Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8863

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
HV 200.100.055
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 1:261 Bw; machtiging uithuisplaatsing; Art.3, lid 4 Wjz;

De vader stemt in met een uithuisplaatsing van [zoon], maar kan zich niet verenigen met de plaatsing van [zoon] in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs.

Het beroep is gericht tegen het indicatiebesluit en wel tegen het feit dat de stichting plaatsing bij de vader niet in haar besluitvorming heeft betrokken.

Het hof komt tot het oordeel dat het beroep van de vader tegen het indicatiebesluit voor gegrondverklaring in aanmerking komt en het indicatiebesluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Aldus oordelend blijft de machtiging tot uithuisplaatsing in stand maar kan de stichting niet tot plaatsing overgaan.

De consequentie van deze uitkomst acht het hof niet wenselijk.

Het belang van [zoon] is gediend met een uithuisplaatsing. Immers terugplaatsing bij de moeder en de stiefvader is geen optie.

Mitsdien zal het hof, overeenkomstig het bepaalde in art. 8:72, lid 3 Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het indicatiebesluit voor beperkte tijd in stand blijft teneinde de stichting in de gelegenheid te stellen, desgewenst , een nieuw besluit te nemen en, in geval van een nieuw besluit, dit te doen met in achtneming van het gestelde in deze uitspraak.

Het vorenstaande geeft het hof aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72, geldigheid: 2012-03-13
Wet op de jeugdzorg 3, geldigheid: 2012-03-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 13 maart 2012

Zaaknummer: HV 200.100.055/01

Zaaknummer eerste aanleg: 236652 / JE RK 11-1630 MZ13

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.J.D.D. Burhenne,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Helmond,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 oktober 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2012, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en verzocht het verzoek van de stichting alsnog af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 januari 2012, heeft de stichting verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Burhenne en mevrouw Van Dongen als tolk in de Engelse taal;

- mevrouw [moeder], de moeder van de minderjarige;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw L.J.A. Snijders.

2.3.1. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De heer [stiefvader], de stiefvader van de minderjarige, is eveneens niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 30 september 2011;

- het plan van aanpak van de stichting, ontvangen ter griffie op 18 januari 2012;

- het door het hof bij de raad opgevraagde raadsrapport, ingekomen op 13 februari 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader, is geboren:

- [Y.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats].

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [zoon]. De hoofdverblijfplaats van [zoon] is bij de moeder bepaald.

3.2. [zoon] staat sinds 19 juli 2010 onder toezicht van de stichting. [zoon] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sindsdien uit huis geplaatst. Hij verblijft sedert 26 oktober 2010 bij de Combinatie van Jeugdzorg.

3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [zoon] verlengd tot 13 oktober 2012 en de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [zoon] met ingang van 13 oktober 2011 tot uiterlijk 13 oktober 2012 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder 24- uurs.

3.3. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De vader kan zich niet vinden in het feit dat het gehele onderzoek van de stichting zich gericht heeft op de verzorging- en opvoedingsituatie bij de moeder en de stiefvader. De vader deelt de zorgen van de stichting over de opvoedingssituatie bij de moeder en de stiefvader, doch er is in het geheel niet gekeken naar de opvoedingsmogelijkheden van de vader. De vader is van mening dat hij in staat is om [zoon] een stabiele en veilige opvoedingssituatie te bieden, waartoe hij zich tot het uiterste zal inspannen. Het is weliswaar juist dat [zoon] en de vader tot op heden weinig contact met elkaar hebben maar aan de zijde van de vader bestaan geen zorgsignalen. Teneinde op adequate wijze te kunnen communiceren met [zoon] volgt de vader thans een cursus Nederlands. De vader acht het niet wenselijk indien [zoon] van de ene verblijfplaats naar de andere wordt geplaatst zonder dat daarbij zicht bestaat op een bestendige situatie. In ieder geval zou er door de stichting serieus aandacht moeten worden besteed aan de wens van de vader om te bezien of het tot de mogelijkheden behoort om [zoon] in de nabije toekomst bij hem te laten wonen. Ter zitting heeft de advocaat van de vader aangegeven dat in feite de uithuisplaatsing niet wordt betwist. Gelet op de zorgelijke thuissituatie bij de moeder acht de vader een machtiging uithuisplaatsing aangewezen. Het beroep richt zich tegen het feit dat de stichting plaatsing bij de vader niet in haar besluitvorming heeft betrokken. De vader voelt zich in het geheel niet gehoord door de stichting. De vader wenst dat alsnog onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden van plaatsing bij hem. Met de termijn van een jaar gaat er veel tijd verloren en gaat de tijd zich mogelijk op den duur tegen de vader keren zodat [zoon] omwille van het tijdsverloop niet meer bij hem geplaatst zou kunnen worden.

