Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9082

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
20-001178-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

2. Veroordeling medeplegen drugssmokkel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001178-08

Uitspraak : 16 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 21 maart 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-800949-07 tegen:

[verdachte],

geboren te Winterswijk op [datum] 1983,

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres],

bij welk vonnis verdachte is veroordeeld wegens – kort gezegd – het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het voorarrest.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en subsidiair vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog van belang - ten laste gelegd dat:

2.

zij op of omstreeks 15 september 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 15068 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

A

Door de verdediging is primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de strafvervolging omdat – naar het hof begrijpt – door het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda onvoldoende activiteiten zijn verricht met betrekking tot de verwijzingsopdracht van het hof d.d. 3 april 2009 voor het doen van onderzoek en het horen van getuigen in Mexico, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat uiteindelijk geen enkele getuige in Mexico is gehoord. Hierdoor heeft de verdediging – aldus de raadsman – haar rechten onvoldoende kunnen effectueren en is gehandeld op een wijze die fundamenteel in strijd is geweest met de grondslagen van het strafproces (Karman-criterium).

Door de verdediging is subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat ten gevolge van de inactiviteit van het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak (Zwolsman-criterium).

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

B1

Voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is slechts plaats in geval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Tevens kan sprake zijn van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als sprake is van een fundamentele inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waarbij het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

Het hof stelt op basis van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

B2

Ter terechtzitting van het hof van 3 april 2009 heeft het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal getuigen in Mexico, mogelijk genaamd [L] en [M], toegewezen alsmede bevolen nader onderzoek in Mexico te doen naar de identiteit van een aantal andere in het dossier genoemde personen ([naam], vrouw van Chinees/Javaans/Indonesische afkomst en een persoon genaamd “[K]”). Het hof heeft hiertoe de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Breda.

B3

Door het Federaal Bureau voor Veiligheid Regionaal Hoofdbureau van de Staat Quintana Roo is op verzoek van de Nederlandse autoriteiten vervolgens onderzoek verricht naar de bovengenoemde personen. Vervolgens is bij brief van 30 oktober 2009 verzocht om informatie aan het Mexicaanse Federaal Bureau voor Veiligheid en is d.d. 6 november 2009 een ambtsbericht ontvangen naar aanleiding van het verzoek van 30 oktober 2009. Uit deze stukken blijkt dat het hoofd beveiliging (ook wel genoemd [K]) [getuige 1] is en dat met [M] [getuige 2] wordt bedoeld.

B4

Ter terechtzitting van het hof van 25 juni 2010 heeft het hof bevolen dat de hiervoor genoemde personen genaamd [getuige 1] en [getuige 2] als getuige worden gehoord en de stukken hiertoe opnieuw in handen gesteld van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Breda.

B5

Op 8 oktober 2010 is door de rechter-commissaris te Breda via de liaison-officier in Washington een rechtshulpverzoek verzonden aan de bevoegde autoriteiten in Mexico teneinde de hiervoor genoemde personen te horen.

B6

Ter terechtzitting van het hof van 10 december 2010 heeft het hof de stand van zaken besproken met betrekking tot het rechtshulpverzoek en de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de resultaten van het rechtshulpverzoek.

B7

Op 22 december 2010 is naar aanleiding van het rechtshulpverzoek een reactie gekomen vanuit Mexico waarbij verzocht is om nadere gegevens over de getuigen. Door de griffier van het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda is hierop bij brief van 15 maart 2011 gereageerd, waarbij nog nadere gegevens zijn verstrekt.

B8

De advocaat-generaal heeft bij brief van 25 mei 2011 aan het hof bericht dat op de brief van 15 maart 2011 van de griffier van het kabinet van de rechter-commissaris tot op heden geen reactie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Mexico is gekomen. Ter terechtzitting van het hof van 10 juni 2011 is deze stand van zaken met de raadsman en de advocaat-generaal besproken en heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting aangehouden tot 11 november 2011 ten einde het verdere verloop van het onderzoek in Mexico af te wachten.

B9

Ter terechtzitting van het hof van 11 november 2011 heeft het hof opnieuw de stand van zaken met betrekking tot het nader onderzoek in Mexico besproken. Het hof heeft hierbij melding gemaakt van een e-mailbericht d.d. 10 november 2011 dat is ontvangen van de griffier van het kabinet van de rechter-commissaris in welk bericht de griffier meldt dat alle benodigde stukken naar Mexico zijn verzonden maar dat tot op heden, ondanks dat regelmatig wordt geïnformeerd vanuit het kabinet van de rechter-commissaris, niets is vernomen.

