Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9109

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
11-00408
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in Duitsland een auto gekocht, naar Nederland overgebracht en aangifte gedaan voor de BPM. Belanghebbende heeft op verzoek van de ontvanger het door hem berekende bedrag van € 21.394 (nog) niet betaald in verband met automatiseringstechnische redenen. De inspecteur heeft de auto als nieuw aangemerkt en de verschuldigde BPM berekend op € 24.037 en een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.643. Het Hof oordeelt dat uit artikel 6, lid 2, BPM niet meer volgt dan dat wordt afgeweken van de artikelen 10 en 19 van de AWR, maar niet van artikel 20 AWR. Als er sprake is van een hogere materiële belastingschuld ter zake van de registratie kan deze pas worden nageheven op het moment van registratie. De naheffingsaanslag is dus voortijdig opgelegd en dient te worden vernietigd. Hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/764
FutD 2012-0621
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00408

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 juni 2011, nummer AWB 10/2614, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Limburg van de rijksbelastingdienst, (hierna, evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Limburg van die dienst, die met ingang van 1 januari 2011 te dezen bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur),

betreffende na te noemen voldoening op aangifte van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) en naheffingsaanslag BPM.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft op 1 februari 2010 aangifte BPM gedaan naar een bedrag van € 21.394. Onder aanslagnummer 1 en met dagtekening 8 februari 2010 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de BPM (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd tot een bedrag van € 2.643. Belanghebbende heeft, in één geschrift verenigd, bezwaren ingediend tegen de voldoening op aangifte en de naheffingsaanslag. Deze bezwaren zijn, bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar, door de Inspecteur ongegrond verklaard. Bij deze uitspraken heeft de Inspecteur het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van de kosten welke zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 454. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 december 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, haar gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met één bijlage toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.6. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende heeft op 30 december 2009 in Duitsland een personenauto gekocht van het merk Audi, type A4 Avant, met identificatienummer 2 (hierna: de personenauto) voor een prijs van € 52.689. Op 26 november 2009 was voor de personenauto reeds een Duits kenteken afgegeven. Ten tijde van de aankoop door belanghebbende had de personenauto een kilometerstand van 100. De personenauto is geproduceerd tussen 00-00-2008 en 00-00-2009.

2.2. Belanghebbende heeft de personenauto vervolgens naar Nederland overgebracht en heeft met het oog op de registratie van de personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens op 1 februari 2010 aangifte gedaan voor de BPM. Ten tijde van de aangifte had de personenauto een kilometerstand van 182. Belanghebbende heeft de personenauto als gebruikt aangemerkt en de BPM berekend op basis van de afschrijvingstabel. Het aangegeven bedrag aan BPM bedraagt € 21.394.

2.3. Belanghebbende heeft de BPM niet betaald op het moment van het doen van aangifte, omdat de ontvanger van de rijksbelastingdienst (hierna: de Ontvanger) in verband met automatiseringstechnische redenen - het kunnen koppelen van een aangifte aan een betaling - belanghebbenden in gevallen als de onderhavige verzoekt te wachten met betaling totdat zij een zogenoemd betaalbericht hebben ontvangen.

2.4. De Inspecteur heeft de personenauto als nieuw aangemerkt en de totaal verschuldigde BPM berekend op € 24.037.

2.5. De staatssecretaris van Financiën heeft het aanvankelijk door hem tegen de uitspraak van dit Hof van 29 mei 2009, nr. 08/00219, LJN: BJ3817, ingestelde beroep in cassatie ingetrokken. Met betrekking tot deze intrekking heeft hij onder nr. DGB 2009-3910 een toelichting gegeven, welke toelichting (te kennen uit V-N 2009/56.20), voor zover te dezen van belang, luidt als volgt:

'Belanghebbende (B) heeft in 2006 een auto uit België ingevoerd en heeft met een beroep op de zogenoemde tegenbewijsregeling (CPP2006/788M) aangifte BPM gedaan, waarbij de belasting is berekend op € 15.371. Aangezien de inspecteur vraagtekens plaatste bij een aantal elementen van het bij de aangifte gevoegde taxatierapport liet hij een hertaxatie uitvoeren. De verschuldigde BPM bedraagt op grond van die hertaxatie € 23.727. De inspecteur heeft daarop B's aangifte gecorrigeerd door een streep te plaatsen door het bedrag van € 15.371 dat B had vermeld en heeft vervolgens een bedrag van € 23.727 opgenomen. Na betaling van dit bedrag heeft de inspecteur het kenteken op naam gesteld.