3.5. De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat contactherstel tussen de vader en [zoon] van belang is, doch dat een thuisplaatsing bij de vader door de hulpverlening niet wenselijk wordt geacht. De stichting geeft aan dat de verzorging- en opvoedingssituatie bij de vader geen onderwerp van onderzoek is geweest nu de hoofdverblijfplaats van [zoon] bij de moeder is bepaald. Volgens de stichting heeft de vader zeer weinig contact gehad met [zoon] en heeft de vader hiertoe weinig stappen ondernomen. Over de toedracht van het weinige contact verschillen de ouders van mening.

De stichting stelt dat [zoon] een beschadigd kind is door de gebeurtenissen in het verleden waardoor hij behoefte heeft aan duidelijkheid en structuur. Volgens de Combinatie Jeugdzorg heeft [zoon] meer dan gemiddeld behoefte aan een veilige en voorspelbare woonomgeving, waarin hij volledig kan vertrouwen op zijn opvoeders. [zoon] is een kwetsbaar kind en ervaart snel gevoelens van onveiligheid, hetgeen zich uit in heftig probleemgedrag. [zoon] heeft binnen de residentiële groep het afgelopen jaar laten zien dat hij behoefte heeft aan een stabiele opvoedingssituatie en leefomgeving waarin hij zich leeftijdsadequaat kan ontwikkelen. Desgevraagd heeft de stichting ter zitting aangegeven dat het geen optie is geweest om de situatie bij de vader te onderzoeken nu [zoon] de vader slechts een aantal keren gezien heeft en hem derhalve niet echt kent. Zowel nu als in de toekomst ziet de stichting op voorhand geen perspectief voor een opvoedingssituatie van [zoon] bij de vader.

3.6. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij berust in de uithuisplaatsing. Zij vindt het voor [zoon] beter dat hij uit huis is geplaatst.

3.7. Het hof overweegt het volgende.

3.7.1. Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.7.2. Blijkens het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat de vader instemt met een uithuisplaatsing van [zoon], maar dat de vader zich niet kan verenigen met de plaatsing van [zoon] in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs. De vader wenst dat [zoon] bij hem wordt geplaatst, althans dat de mogelijkheid hiertoe serieus wordt onderzocht.

3.7.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 5, lid 2, van de Wet op de jeugdzorg (Wjz), behoort tot de taak van de stichting het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg.

Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg als de stichting een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen.

3.7.4. Ingevolge het bepaalde in artkel 3, lid 4 Wjz, treedt het besluit van de stichting dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek, niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend vervalt het besluit (hierna: indicatiebesluit).

