanghebbende heeft van zijn schoonvader op 8 maart 2007 een lening ontvangen van € 3.000 voor de aanschaf van de Mercedes. Het bedrag is in contanten verstrekt. De schoonvader is inmiddels overleden. Van deze lening is geen schriftelijk stuk opgemaakt. Dit was een vertrouwenskwestie.

De Inspecteur

Ik betwist dat er een lening van € 3.000 is geweest ter financiering van de aankoop van de Mercedes. Er is ter zake geen enkel bewijs overgelegd. Belanghebbende, dan wel eerder zijn gemachtigde de heer C, leggen voortdurend tegenstrijdige verklaringen af. Belanghebbende heeft een bijstandsuitkering. Hoe kan hij daarvan € 200 per maand aflossen en ook nog eens rente betalen? Ik constateer bovendien dat de verklaring van de heer A betreffende de aflossing niet overeen komt met de in de leningsovereenkomst gemaakte afspraak omtrent de aflossing. De bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.

Belanghebbende

Het klopt dat de heer C niet juist heeft verklaard. De heer C gooide alles door elkaar. Ik heb hem niet meer als belastingadviseur. Ik heb vanaf mijn huwelijk al een bijstandsuitkering; in 2007 eveneens gedurende het gehele jaar. Van het vakantiegeld ben ik in 2007 met mijn gezin naar Disneyland gegaan. Ik ging iedere maand naar de heer A en betaalde hem contant € 200 ter aflossing van de lening. Ik heb geen zekerheden gesteld voor de lening van de heer A; dat was een vertrouwenskwestie. Het geld van de lening van de heer A was bedoeld om mijn bedrijf te starten. De opstart van het bedrijf is evenwel vertraagd wegens een ongeval dat mij is overkomen. Het geld was niet bedoeld voor de verbouwing van mijn woonwagen in 2008. Ik heb steeds overleg gehad met de uitkeringsinstantie over de start van mijn bedrijf. Eventuele winst van het bedrijf diende te worden gekort op de bijstandsuitkering. Desgevraagd door het Hof deel ik mee dat ik de heer A zal verzoeken te verklaren over de lening, de betaling in contanten en het ontbreken van zekerheden. Indien u wilt geloven dat de lening ten bedrage van € 25.000 bestaat, hoeft de heer A niet meer te getuigen.

De Inspecteur

Ik heb niets meer toe te voegen. Ik persisteer.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning - conform de aangifte - van € 8.754 en vernietiging van de aanslag ingevolge de Zorgverzekeringswet. De Inspecteur concludeert tot ongegrond verklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van hetgeen ter zitting is voorgevallen

4.1. Het Hof gaat voorbij aan belanghebbendes aanbod tot het leveren van bewijs door middel van een getuigenverhoor van de heer A. Het Hof zal veronderstellenderwijs aannemen dat de heer A belanghebbende een geldlening van € 25.000 heeft verstrekt, zodat, overeenkomstig hetgeen de (gemachtigde van) belanghebbende ter zitting heeft gesteld, de relevantie van dat aanbod vervalt.

4.2. Het Hof heeft ter zitting overlegging van de bijlagen bij de door belanghebbende voorgelezen verklaring van de heer A d.d. 6 januari 2012, met uitzondering van bijlage 1, niet toegestaan. Het Hof slaat er in dit verband acht op dat belanghebbendes verklaring voor het eerst ter zitting overleggen van die bijlagen niet meer behelst dan de stelling dat de bijlagen kort voor de zitting van de heer A zijn ontvangen. Aangezien gesteld noch gebleken is dat de betreffende stukken niet eerder in het geding hadden kunnen worden gebracht en gelet op het bezwaar van de Inspecteur tegen overlegging ter zitting, heeft het Hof die overlegging in strijd geacht met de beginselen van een goede procesorde.

Ten gronde

4.3. Belanghebbende heeft op 8 maart 2007 een auto van het merk Mercedes Benz gekocht voor € 3.000. Belanghebbende stelt de auto te hebben gefinancierd met een van zijn schoonvader verkregen lening ter hoogte van dat bedrag. Van een daartoe strekkende leningsovereenkomst noch van de verstrekking van de lening als zodanig heeft belanghebbende enig bewijs overgelegd.