De voorzitter heeft hierop medegedeeld dat het hof voornemens is de zaak in het voorjaar van 2012 af te doen, ongeacht of het onderzoek in Mexico is afgerond of niet, nu het hof van oordeel is dat het proceseconomisch niet langer verantwoord is om de zaak nog aan te houden.

B10

Op 28 februari 2012 heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Breda het dossier in handen gesteld van de advocaat-generaal onder de mededeling dat niet aan het verzoek van het hof is voldaan, nu er tot op heden, ondanks regelmatig rappelleren, geen reactie uit Mexico is ontvangen.

Op woensdag 29 februari 2012 is een bericht gestuurd door mevrouw [naam], verbonden aan de Nederlandse Ambassade te Washington, aan de griffier van het kabinet van de rechter-commissaris met een reactie, ontvangen uit Mexico. Uit deze reactie blijkt dat men nadere informatie vraagt over de verblijfplaats van de getuigen en dat het moeilijk zal zijn om de [getuige 1] de traceren.

Ter terechtzitting van het hof van 2 maart 2012 heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting (inhoudelijk) voortgezet.

Op het verzoek van de verdediging om de behandeling van de zaak wederom aan te houden heeft het hof afwijzend beslist, nu onaannemelijk is dat de getuigen binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting of elders voor een rechter-commissaris zouden kunnen verschijnen en bij de afweging van het belang van de verdediging bij het horen van de getuigen tegen het belang van justitie bij een afdoening van de zaak binnen redelijke termijn, het laatstgenoemde belang inmiddels zwaarder woog.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

In het licht van het vorenstaande overweegt het hof het volgende.

C1

Het hof heeft de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Breda teneinde nader onderzoek te doen naar een aantal mogelijke getuigen in Mexico. Door de rechter-commissaris is vervolgens conform de verwijzing van het hof een nader onderzoek gestart en naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek is een rechtshulpverzoek uitgegaan naar de Mexicaanse autoriteiten tot het horen van een tweetal getuigen. Niet is gebleken dat op verzoeken om nadere informatie van de Mexicaanse autoriteiten naar aanleiding van het rechtshulpverzoek door de rechter-commissaris niet adequaat gereageerd. Voorts is regelmatig gerappelleerd en geïnformeerd naar de stand van zaken in Mexico. Uiteindelijk heeft de rechter-commissaris geen uitvoering kunnen geven aan de opdracht van het hof omdat vanuit Mexico geen bericht is ontvangen dat de getuigen getraceerd waren zodat naar Mexico afgereisd kon worden voor een verhoor. Het Openbaar Ministerie heeft hierin geen enkele rol gehad en is ook op geen enkele wijze gehouden om de voortgang dan wel het verloop van het nader onderzoek in Mexico te bewaken.

Het hof volgt de verdediging dan ook niet in haar stelling dat gehandeld is op een wijze die fundamenteel in strijd is geweest met de grondslagen van het strafproces.

C2

Uit hetgeen hiervoor onder B is weergegeven kan het hof op geen enkele wijze afleiden dat sprake is geweest van inactiviteit dan wel inertie van de zijde van de rechter-commissaris met betrekking tot de verwijzingsopdracht zoals die door het hof is gegeven op 3 april 2009. Er is regelmatig gerappelleerd en verzoeken van de Mexicaanse autoriteiten om nadere informatie zijn binnen een redelijke termijn beantwoord door de rechter-commissaris. Dat door de rechter-commissaris uiteindelijk niet aan het verzoek is voldaan, is enkel te wijten aan het feit dat vanuit Mexico, ondanks regelmatig rappelleren, geen bericht is ontvangen dat de getuigen getraceerd waren en gehoord konden worden. Het hof is dan ook van oordeel dat uit het handelen van het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda, naar aanleiding van de verwijzingsopdracht van het hof zoals hiervoor onder B weergegeven, niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het hof verwerpt het verweer mitsdien in al zijn onderdelen.

C3

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden, die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

D1

Voor zover naar het oordeel van het hof geen sprake zou zijn van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft de verdediging subsidiair verzocht om te gelasten dat als getuigen worden gehoord [naam], griffier van het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda, [naam], als liaisonofficer verbonden aan de Nederlandse Ambassade te Washington, en [naam], als Police Attaché verbonden aan de Nederlandse Ambassade te Washington, zodat meer duidelijkheid verkregen kan worden over de activiteiten van het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda en de liaisonofficer in Washington in de afgelopen drie jaar met betrekking tot het rechtshulpverzoek aan Mexico.

