Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8223

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
20-002671-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BM9893, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1113, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt verdachte terzake van "poging tot moord" en "brandstichting" tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Overwegingen met betrekking tot het verschoningsrecht, voorbedachte raad en psychische overmacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2012-03-08
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2012-03-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002671-10

Uitspraak : 8 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

1 juli 2010 in de strafzaak met parketnummer 02-810995-09 tegen:

[verbalisant 9],

geboren te [geboorteplaats] op [1944],

wonende te Waalwijk,

thans verblijvende in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende:

- verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en uitleveringsdetentie;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal toewijst met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft:

- primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit;

- subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit;

- meer subsidiair bepleit de strafoplegging te beperken tot een vrijheidsstraf gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest;

- voor het overige bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de eerste rechter. Daarnaast kan het hof zich niet op alle onderdelen verenigen met de door de eerste rechter gegeven motivering, opgelegde straf en de door de eerste rechter gegeven beslissing ten aanzien van de benadeelde partij. Het hof zal daarom het beroepen vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2009 te Waalwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] (zijn, verdachtes, echtgenote) van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg (de schoenen en/of kleding van) die [slachtoffer] met motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten/besprenkeld en/of op zeer korte afstand van die [slachtoffer] motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, op de vloer heeft gegoten/besprenkeld en/of vervolgens die motorbenzine, althans die brandbare vloeistof heeft aangestoken waardoor die [slachtoffer] vlam vatte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2009 te Waalwijk opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de Grotestraat 413), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, gegoten/besprenkeld over (de schoenen en/of kleding van) [slachtoffer] en/of op zeer korte afstand van die [slachtoffer] motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, op de vloer gegoten/besprenkeld en/of (vervolgens) die motorbenzine, althans die brandbare vloeistof aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die motorbenzine, althans die brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan die (schoenen en/of kleding van) [slachtoffer] en/of de vloer geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van belendende woningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal acht het hof de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Het hof grondt dat oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen.

Bewijsmiddelen

1.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 27 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 437 en 438, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik ben ambulancechauffeur en was op 26 mei 2009 aan het werk met mijn collega [getuige 2] in de [adres] te Waalwijk om hulp te verlenen bij mensen die ten gevolge van brand gewond waren geraakt.

Wij kwamen daar aan en ik zag rookontwikkeling van vooraf gezien rechts achteraan bij de carport.

Vooraan op de carport zag ik een vrouw. Zij schreeuwde het uit. Zij zag helemaal zwart. Haar huid was over haar gehele lichaam en gezicht ernstig verbrand. Ik zag achteraan op de carport een man staan. Ik zag dat de man die achterop de carport stond ook helemaal zwart geblakerd was.

Toen ik mevrouw zuurstof gaf, hoorde ik haar zeggen dat haar man het huis in de fik had gezet.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 2 juni 2009, doorgenummerde pagina’s 440-443, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik ben ambulanceverpleegkundige bij de Regionale Ambulance Voorziening Midden en West Brabant. Op 26 mei 2009 had ik dienst met [getuige 1]. Wij kregen de melding: “Woningbrand met een slachtoffer dat op het dak ligt en dreigt te springen”. De brand was in de [adres] te Waalwijk.

Ik zag een zwart geblakerde mevrouw die op het dak van de carport lag te schreeuwen. De man zag ik op het dak van de woning staan.

Wij troffen een helemaal zwart geblakerde vrouw van top tot teen. Ze zei “Mijn man heeft dit gedaan”. Toen zei ze: “Mijn man heeft mij overgoten met benzine en in brand gestoken”. Ze herhaalde het nog een keer: “Mijn man heeft mij overgoten met benzine en in brand gestoken”.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 28 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 451-453, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik ben als vrijwillige brandweerman werkzaam bij de brandweer van Waalwijk. Op

26 mei 2009 kreeg ik op mijn pager de melding van een binnenbrand op de [adres]. Samen met onder meer [getuige 4] ben ik daar naar toe gereden.

Toen wij daar aankwamen en ik naar het pand keek, zag ik dat er over de rand van de carport een been bungelde. Ik zag meteen dat er een mens op dat dakje lag. Ik ben naar boven gelopen en ik zag dat het een vrouw was die daar lag. De vrouw is door ambulance-medewerkers opgevangen.