Hof

Op B rust de verplichting de door haar op aangifte aangegeven belasting te voldoen. Het wettelijk systeem laat de inspecteur geen ruimte om reeds voordat de belasting op aangifte is voldaan een correctie op de aangifte aan te brengen. De inspecteur was dus niet bevoegd om bij het achterwege laten van betaling van het op de aangifte verhoogde bedrag, een kenteken voor de auto te weigeren. Het bedrag van de correctie dat B bovenop het bedrag vermeld in de aangifte heeft voldaan zonder dat ter zake een naheffingsaanslag was opgelegd, is dan ook onverschuldigd betaald.

(...)

Ter toelichting merkt [Hof: de staatssecretaris van Financiën] het volgende op.

Vooropgesteld heeft naar mijn mening te gelden dat met de vermelding in de Wet BPM van het verschuldigde bedrag aan BPM niet anders bedoeld kan zijn dan het op grond van de Wet BPM materieel verschuldigde bedrag aan BPM. De in de uitspraak van het hof te lezen opvatting dat met 'verschuldigde BPM' in dit verband is bedoeld het op 'aangifte aangegeven bedrag aan BPM' wordt door mij dan ook niet onderschreven. (...) Niettegenstaande het vorenvermelde heb ik uiteindelijk toch op de navolgende gronden besloten te berusten in de uitspraak van Hof

's-Hertogenbosch van 29 mei 2009, nr. 08/00219.

Het hof oordeelt dat in casu voor de inspecteur de formele basis ontbreekt om een hoger bedrag aan BPM te heffen dan het op de aangifte vermelde bedrag. Aan de hand van de aan de feitenrechter voorbehouden waardering heeft het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk geconcludeerd dat in het onderhavige geval geen sprake is van een aanpassing door B van zijn eigen aangifte met vermelding van een hoger BPM-bedrag, noch dat de inspecteur een naheffingsaanslag voor het 'meerdere' bedrag heeft opgelegd.

Het hof concludeert daarmee met andere woorden dat sprake is van een door de inspecteur eigenhandig doorgevoerde correctie van B's aangifte. Een dergelijke werkwijze van de inspecteur wordt door mij niet correct geacht. Onder de voormelde omstandigheden dient de inspecteur derhalve het volgens hem meer verschuldigde bedrag aan BPM te formaliseren door het opleggen van een naheffingsaanslag. Op dat punt kan ik mij vinden in het oordeel van het hof.

Daarmee komt mitsdien mijnerzijds de grond aan het instellen van beroep in cassatie te ontvallen.

De binnen de dienst gehanteerde werkwijzen bij de behandeling en controles van de aangiften BPM zullen dienaangaande nog eens kritisch worden bezien en zo nodig worden aangepast. Tevens zal daarbij worden gekeken naar de te volgen handelwijze voor het al dan niet afgeven van het zogenoemde fiscale akkoord ingevolge art. 49, lid 1, sub b, van de Wegenverkeerswet in het kader van de kentekenafgifte door de RDW, waarvoor relevantie toekomt aan de omvang van het betaalde bedrag aan BPM en de daarbij in acht te nemen grenzen.'.

2.6. De Inspecteur heeft zijn werkwijze naar aanleiding van de onder 2.5 bedoelde toelichting van de staatssecretaris van Financiën aangepast. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag met dagtekening 8 februari 2010 opgemaakt en hij - en niet de Ontvanger - heeft deze aan belanghebbende per post gezonden. De zakelijke inhoud van het desbetreffende schrijven luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'Op 1 februari 2010 heeft u voor het motorrijtuig (...) [Hof: de personenauto] een aangifte BPM gedaan. Bij de controle van deze aangifte heb ik geconstateerd dat het door u aangegeven bedrag aan BPM lager is dan het bedrag van de verschuldigde BPM zoals dat door mij is vastgesteld.

Beslissing

Ik leg aan u daarom deze naheffingsaanslag op, aanslagnummer 3.

Opbouw naheffingsaanslag

Verschuldigd bedrag aan BPM € 24037,00 (Te betalen bedrag)

Aangegeven bedrag aan BPM € 21394,00

Na te heffen bedrag aan BPM € 2643,00

Betaling.