D2

Het hof wijst dit verzoek af. Gelet op hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, in het bijzonder met betrekking tot de gang van zaken rondom het rechtshulpverzoek aan Mexico, is van de noodzaak tot het horen van deze getuigen ten behoeve van enige door het hof te nemen beslissing niet gebleken.

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

E1

Op vrijdag 16 september 2005 is [betrokkene 1] op de luchthaven Schiphol, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, ter hoogte van gate D 8, aangehouden. Bij het doorzoeken van de rolkoffer, welke door [betrokkene 1] als handbagage werd meegevoerd werden twee vuilniszakken met in totaal 15 bruinkleurige pakketten met wit poeder aangetroffen. De pakketten hadden een gewicht van 15.068,9 gram en het poeder bleek na onderzoek cocaïne te zijn.

E2

[betrokkene 1] heeft – onder meer – het volgende verklaard:

Ik ben in 2005 benaderd voor het smokkelen van drugs. Het meisje vroeg of ik drugs wilde smokkelen vanuit Mexico. Het meisje kan ik omschrijven als een klein Chinees meisje, lang haar. Ik noemde haar altijd “chinees”. Af en toe was ze in gezelschap van een volgens mij Marokkaans meisje. De naam van dat meisje was [verdachte].

(wij verbalisanten toonden getuige een foto van [betrokkene 2]).

De afbeelding op de foto herken ik als het meisje “chinees” waar ik over verklaarde. Ik zou van haar tienduizend euro krijgen als ik een partij verdovende middelen op zou halen in Mexico. De “chinees” vertelde mij dat het beter was dat ik samen met een meisje als stelletje zou reizen. Daarom bracht “chinees” mij in de American Dream in contact met een ander meisje. Dat meisje ken ik als [betrokkene 3]. Dat meisje zou met mij meereizen. Toen wij op die eerste ontmoeting met [betrokkene 3] zaten te wachten ben ik nog in een poolcafé geweest. Daarbij waren [verdachte], “chinees”, de vriend van [verdachte] en nog een voor mij onbekende man. De vriend van [verdachte] was een neger, kaal, ongeveer 1.75 lang. Kort voor de reis ontmoetten [betrokkene 3] en ik elkaar in een hotel in Den Haag. “Chinees” had mij gezegd dat het het beste was als wij voor de reis zouden verblijven in dat hotel in Den Haag. Het hotel was geregeld door de organisatie. Het Marokkaans meisje waar ik eerder over sprak heeft het hotel betaald. We zijn toen per vliegtuig vertrokken naar Cancun. Omdat wij samen reisden kregen we een telefoonnummer mee. Dat nummer had ik gekregen van “chinees”. Dat nummer moesten wij bellen als wij geland waren in Cancun. Dus toen wij in Mexico aankwamen belde ik dat nummer en kreeg ik een Nederlands sprekende man aan de telefoon. Die zei toen dat wij een taxi moesten nemen naar het hotel Cancun Plaza.

Op het einde van de week ging [betrokkene 3] terug naar Nederland met een koffer. De man en vrouw vertelden mij dat ik mijn ticket weg kon gooien en dat ik een nieuw ticket zou krijgen. [betrokkene 3] is toen gewoon vertrokken en ik ben een week later teruggevlogen, met een koffer in mijn handbagage. Zowel de koffer die [betrokkene 3] kreeg als mijn koffer waren identiek. Ik werd op de dag van de terugreis opgehaald door die man en vrouw. Ik had twee mobiele telefoons gekregen. Op een toestel werd ik gebeld kort voordat het toestel ging vertrekken, kennelijk om te controleren dat wij aan boord waren. Het andere toestel had een geprogrammeerd nummer dat ik moest bellen na de landing op Schiphol. Voordat ik uitstapte heb ik de ontvangen gsm gebruikt en het geprogrammeerde nummer gebeld. Ik moest de koffer afgeven voordat ik de douane zou passeren.

Voor het vertrek, nog in Mexico had ik gehoord dat ik op de D-pier bij de Mac Donalds moest gaan wachten.

Bij de slurf stonden echter al twee mensen van de douane die mij aanspraken en meenamen. Het Marokkaanse meisje heeft ons naar Schiphol gebracht. Ik heb de vriend van [verdachte] gezien. Het is een neger. Ik denk een Surinamer.

E3

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [betrokkene 1] nog het volgende verklaard

Mijn verklaring die ik heb afgelegd bij de politie klopt wel. Het is inderdaad zo dat bij mijn vertrek uit Nederland naar Mexico het duidelijk was dat ik terug zou komen met drugs. Het telefoonnummer dat ik meekreeg uit Nederland heb ik gebeld in een belhuis. Als ik spreek over de organisatie dan bedoel ik daarmee de mensen die er achter zitten. Ik heb de drugs die ik meenam naar Nederland dus ook van mensen uit die organisatie gekregen.