Ik zag een man op het dakterras van de carport staan. We wilden via het naastgelegen huis naar de zijkant van het pand gaan. Toen we met de ladder bij de buren in de gang stonden, werd naar ons geroepen dat wij terug moesten komen. We zijn omgedraaid en toen zag ik dat die man op het dak van de carport stond.

Beneden hebben wij hem op het trottoir gelegd. Hij was ook ernstig verbrand.

Toen hij op de grond lag zei hij onder meer:

- “Ik heb de boel aangestoken.

- Mijn kinderen hebben mij kapot gemaakt.

- Links staat een kluis, daar ligt een afscheidsbrief in.”

4.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] d.d. 28 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 454 en 455, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik ben als vrijwillige brandweerman werkzaam bij de brandweer van Waalwijk. Op

26 mei 2009 kreeg ik op mijn pager de alarmmelding: “binnenbrand [adres]”. Ik reed er met de hoogwerker naar toe.

Ik zag een vrouw die op het randje van de carport lag en een man die boven op het dakterras op de reling van het terras leunde. Beide mensen waren erg zwart verbrand.

Beneden kwam de man met zijn hoofd rustend op mijn bovenbenen te liggen. Hij zei onder meer:

- “Mijn kinderen hebben me kapot gemaakt.

- Links staat een kluis, daar ligt een afscheidsbrief in.

- Ik heb alles aangestoken.”

5.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 28 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 456-458, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik ben als vrijwillige brandweerman werkzaam bij de brandweer van Waalwijk. Op

26 mei 2009 kreeg ik op mijn pager de alarmmelding: “binnenbrand [adres]”.

Ik ben in de tankautospuit gestapt en wij zijn met zes personen naar de brand gereden.

Toen ik bij dat adres de oprit opliep, zag ik dat er een carport was en dat daarop een persoon lag. Ik zag dat deze zwart geblakerd was. Verder zag ik een persoon op het dakterras zitten.

Een collega en ik zijn naar binnen gegaan.

We zijn de trap op gegaan. Voor mij aan de rechterkant heb ik een deur opengemaakt en ik had daar vrij zicht. Ik zag door de ruit dat die man nog steeds op het dakterras zat. Rechtdoor in de gang zat een deur op slot. Mijn collega heeft die gesloten deur ingetrapt. In die ruimte was volop rook en ik zag vuur.

Opvallend was voor mij die deur die boven op slot zat, dat was de deur die ons toegang tot de man op het dakterras gegeven zou hebben.

6.

Het proces-verbaal van bevindingen van de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 6] d.d. 26 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 313-316, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 26 mei 2009 kregen wij de melding van een brand in een woning aan de [adres] te Waalwijk. Ter plaatse troffen wij een vrouw, [slachtoffer], aan op de grond voor de woning. Zij werd op dat moment behandeld door de medewerkers van de ambulancedienst. Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben naar het slachtoffer gelopen.

Ik zag dat de vrouw ernstig gewond was aan haar armen, benen en gezicht. Ik vroeg aan de vrouw wat er gebeurd was. Ik hoorde de vrouw zeggen dat haar man haar overgoten had met benzine en haar in brand had gestoken. De vrouw, vertelde mij, dat haar man ook het huis in brand had gestoken. De vrouw deelde mij mede dat haar man haar wilde vermoorden.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben vervolgens naar een steegje gelopen. Ik zag een man op de grond liggen. Ik zag dat de man brandwonden had. Ik vroeg aan de man wat er gebeurd was. Ik hoorde de man zeggen dat hij van zijn vrouw hield, maar dat het niet verder kon. Ik hoorde de man zeggen dat hij haar in brand had gestoken en ook het huis in brand had gestoken. De man, deelde mij mede dat zij dood moest.

7.

Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] d.d.

4 augustus 2009, doorgenummerde pagina’s 258-261, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Door ons, verbalisanten, gestelde vragen zullen voorafgegaan worden door “V1:” ([verbalisant 7] en “V2:" ([verbalisant 8]). Het antwoord van de getuige zal voorafgegaan worden door “C:”.