3.7.5. Een indicatiebesluit is een besluit als bedoeld in art. 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Op grond van art. 3, lid 4 Wjz in samenhang met art. 8:5, lid 1 en onderdeel H onder 3 Bijlage Awb staat er tegen een indicatiebesluit geen aparte procedure open. Art. 3, lid 4 Wjz bepaalt dat het indicatiebesluit vervalt indien de kinderrechter geen machtiging tot uithuisplaatsing afgeeft. Het laatstgenoemde houdt derhalve in dat de kinderrechter, indien een partij blijk geeft van bezwaren tegen de inhoud van het besluit, zich daar een oordeel over dient te vormen en de rechtmatigheid van het indicatiebesluit dient te toetsen. Hierbij past ook dat de kinderrechter, indien hij zich niet met het indicatiebesluit kan verenigen, dit uitsluitend kan vernietigen.

3.7.6. De Awb brengt met zich dat de stichting bij de totstandkoming van het indicatiebesluit onder meer gehouden is de in de afdelingen 3.2. en 3.7. van deze wet opgenomen zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten in acht te nemen. In het bijzonder de in art. 3:2 van de Awb neergelegde verplichting, dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het hof ziet van een belangenafweging, waarbij ook de wensen en mogelijkheden van de gezagsdragende vader worden meegenomen, niets terug in het indicatiebesluit d.d. 11 juli 2011, waartegen de vader opkomt. In het indicatiebesluit wordt gesproken over de veiligheid en ontwikkeling van [zoon] in de opvoedsituatie bij de moeder en de stiefvader die ernstig in het geding is gekomen. Over de noodzaak dat er duidelijkheid komt over zijn toekomtperspectief, een perspectief dat niet meer bij zijn ouders komt te liggen.

Desgevraagd is door de stichting ter zitting aangegeven dat met “de ouders” gedoeld wordt op de moeder en de stiefvader.

De stem van de vader, als gezagsdragende ouder van [zoon], die op grond van het bepaalde in artikel 1:247 BW zowel het recht als de plicht heeft zijn kind te verzorgen en op te voeden, klinkt niet door in het indicatiebesluit, ondanks dat de stichting wel bekend is met de wens van de vader om (in de nabije toekomst) voor [zoon] te willen zorgen. Dit klemt temeer nu de stichting ter zitting heeft verklaard naarstig op zoek te zijn naar een weekendpleeggezin voor [zoon] en op termijn naar een perspectiefbiedend pleeggezin. Daarmee blijft naar het oordeel van het hof de stelling van de stichting dat terecht geen onderzoek naar de situatie van de vader is gedaan nu de vader zeer weinig contact heeft gehad met [zoon] en hem eigenlijk nog niet kent, niet houdbaar. Immers op dit moment heeft [zoon] geen contact met welk pleegezin dan ook. Van een zorgvuldige belangenafweging waarin ook de wensen en de pedagogische mogelijkheden van de vader worden betrokken is het hof niet gebleken.

3.7.7. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat het beroep van de vader tegen het indicatiebesluit, daar waar de stichting gebruik maakt van haar bevoegdheid tot plaatsing, voor gegrondverklaring in aanmerking komt en het indicatiebesluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd. Aldus oordelend blijft de machtiging tot uithuisplaatsing in stand maar kan de stichting niet tot plaatsing overgaan.

De consequentie van deze uitkomst acht het hof niet wenselijk.

Het belang van [zoon] is gediend met een uithuisplaatsing. Immers terugplaatsing bij de moeder en de stiefvader is geen optie.

Mitsdien zal het hof, overeenkomstig het bepaalde in art. 8:72, lid 3 Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het indicatiebesluit voor beperkte tijd in stand blijft, teneinde de stichting in de gelegenheid te stellen, desgewenst, een nieuw besluit te nemen en, in geval van een nieuw besluit, dit te doen met in achtneming van het gestelde in deze uitspraak.

Het vorenstaande geeft het hof aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken.

3.8. Het voorgaande leidt tot de beslissing zoals hierna bepaald.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 oktober 2011, doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend die het tijdstip van 1 juli 2012 overschrijdt;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de stichting tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [zoon] voor wat betreft de periode vanaf 1 juli 2012;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, mr. E. L. Schaafsma- Beversluis en mr. A.J.F. Manders en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2012.