E4

[betrokkene 3] heeft – onder meer – het volgende verklaard.

Ik ben in Mexico geweest in 2005 en 2006.

(Opmerking verbalisant: Aan verdachte werd een politiefoto getoond van [betrokkene 1].)

De persoon op de foto herken ik als de persoon waar ik die reis mee gemaakt heb. Ik ken hem als [betrokkene 1]. Ik heb die reis niet geboekt. Alles werd betaald. Ook de verblijfskosten in Mexico. De tickets van mij en [betrokkene 1] werden door ons opgehaald bij de balie van Arke. Wij waren toen in het gezelschap van een vrouw. Die vrouw was genaamd [verdachte]. Zij was een vriendin van [betrokkene 2], die ik verder [betrokkene 2] ga noemen. Wij zijn met haar in contact gekomen via de broer van [medeverdachte 1], de persoon waar u mij eerder een foto van getoond heeft.

(Opmerking verbalisanten: Verdachte bedoelt hiermee de foto van verdachte [medeverdachte 1])

Ik ken de broer van [medeverdachte 1] als [C]. Hij was bevriend met [verdachte], hij had een sprekend Surinaams uiterlijk. Ik heb [C] leren kennen in 2005. Ik kan over die ontmoeting uitgebreider verklaren. Toen ik met [medeverdachte 1] iets zat te drinken kwam het gesprek op mijn financiële toestand. Hij vroeg toen of ik niet op vakantie wilde en dat ik dan wat mee kon nemen en dat ik daar geld voor zou krijgen. Toen ik hem had aangegeven dat ik wel op reis wilde gaan hoorde ik hem zeggen dat hij dan even zijn broer ging bellen. Hierna ontmoette ik een man die zich voorstelde als [C]. Ik hoorde toen dat [medeverdachte 1] en [C] mij vertelden wat ik zou krijgen. Alles zou betaald worden en ik zou vijfduizend euro krijgen. Ik werd toen enkele dagen later gebeld door [C]. Hij vroeg toen of ik naar Rotterdam wilde komen om met iemand te komen praten. Ik ben toen naar Rotterdam gegaan en trof daar [C]. Ik hoorde dat [C] tegen mij zei dat ik mijn reispartner ging ontmoeten. Ik kwam toen in gesprek met een vrouw die zich voorstelde als [verdachte]. Hierna dronken wij iets in het Dream Café en ik denk dat het hooguit tien minuutjes duurde voordat wij gezelschap kregen van [betrokkene 2]. Wij zijn toen naar een ander café gelopen. Volgens mij is [betrokkene 1] onderweg bij ons aangesloten. In dat café hebben wij vervolgens met zijn vieren gesproken over een reis naar Mexico. Ik hoorde dat [betrokkene 2] informatie over de reis vertelde en dat [verdachte] af en toe een en ander toelichtte. Ik hoorde dat [betrokkene 2] zei dat de tickets geregeld waren en dat wij naar Mexico zouden vliegen. [betrokkene 1] had een telefoonnummer gekregen dat wij moesten bellen als wij in Mexico landden en ik hoorde haar zeggen dat we naar een hotel in Cancun moesten gaan. Daar zouden wij nadere instructies krijgen. Ik hoorde tijdens dit gesprek dat [betrokkene 1] meer geld kreeg als beloning. Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen dat [betrokkene 1] tienduizend euro zou krijgen. Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen dat [betrokkene 1] en ik voor vertrek zouden verzamelen in een hotel in Den Haag. Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen dat zij en [verdachte] daar dan ook naar toe zouden komen. Er werd ons door [betrokkene 2] en [verdachte] nog verteld dat wij bij terugkomst op Schiphol moesten wachten in de transitruimte, dus nog voor de douanecontrole. Wij moesten dan een nummer bellen dat we bij vertrek uit Mexico zouden krijgen. [verdachte] of [betrokkene 2] vertelden dat de tickets al geboekt waren en dat de reis op korte termijn zou plaatsvinden. Ik hoorde een van hen zeggen dat de koffer wel geregeld zou worden. Later werd ik gebeld door [C] en die vertelde mij dat hij een koffer kwam brengen naar Eindhoven. Kort daarna werd mij verteld dat ik naar het Ibis-hotel in Den Haag moest gaan en dat wij de volgende ochtend zouden vliegen. Tegen de avond werd ik gebeld door [verdachte] die mij vroeg of ik naar de kamer van [betrokkene 1] wilde komen. In de kamer van [betrokkene 1] trof ik [verdachte], [betrokkene 2] en [C] en nog een jongen. Ik zag dat zowel ik als [betrokkene 1] van [betrokkene 2] een nieuwe gsm kregen. [verdachte] of [betrokkene 2] vertelde toen dat wij de nieuwe toestellen niet mochten gebruiken in Mexico dat die pas weer aangezet mochten worden als wij terug waren op Schiphol. [betrokkene 1] had de opdracht om bij aankomst op het vliegveld van Cancun gebruik te maken van een telefooncel en dat nummer te bellen dat hij gekregen had. Het gesprek werd afgesloten met de mededeling dat wij de volgende dag opgehaald zouden worden door [verdachte] en die zou ons naar Schiphol brengen. Tijdens de nacht die ik moest doorbrengen in het Ibis hotel is [medeverdachte 1] nog bij mij in de kamer gekomen. ’s Morgens om 11.00 uur hebben wij uitgecheckt. [medeverdachte 1] is toen ook weggegaan. [verdachte] kwam ons ophalen in het hotel. Ze was met een taxi. Hierna zijn [betrokkene 1], [verdachte] en ik naar Schiphol gereden. Op Schiphol heeft [verdachte] bij de balie van Arke de tickets opgehaald. Later op de dag zijn we geland op Cancun. [betrokkene 1] en ik hebben toen een telefooncel gebruikt op het vliegveld om dat nummer te bellen.