V1: Wat wil je aan ons kwijt.

C: [verdachte] belde mij op. Hij zei: “Je moet even komen, want je moet iets tekenen.” Ik zei toen: “Ja, moet dat nou dan per se?”. Hij zei: “Ja, ja dat moet per se”. Ik ben daarnaar toe gegaan. Ik kwam binnen en zei: “Nou waar is het?”. Hij zei: “Ja, euh, kom maar het ligt op kantoor”. Ik zei: “Haal het maar hier naar de gang toe”. Hij zei: “Nee, je moet mee naar kantoor”. Nou, toen liep ik mee naar het kantoor en toen zei hij van: “Wil je dat even…dit moet je tekenen”. Toen las ik het, maar kon er eigenlijk niet goed uit opmaken wat het betekende en zo, dus ik zei: “Nou ik wil het even op mijn gemak bekijken voor ik iets teken.” Hij zei: “Nee, en je tekent nou”. Ik zei: “Ik teken niet” en “Dan ga ik”. Toen hield hij mij tegen en zei: “Ik niks dan jij ook niks”. Toen had hij een kan benzine en die stak hij aan. Van te voren deed hij nog de deur op slot. Ik zei: “Hé, doe de deur eens open”. Hij zei: “Nee, eerst tekenen”. Toen heb ik gezegd: “Nou, dan ga ik bellen”. Toen had ik de telefoon maar hij pakte die telefoon en die gooide hij naar buiten over het balkon heen. Nou toen pakte hij de benzine en stak hij het aan.

8.

Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] d.d.

11 augustus 2009, doorgenummerde pagina’s 264-277, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

De door ons, verbalisanten, gestelde vragen zullen voorafgegaan worden door “V1:” ([verbalisant 7] en “V2:" ([verbalisant 8]). Het antwoord van de getuige zal voorafgegaan worden door “C:”.

V1: Kunt U, even voor de algemene beeldvorming, even omschrijven dat als wij daar aankomen bij het pand, hoe het er dan uitziet?

C: Ik kwam aanrijden, dan heb ik mijn auto achteruit de oprit ingereden.

“V1: Hoe bent u toen naar binnen gegaan?

C: Met de sleutel zelf.

V1: Wij weten hoe het zit, maar iemand die niets van de situatie weet, begrijpt niet, waar je dan terecht komt en hoe je dan verder het huis in moet.

C: De deur open en dan kom je in een hal. Dan open je weer een deur en dan is daar een trap naar boven. Dat is eigenlijk de woning.

V1: Binnen kunt u de trap omhoog, dat heeft u gedaan, u bent naar boven gegaan.

C: Ja en daar stond ik bij dat tafeltje waar we het over hadden en daar stond verdachte ook. Ik dacht, nou dan blijf ik mooi hier staan. Ik zei tegen [verdachte]: “Nou pak die rekening maar, dan kan ik tekenen. Ik dacht: “Dan kan ik hier weg.” Toen zei hij: “Kom even mee naar kantoor”. Ik zei: “Nee, breng maar mee naar hier.” Hij zei: “Nee, kom maar even mee naar kantoor”. Toen ben ik meegelopen naar kantoor en toen heeft hij mij vastgepakt en gezegd: “Nou moet je tekenen”.

V1: U zegt van: “Mag ik mee naar kantoor”. Kunt u dat uitleggen. Boven aan deze trap, waar ligt het kantoor dan?

C: Als je de trap op komt dan staat daar het tafeltje. Dan ga ik naar de keuken en dan een wat langere gang en dan achteraan.

V2: Zou u het aan kunnen geven met links en rechts als u boven aan de trap komt.

C: Als je boven aan de trap staat, dan ga je links naar het kantoor.

V1: Hoe kom ik in het kantoor, als je linksaf loopt?

C: Ja. Dan loop je de gang door en dan is aan de linkerkant het washok, aan de rechterkant twee slaapkamers, die loop je voorbij en dan kom je zo in het kantoor.

V1: Maar in ieder geval zegt u: “Ik wilde niet tekenen, ik wilde het nog even rustig bekijken”.

C: Ja.

V1: U heeft dat tegen hem gezegd. Hoe reageert hij daar dan op.