Voor het totaalbedrag van de verschuldigde BPM heeft u een betaalbericht BPM ontvangen. Het bedrag van deze naheffingsaanslag is daarin begrepen. U kunt het totaalbedrag van de verschuldigde BPM voldoen op rekeningnummer 64933 ten name van Belastingdienst/Douane, Postbus 808, 7301 BB Apeldoorn. Vermeld bij uw betaling het betalingskenmerk dat op het aan u uitgereikte betaalbericht staat.

Let op!

Het zgn. 'fiscaal akkoord' wordt pas doorgegeven aan de RDW als u zowel het bedrag van de aangifte als dat van de naheffingsaanslag heeft betaald.

(...)

Bezwaar.

Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met deze beschikking, kunt u binnen zes weken na de dagtekening ervan een bezwaarschrift sturen naar: Belastingdienst Limburg kantoor Roermond, Bezwaar, Postbus 4486, 6401 CZ Heerlen.

(...)

Hoogachtend,

namens de inspecteur

(...)

Belastingdienst / Limburg / Kantoor Roermond'.

2.7. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is door de Inspecteur aan belanghebbende het in het onder 2.6 ten dele weergegeven schrijven vermelde betaalbericht gestuurd. Ook in dit bericht is vermeld dat het 'fiscaal akkoord' (als bedoeld in artikel 49, lid 1, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994) pas wordt doorgegeven aan de RDW als zowel het bedrag van de aangifte als dat van de naheffingsaanslag is betaald. In het betaalbericht is geen uiterste betaaldatum vermeld evenmin als een rechtsmiddel.

2.8. Belanghebbende heeft het totale onder 2.6 vermelde bedrag van € 24.037 op 9 februari 2010 voldaan. Op 10 februari 2010 is het kenteken van de personenauto op naam van belanghebbende gesteld.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Kon op grond van artikel 20, lid 1, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) de naheffingsaanslag worden opgelegd op 8 februari 2010, derhalve voordat belanghebbende het door haar aangegeven bedrag van € 21.394 had betaald, dan wel voordat de personenauto was geregistreerd in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM)?

II. Indien vraag I bevestigend dient te worden beantwoord: Dient de, door de Inspecteur op de voet van artikel 5, lid 1, eerste volzin, van de AWR opgemaakte, naheffingsaanslag te worden vernietigd, omdat deze door de Inspecteur en niet, zoals voorgeschreven in artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990, is bekend gemaakt door de Ontvanger?

III. Indien vraag I bevestigend en vraag II ontkennend moeten worden beantwoord: Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd omdat de personenauto moet worden aangemerkt als te zijn gebruikt in de zin van artikel 10 van de Wet BPM?

Belanghebbende is van mening dat vraag I ontkennend en dat de vragen II en III bevestigend dienen te worden beantwoord. De Inspecteur is met betrekking tot al deze vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Het op aangifte voldane bedrag van € 21.394 is in hoger beroep niet meer in geschil.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar betreffende de naheffingsaanslag, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en tot niet-ontvankelijkverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen uitspraak op bezwaar betreffende de voldoening op aangifte. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1. Artikel 20 van de AWR luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. (...)

2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen. (...).'.

4.2. Artikel 6 van de Wet BPM luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

'1. De belasting moet op aangifte worden voldaan.

2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen:

a. moet de belasting, indien deze verschuldigd is:

1°. ter zake van de registratie van een personenauto of motorrijwiel, worden betaald voordat het kenteken op naam is gesteld;

(...)

b. wordt de aangifte gelijktijdig met de betaling gedaan.'.

4.3. Artikel 10, lid 2, tweede volzin, van de AWR luidt als volgt:

'Heeft de aangifte niet betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand.'.

4.4. Artikel 19, lid 3, van de AWR luidt als volgt:

'In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet voldoening (...) van belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige (...) gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.'.

4.5. Artikel 1, lid 2, van de Wet BPM luidt als volgt:

'2. De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.'.

4.6. Artikel 5, lid 1, van de Wet BPM luidt als volgt:

'1. Met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld.'.

4.7. Artikel 20 van de AWR laat, naar het oordeel van het Hof, alleen naheffing toe van belasting, die:

- verschuldigd is, en

- betaald had moeten worden, maar geheel of gedeeltelijk niet (op tijd) is betaald.