Na ongeveer een week kwam [betrokkene 4] in het hotel en vertelde tegen mij dat ik diezelfde dag nog moest vertrekken. [betrokkene 1] mocht nog blijven. Mijn ticket dat ik gekregen had op Schiphol moest ik achterlaten. Tijdens de rit kreeg ik een nieuw ticket. Toen we op Schiphol landden hebben wij gedaan wat [verdachte] en [betrokkene 2] mij verteld hadden. We hebben onze gsm’s aangezet en het nummer gebeld dat we hadden opgekregen. Ik kreeg toen een Engels sprekende man aan de lijn. Na een half uur, drie kwartier werd ik gebeld door een Nederlands sprekende man die zei dat wij naar de Mac Donalds moesten lopen. Wij hebben de koffers laten staan en zijn weggelopen. Een paar dagen later werd ik gebeld door [medeverdachte 1]. Hij wilde mij ontmoeten en gaf mij toen het geld dat ik zou krijgen voor de trip naar Mexico. Ik kreeg van hem vijfduizend euro. Hij vroeg toen de gsm plus de oplader terug die ik gekregen had van [betrokkene 2].

Betreffende de mij nu getoonde foto’s kan ik het volgende verklaren:

(Opmerking verbalisanten: Aan verdachte wordt een politiefoto getoond van [medeverdachte 2])

De afbeelding op de foto die u mij toont herken ik als de persoon die ik in mijn verklaring [C] noem. Ik kan nog wel vertellen dat ik later van [medeverdachte 1] heb gehoord dat [C] niet zijn eigen naam was maar dat hij [medeverdachte 2] zou heten.

(Opmerking verbalisanten: Aan verdachte wordt een politiefoto getoond van [verdachte].)

De persoon op de foto die u mij toont herken ik als [verdachte], de vriendin van [medeverdachte 2] die door mij [C] genoemd wordt.

U toont mij nu een foto van een vrouw met Japans of Chinees uiterlijk.

(Opmerking verbalisanten: Aan getuige werd een foto getoond van de verdachte [betrokkene 2].)

Ik herken haar voor 100% als zijnde [betrokkene 2].

E5

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [betrokkene 3] nog het volgende verklaard.

Het klopt dat wij na de landing in Mexico moesten bellen. Het was [betrokkene 1] die op het vliegveld belde in een telefooncel. [betrokkene 1] wist het hotel waar wij naar toe moesten. Hij heeft dit volgens mij van [verdachte] of [betrokkene 2] doorgekregen.

E6

[betrokkene 2] heeft – onder meer – het volgende verklaard.