C: Boos. Het moest. Hij zei: Ja, je moet tekenen. Ik zei: “Ik moet niks”. Toen trok hij mij mee overeind en toen…met die benzine.

V1: Probeert u het zich goed te herinneren, stapje voor stapje.

C: Toen trok hij mij eigenlijk zo mee, van het bureau af. Toen stonden wij eigenlijk een beetje tussen het bureau, waar ik gezeten had, en de deur. Toen pakte hij die kan en toen gooide hij op de grond en toen stak hij het aan.

V1: U zegt: “Hij strooit benzine op de grond.”

C: Ja, het is een houten vloer.

V1: Waar strooit hij het op de grond?

C: Voor mijn voeten.

V1: Vervolgens, zegt u, steekt hij dat aan. Wat gebeurt er dan?

C: We vliegen alle twee in brand.

V1: U zei dat de deur naar de gang, dat die op slot was. Wanneer is die op slot gegaan?

C: Die heeft hij op slot gedaan meteen de eerste keer toen ik mee naar kantoor kwam.

V1: Toen heeft hij achter u de deur naar de gang dicht gedaan en op slot?

C: Ja.

V1: Hoe gaat die deur op slot?

C: Gewoon met de sleutel.

V1: Is die deur altijd op slot?

C: Nee nooit. Er zit ook nooit een sleutel op.”

9.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 2 december 2009, doorgenummerde pagina’s 167-208, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Met de letters Vd wordt in deze verslaglegging bedoeld, de verdachte.

Met de letter V2 wordt in deze verslaglegging bedoeld, verhoorster [verbalisant 9].

Vd: Op 6 februari 2010 zouden [slachtoffer] en ik 45 jaar getrouwd zijn.

Vd: Dat ik heel veel spijt heb. Want ik moet het gedaan hebben. Want [slachtoffer] heeft het niet gedaan.

V2: Maar ik ben er niet bij geweest.

Vd: Nee.. Ik geloof mijn vrouw.

V2: Wat gelooft u van haar verklaring?

Vd: Dat ik het huis in brand heb gestoken en dat zij daar ook bij in de brand is geraakt.

10.

Het (stam)proces-verbaal opgemaakt door de politieambtenaar [verbalisant 10] d.d.

27 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 8-35, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Bij het overdragen van [slachtoffer] van ambulance naar helikopter werden de sandalen van [slachtoffer] uit de helikopter gegooid, waarbij de piloot riep dat het de sandalen van [slachtoffer] waren. De sandalen zijn overgedragen aan medewerkers van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek.

In het Sint Elisabeth ziekenhuis te Tilburg werden door de aanwezige politieagenten de sandalen van de verdachte voor onderzoek in beslag genomen. De in beslag genomen kleding werd voor onderzoek overgedragen aan medewerkers van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek.

11.

Het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt door de politieambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] d.d. 26 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 26 mei 2009 is één paar sandalen afkomstig van verdachte in beslag genomen in het Sint Elisabeth ziekenhuis te Tilburg.

12.

Het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming opgemaakt door de politieambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] d.d. 26 mei 2009, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 26 mei 2009 is één paar sandalen van [slachtoffer] in beslag genomen.

13.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek opgemaakt door de politieambtenaren [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 13] d.d.

28 november 2009, doorgenummerde pagina’s 97-105, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Beschrijving situatie:

Het pand [adres] betreft het rechterdeel van een twee-onder-een-kap woning. Het pand is voorzien van een platdak en het bestaat uit twee bouwlagen.

De woonkamer van het pand besloeg de gehele voorzijde van het pand. Vanuit de woonkamer liep, in het midden van het pand, een gang naar de achterzijde. Deze gang deelde de etage in een linker- en een rechterdeel.

Achter de woonkamer lagen links van de gang (onder meer):

De hal, waar aan de voorzijde de trap vanaf de begane grond de eerste etage werd bereikt.

Een kantoor (N), met links daarvan een archiefruimte.

Op 27 mei 2009 werd door ons, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de brand.