4.8. Naar het oordeel van het Hof volgt uit artikel 6, lid 2, van de Wet BPM niet meer, dan dat wordt afgeweken van de in de AWR opgenomen bepalingen dat de aangifte dient te worden gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand (artikel 10, lid 2, tweede volzin, van de AWR) en dat de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger dient te worden betaald binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan (artikel 19, lid 3, van de AWR). De tekst van artikel 6, lid 2, van de Wet BPM bevat geen afwijking van artikel 20 van de AWR. Uit artikel 6, lid 2, van de Wet BPM volgt niet dat betaling van een hoger bedrag dan aangegeven (ook) moet plaatsvinden voordat het kenteken op naam is gesteld. Voor hetgeen (materieel) meer is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens (hierna: de registratie) dan aangegeven, volgt uit artikel 1, lid 2, van de Wet BPM dat dat meerdere niet eerder verschuldigd is dan op het moment van de registratie. Pas dan is de BPM ter zake van de registratie (materieel) verschuldigd en pas dan kan geconstateerd worden dat te weinig BPM is voldaan (op aangifte). Nu, zoals overwogen, de BPM niet eerder (materieel) verschuldigd is dan op het moment van de registratie, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de AWR niet eerder dan na dat moment naheffen om die materieel verschuldigde belasting te formaliseren en een betalingsverplichting te doen ontstaan.

4.9. Aan hetgeen onder 4.8 is overwogen, doet niet af dat belanghebbende ook eigener beweging had kunnen betalen voordat het kenteken op naam was gesteld. Het wettelijke systeem van heffing door middel van voldoening op aangifte sluit een betaling bovenop het bedrag van een aangifte niet uit (arrest van de Hoge Raad van 22 februari 1984, nr 21 979, BNB 1984/233, van 22 februari 1984, nr 22 238, BNB 1984/234 en van 26 november 2010, nr 09/03340, LJN: BN7172). Uit dit wettelijke systeem volgt echter niet dat de belanghebbende tot een dergelijke - niet in een aangifte aangegeven - betaling verplicht is voordat een naheffingsaanslag is of kan worden opgelegd.

4.10. Voorts overweegt het Hof dat het betalen van BPM boven op het aangegeven bedrag enig risico met zich kan brengen. In fiscale procedures heeft de staatssecretaris van Financiën casu quo de rijksbelastingdienst zich geregeld op het standpunt gesteld dat het (op een suppletieaangifte of buiten enige aangifte om) betaalde bedrag niet geldt als een voldoening van de belastingschuld, zie voornoemde arresten BNB 1984/233 en 1984/234, van 26 november 2010, nr 09/03340 en van 4 december 1985, nr. 22 855, BNB 1986/159.

4.11. Gelet op het vorenstaande dient de in de omschrijving van het geschil onder I vermelde vraag ontkennend te worden beantwoord.

Vraag II en vraag III

4.12. Gelet op de ontkennende beantwoording van vraag I behoeven de vragen II en III geen behandeling meer.

Slotsom

4.13. Uit het vorenstaande volgt dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Mitsdien is het hoger beroep van belanghebbende gegrond. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd en dient het bij de Rechtbank ingestelde beroep betreffende de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 298 respectievelijk € 454, in totaal derhalve € 752, te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar

4.15. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend vergoed voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Naar het oordeel van het Hof vloeit de vernietiging van de naheffingsaanslag voort uit een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, omdat hij de naheffingsaanslag heeft gebaseerd op een verkeerde uitleg van artikel 20 van de AWR. Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten van het bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (bezwaarschrift) x € 218 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 218.

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die aanleiding zouden moeten geven tot vergoeding van de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten, acht het Hof niet aanwezig.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16. Nu de uitspraak van de Rechtbank, alsmede de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en de naheffingsaanslag, wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op:

- 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874 voor de behandeling bij de Rechtbank;

- 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874 voor de behandeling bij het Hof.

In totaal derhalve op € 1.748.

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die aanleiding zouden moeten geven tot vergoeding van de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten, acht het Hof niet aanwezig.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk,

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de naheffingsaanslag gegrond,

- vernietigt deze uitspraak op bezwaar, alsmede de naheffingsaanslag,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 752 vergoedt,

- veroordeelt de Inspecteur in een tegemoetkoming van de kosten van het bezwaar, van de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van € 1.966 in totaal.

Aldus gedaan op: 23 februari 2012 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en P.A.M. Pijnenburg, leden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.