In 2005 kwam [betrokkene 5] een keer naar mij toe. Hij vertelde mij dat hij een vriend had die een drugstransport wou gaan doen. Ik vroeg het voor die [betrokkene 1] aan [betrokkene 6]. Nadat ik aan [betrokkene 6] die [betrokkene 1] had beschreven, zei [betrokkene 6] dat die jongen te jong en getint was. Hij zei dat hij wel even zou kijken en belde mij later terug. [betrokkene 6] zei toen dat ie dan mogelijk met een meisje samen kon gaan reizen. [betrokkene 1] zou samen met [betrokkene 3] gaan reizen als stelletje. De avond dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] aan elkaar werden voorgesteld was in de “American Dream” te Rotterdam. Ik was met [verdachte], [betrokkene 3], [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] kwam ook. Vanuit de American Dream zijn we naar een soort eettent gegaan. [verdachte] en ik hebben samen uitgelegd hoe zo’n drugstransport in zijn werk ging. Je gaat op reis en krijgt een telefoon mee. Die telefoon krijgen ze dan van [verdachte] of van mij. Ik ben een tussenpost. Ook krijg je een nummer dat je moet bellen bij aankomst in Mexico. Volgens mij heb ik [betrokkene 1] de naam van het hotel Cancun-Plaza gegeven. Ik of [verdachte], dat weet ik niet precies meer. Als [betrokkene 1] zegt dat hij in Cancun moest vragen naar een persoon die [getuige 2] zou heten, dan zal dat wel kloppen. Dat is weer informatie die ik van een ander heb gekregen. Het klopt dat ik [betrokkene 1] en [betrokkene 3] een dag voordat zij vertrokken in het bijzijn van [verdachte] heb gesproken in het Ibis-hotel in Den Haag. We zijn met zijn allen naar boven gegaan en ik heb [betrokkene 1] een telefoon gegeven en een telefoonnummer dat hij moest bellen in Mexico. Met zijn allen bedoel ik, ik [betrokkene 5], zijn vriend, [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kwamen later ook daar. Het zou kunnen dat ik hen verteld heb dat ze bij terugkomst op Schiphol moesten wachten in de transitruimte.

Ik heb hun verteld dat ze in Cancun zouden horen hoe het allemaal verder ging. Ik weet dat je kort voor de landing op Schiphol een telefoontje krijgt waarin je te horen krijgt waar je naar toe moet gaan. Ik heb [betrokkene 1] en [betrokkene 3] tijdens de ontmoeting in het Ibis-hotel nieuwe telefoons gegeven.

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [betrokkene 2] nog het volgende verklaard.

Ik wist dat [betrokkene 1] naar Mexico zou gaan en met drugs zou terugkomen. Ik heb [betrokkene 1] een telefoontoestel gegeven en een nummer op papier. Dit nummer moest hij in Mexico bellen. Volgens mij was dit het nummer van de hoteleigenaar van Cancun Plaza. Ik wist dat hij naar dat hotel moest gaan.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

F1

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsman voert hiertoe aan dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs bevat voor betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde drugstransport. De betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 2] is – aldus de raadsman – ver te zoeken. Daarnaast dient een knip te worden gemaakt tussen de gebeurtenissen zoals die zich hebben voorgedaan in Nederland voorafgaand aan het vertrek van [betrokkene 1] naar Mexico en hetgeen zich in Mexico heeft voorgedaan met betrekking tot het teruggaan van [betrokkene 1] met drugs naar Nederland. [betrokkene 1] zou op grond van zijn eigen verklaring eerst ‘leeg’ terug naar Nederland moeten en heeft later van de organisatie in Mexico te horen gekregen dat hij toch (later) ‘vol’ terug zou kunnen gaan naar Nederland. Het dossier bevat – aldus de raadsman – geen enkel bewijs dat verdachte enige zeggenschap heeft gehad over het teruggaan van [betrokkene 1] met drugs.

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat als er al sprake is van enige betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde, dat deze betrokkenheid dan hoogstens te kwalificeren is als medeplichtigheid.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

F2

In tegenstelling tot de raadsman acht het hof de verklaringen van [betrokkene 2], zoals die zich in het dossier bevinden en hiervoor deels zijn weergegeven betrouwbaar. Zij is in haar verklaringen weliswaar steeds uitvoeriger gaan verklaren maar heeft daarbij geen afbreuk gedaan aan haar eerder afgelegde verklaringen. Zij is daarbij aanvullend maar consequent en consistent blijven verklaren, waarmee zij ook zichzelf ernstig heeft belast. Haar verklaring komt bovendien op essentiële punten, zoals de bijeenkomst in het American Dream Café, de personen die daarbij aanwezig waren, het bijeenkomsten in het Ibis-hotel, het overhandigen van de telefoons en het geven van instructies over de reis, overeen met de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Ook ten aanzien van de gang van zaken bij aankomst in Mexico en bij de terugkomst met de drugs op Schiphol, komt de verklaring van [betrokkene 2] overeen met die van [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Ondersteuning in de betrouwbaarheid van haar verklaring kan tenslotte ook nog gevonden worden in hetgeen zij verklaard heeft over het drugstransport van [betrokkene 3] in 2006. [betrokkene 2] bevestigt hierin de verklaring van [betrokkene 3] over het feit dat zij een bericht van [betrokkene 2] had gehad dat [medeverdachte 2] haar wilde oplichten en dat zij € 10.000,00 van [betrokkene 2] zou krijgen als zij voor haar naar het buitenland zou gaan.