4.4. De Inspecteur betwist dat belanghebbende het geld ter financiering van de Mercedes Benz heeft ontvangen uit een overeenkomst van lening. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat, gelet op de inkomsten uit de bijstandsuitkering van belanghebbende en zijn echtgenote, belanghebbende inkomsten moet hebben genoten uit een andere bron van inkomen. In casu stelt de Inspecteur dat belanghebbende niet in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering van dit jaar vermelde inkomsten moet hebben genoten uit de bron resultaat uit overige werkzaamheden. Aangezien belanghebbende behoudens de inkomsten uit de bijstandsuitkering geen andere inkomsten heeft aangegeven, verdedigt de Inspecteur het standpunt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat op grond van artikel 25, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.

4.5. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, verklaart de rechtbank ingevolge artikel 27e van de AWR het beroep ongegrond, tenzij gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Deze bepaling is, gezien artikel 27j van de AWR, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. De bewijslast ter zake van het niet doen van de vereiste aangifte rust op de Inspecteur. De Inspecteur heeft met hetgeen hij omtrent de aankoop en vermoedelijke financiering van de Mercedez Benz heeft gesteld het vermoeden gewekt dat die aankoop is gefinancierd uit niet aangegeven inkomsten. Het is aan belanghebbende, als meest gerede partij, om dit vermoeden te ontzenuwen. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daar niet in geslaagd. De enkele mededeling dat het geld afkomstig is van zijn schoonvader is daartoe onvoldoende. Deze stelling wordt immers niet door enig bewijs ondersteund. Het Hof acht derhalve aannemelijk dat de Mercedez Benz is gefinancierd uit door belanghebbende ten onrechte niet aangegeven inkomsten.

4.6. De tengevolge van een het niet-aangeven van € 3.000 aan inkomsten te heffen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijk bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet van ongeveer € 1.100, is, mede gelet op de door belanghebbende genoten inkomsten uit de bijstandsuitkering, absoluut en relatief bezien aanzienlijk. Het Hof acht het voorts aannemelijk dat belanghebbende wist dan wel zich er van bewust was dat door het niet aangeven van de inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet niet zou worden geheven. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de Rechtbank blijkt dat de heer C, belastingadviseur te E, in het jaar 2007 de administratie van belanghebbende heeft gedaan. Zo belanghebbende al niet voldoende kennis had van de gevolgen van het niet aangeven van inkomsten tot (tenminste) een bedrag van € 3.000, dan had zijn belastingadviseur deze kennis wel. De kennis van de belastingadviseur dient in dezen belanghebbende te worden toegerekend.

4.7. In het licht van hetgeen hiervóór in 4.5 en 4.6 is overwogen, concludeert het Hof, dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Hieruit volgt de verschuiving en verzwaring van de bewijslast naar belanghebbende bij verwering tegen de door de Inspecteur aangebrachte overige correcties, te weten de aankoop van de Volkswagen Golf, de reis naar Disneyland en de rekening van de architect. Het Hof acht de louter op die concrete uitgaven gebaseerde inkomenscorrecties van de Inspecteur zonder meer redelijk, aangezien niet op voorhand valt in te zien dat die uitgaven zonder meer uit de inkomsten van belanghebbende en/of zijn echtgenote zouden kunnen worden voldaan. Dit brengt mee dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat die correcties ten onrechte zijn aangebracht.

4.8. De genoemde correcties worden door belanghebbende bestreden met stelling dat deze zijn betaald uit de lening van € 25.000 van de heer A. Hoewel in de visie van de Inspecteur de heer A voldoende solvabel geacht kon worden om een lening tot een bedrag van € 25.000 te verstrekken, betwist de Inspecteur het bestaan van de beweerdelijk door belanghebbende van de heer A uit hoofde van een overeenkomst van geldlening ontvangen bedrag van € 25.000.

4.9. Het Hof concludeert dat, zo al van het bestaan van de bedoelde lening zou worden uitgegaan, belanghebbende daarmee nog niet heeft doen blijken dat de gelden uit de lening zijn aangewend voor de aankoop van de Volkswagen Golf. Belanghebbende heeft hiervoor geen enkel bewijs geleverd. De gelden uit de lening kunnen voor velerlei doeleinden zijn aangewend. De enkele verklaringen van belanghebbende en de heer A zijn daartoe onvoldoende. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot de reis naar Disneyland en de rekening van de architect. Ook ten aanzien van deze uitgaven heeft de belanghebbende niet doen blijken dat deze zijn betaald uit de lening van de heer A, aangezien zijn blote stellingname niet door enige vorm van bewijs wordt ondersteund.

Slotsom

4.8. Het gelijk ten aanzien van de in geschil zijnde vraag is aan de Inspecteur. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 3 februari 2012 door J.W.J. Huige, voorzitter, P.C. van der Vegt en J.C.K.W. Bartel, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.