F3

Het hof is mede gelet op het vorenstaande van oordeel dat de gang van zaken met betrekking tot het ten laste gelegde drugstransport kan worden afgeleid uit de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zoals hiervoor onder E weergegeven. Hun verklaringen bevestigen elkaar en sluiten op essentiële punten op elkaar aan.

Het hof leidt hieruit het volgende af.

- [betrokkene 1] heeft in juli/augustus 2005 contact gehad met [betrokkene 2] over het doen van een drugstransport vanuit Mexico;

- [betrokkene 2] heeft hierover overleg gehad met [betrokkene 6], die haar heeft verteld dat [betrokkene 1] wel een reis kon maken, maar dat hij samen met een meisje moest reizen, omdat dit veiliger zou zijn;

- [betrokkene 2] vertelt [betrokkene 1] hierop dat hij de reis kan maken en dat hij hiervoor € 10.000,00 zal krijgen;

- [medeverdachte 1] benadert hierop [betrokkene 3] met de vraag of zij (samen met [betrokkene 1]) een drugstransport zou willen doen;

- [betrokkene 3] stemt toe, waarop [medeverdachte 1] contact opneemt met zijn broer [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vertellen [betrokkene 3] wat zij krijgt voor de reis en brengen haar enkele dagen voor vertrek in contact met haar reisgenoot [betrokkene 1]. Bij deze afspraak zijn ook verdachte en [betrokkene 2] aanwezig waarbij verdachte (op dat moment de partner van [medeverdachte 2]) en [betrokkene 2] [betrokkene 1] en [betrokkene 3] de praktische informatie over de reis geven en zorgen dat zij in het bezit komen van de tickets en geld. Zij regelen verder het hotel waar [betrokkene 1] en [betrokkene 3] overnachten de avond voor vertrek en geven de avond voor vertrek in het hotel uitleg aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] over wat zij moeten doen bij aankomst in Mexico en bij terugkomst op Schiphol.

- Op 26 augustus 2005 vliegen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] naar Mexico. Na aankomst in Mexico belt [betrokkene 1], overeenkomstig de instructies uit Nederland, een telefoonnummer, waarna zij naar het hotel Cancun Plaza worden gebracht.

- Na ongeveer een week krijgt [betrokkene 3] van de betrokken personen in Mexico te horen dat zij terug naar Nederland gaat. Zij vliegt dan samen met een ander persoon met een koffer drugs terug naar Nederland. Overeenkomstig de instructies van verdachte en [betrokkene 2] belt zij na aankomst in Nederland het telefoonnummer en laat de koffer met drugs nog voordat zij de douane door moet, achter bij de Mac Donalds.

- Enkele dagen later ontvangt [betrokkene 3] het afgesproken bedrag van € 5.000,00 van [medeverdachte 1].

- [betrokkene 1] vliegt op 16 september 2005 terug naar Nederland, eveneens met als handbagage een koffer drugs. Ook hij belt, overeenkomstig de instructies, naar het telefoonnummer en moet ook de koffer afgeven voordat hij de douane zou passeren.

- Terwijl [betrokkene 1], na aankomst op Schiphol, staat te wachten bij de Mac Donalds wordt hij meegenomen door medewerkers van de douane en wordt in zijn koffer cocaïne aangetroffen.

F4

De betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde drugsinvoer kan naar het oordeel van het hof afgeleid worden uit de omstandigheden dat zij aanwezig is geweest bij de bijeenkomst waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] aan elkaar werden voorgesteld, dat bij deze bijeenkomst (aldus de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2]) zowel door verdachte als door [betrokkene 2] uitleg werd gegeven over hoe een drugstransport in zijn werk gaat, dat verdachte het hotel heeft betaald waarin [betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben overnacht voorafgaand aan het vertrek naar Mexico, waarbij de laatste instructies aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] werden gegeven, en dat verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 3] naar Schiphol heeft gebracht en op Schiphol de tickets aan hen heeft overhandigd. Zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 3] verklaren dat het op voorhand duidelijk was dat zij naar Mexico gingen om drugs te halen. Verdachte heeft een duidelijke rol gespeeld bij de organisatie van de drugsreis naar Mexico van “het stelletje” [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. De gebeurtenissen in Mexico waardoor [betrokkene 1] op een later tijdstip met drugs naar Nederland is gegaan dan [betrokkene 3], wat daar ook van zij, maken de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde drugsinvoer niet anders. Het hof kan uit de bewijsmiddelen overigens ook niet afleiden dat op voorhand is afgesproken dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] na een week weer als “stelletje” samen terug zouden reizen. Zij zouden immers verdere instructies na aankomst in Mexico krijgen. Door [betrokkene 2] is zowel aan [betrokkene 1] als aan [betrokkene 3] een telefoon uitgereikt en is verteld dat zij hiermee moesten bellen na terugkomst op Schiphol. Hieruit kan het hof niet afleiden dat zij samen terug zouden komen. Integendeel, het feit dat zij ieder een telefoon uitgereikt hebben gekregen, wijst er juist op dat er ook een mogelijkheid bestond dat zij niet tegelijk in Nederland zouden terugkeren.

Voorts is de hele modus operandi ten aanzien van de reis naar Mexico, het verblijf in Mexico en de terugkeer naar Nederland bij [betrokkene 1] en [betrokkene 3] identiek. Niets wijst er dan ook op dat achter de drugstransport van [betrokkene 1] een andere organisatie zat dan achter het transport van [betrokkene 3].

F5

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat verdachte betrokken is geweest bij de invoer van ruim 15 kilo drugs door [betrokkene 1] op 16 september 2005. Een drugstransport als het onderhavige is een keten van handelingen en gebeurtenissen waarbij diverse personen betrokken zijn die er voor zorgen dat de drugs van het ene land naar het andere kunnen worden gesmokkeld. Ieder heeft – in een bewuste en nauwe samenwerking – zijn rol in het geheel. Uit vorenstaande onder E weergegeven feiten blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte weliswaar een wat kleinere, meer uitvoerende doch belangrijke rol heeft gespeeld door de drugskoeriers van de benodigde praktische informatie over de reis, reisgeld en tickets te voorzien. Het vorenstaande maakt dat verdachte welbewust een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geheel van feiten en gedragingen. Er is derhalve een bewuste en nauwe samenwerking geweest tussen verdachte en haar medeverdachten.

Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

F6

Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden als hierna weergegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

zij omstreeks 15 september 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 15068 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid van de Opiumwet, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

G1

Het hof komt tot een veroordeling ter zake van het medeplegen van het invoeren binnen het grondgebied van Nederland van ruim 15 kilogram cocaïne.

De eerste rechter heeft verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 26 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Namens de verdachte is geheel subsidiair bepleit dat verdachte wordt veroordeeld tot een straf waarvan de duur niet langer is dan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

G2

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij houdt het hof rekening met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend en

- de omstandigheid dat het in casu om internationale handel in drugs gaat waarbij veel geld is gemoeid.

G3

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van geruime duur met zich brengt.

Ten aanzien van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt het hof in belangrijke mate ten voordele van de verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte’s rol in de drugssmokkel geringer, te weten meer uitvoerend van aard is geweest dan die van haar medeverdachten, die meer een organiserende rol hebben gehad.

Voorts houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die uit de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen.

Gelet op de omstandigheid dat het feit inmiddels ruim 6,5 jaar geleden heeft plaatsgevonden en verdachte zich, gelet op de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2012, in de tussenliggende periode vanaf het moment dat zij in vrijheid werd gesteld op 6 december 2008 niet schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, zal het hof geen voorwaardelijke straf opleggen.

G4

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de invoer van een hoeveelheid van in totaal ruim 15 kilogram harddrugs bewezen is verklaard, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.

G5

De advocaat-generaal en de verdediging stellen zich op het standpunt dat de straf dient te worden verminderd omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

G6

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

G7

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf de datum van

aanhouding van verdachte, te weten 14 augustus 2007.

G8

Bij vonnis van de rechtbank Breda van 21 maart 2008 is de zaak van verdachte in eerste aanleg afgedaan. Verdachte is op 21 maart 2008 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis en bij onderhavige uitspraak van het hof is de zaak vervolgens in hoger beroep afgedaan.

G9

Gelet op het feit dat niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld het hof tot een einduitspraak is gekomen, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijdingen rechtvaardigen, is hof van oordeel dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier in hoger beroep geschonden is. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

G10

Het hof vindt in de termijnoverschrijding aanleiding de op te leggen gevangenisstraf te verminderen met drie maanden, zodat een gevangenisstaf voor de duur van 21 maanden resteert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J. Buhrs-Platschorre en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 16 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.