Na bestudering van het brandbeeld werd door ons vastgesteld dat de brand moet zijn ontstaan aan de achterzijde van het pand en wel in kantoor N. Door ons werd deze plaats onderzocht. Tussen de brandresten werd door ons een geopende jerrycan aangetroffen. In de kluis werd onder meer een plastic insteekmap met een brief gevonden.

Schoenen slachtoffer [slachtoffer]

Op 27 mei 2009, ontving ik, verbalisant [verbalisant 3], uit handen van een medewerker van het tactisch onderzoeksteam een paar sandalen en een stel autosleutels. Door mij werd een sandaal en het stel autosleutels, conform het gestelde in FT-norm 100.03, in een glazen brandpot gedaan en veiliggesteld onder SIN AAAU1825NL, zegel AA35276.

Kleding verdachte [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte])

Op 27 mei 2009, ontving ik, verbalisant [verbalisant 2], uit handen van een medewerker van het tactisch onderzoeksteam de kleding van verdachte [verdachte]. De sandalen werden veiliggesteld onder SIN AABL3928NL, zegel AA35279.

14.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, op ambtseed opgemaakt door [deskundige] d.d.13 augustus 2009, doorgenummerde pagina’s 389 en 390, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

SIN Zegelnummer Conclusie

AAAU1825NL AA35276 Er is motorbenzine aangetoond

(sandaal en sleutels)

AABL3928NL AA35297 Er is motorbenzine aangetoond

(sandalen)

15.

Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de politieambtenaar [verbalisant 14] d.d. 27 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 36 en 37, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Door de collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 4], van de unit Forensisch Technisch Onderzoek werd op de eerste verdieping van het perceel [adres] te Waalwijk een kluis aangetroffen. De inhoud werd aan mij overgedragen. De inhoud van de kluis betrof (onder meer) een brief gedateerd 25 mei 2009 in een plastic insteekhoes.

16.

Een geschrift, zijnde een kopie van voornoemde brief van 25 mei 2009, doorgenummerde pagina 38, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Waalwijk 25 mei 2009

Waarde zoon en naamgenoot [zoon verdachte]

[…]

Je kunt nu alles erven, als er nog iets over is, succes ermee. Het gaat goed met je verdere leven. Voor mij heeft dit leven geen zin meer. Geen vrouw meer, mijn liefde voor haar kapot gemaakt, geen kinderen meer, geen kleinkinderen meer en sinds zaterdagavond ook geen familie meer van [slachtoffer][…]

Je vader

17.

Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de politieambtenaar

[verbalisant 16] d.d. 28 mei 2009, doorgenummerde pagina’s 323 en 324, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 26 mei 2010 werd ik, [verbalisant 16], op het terrein achter het pand dat toen in brand stond aan de [adres] te Waalwijk, aangesproken door een brandweerman, genaamd [naam]. Hij vertelde mij dat hij een mobiele telefoon had aangetroffen in de bosjes achter het pand. [naam] toonde mij een zilver/zwart gekleurde mobiele telefoon van het merk Nokia, type 6300. Ik, [verbalisant 16] heb de genoemde telefoon in ontvangst genomen.

18

Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de politieambtenaar

[verbalisant 15] d.d. 29 juli 2009, doorgenummerde pagina 325 voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 26 mei 2010 werd door een brandweerman, genaamd [naam], tijdens de bluswerkzaamheden een mobiele telefoon aangetroffen. Uit een ingesteld digitaal onderzoek is aan de aangetroffen mobiele telefoon werd vastgesteld dat deze telefoon afkomstig moest zijn van het slachtoffer [slachtoffer].

19.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] d.d.

5 oktober 2009, doorgenummerde pagina’s 403 en 404, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik ben als brandweercommandant werkzaam bij de brandweer Waalwijk. Op 26 mei 2009 was ik aanwezig bij een uitslaande brand aan de [adres] te Waalwijk.

Toen ik ter plaatse kwam, zag ik dat er brand was aan de achterzijde. Ik zag dat de brand toen ook al was uitgebroken op het dak van het belendend perceel nummer 411.

De brand was uitgebroken in de woning [adres]. Hiertegen was tevens een andere woning gesitueerd. Een doorslag van de brand via de muren was gezien het karakter van de brand reëel. In dit geval was sprake van overslag via het dak waardoor het dak en afvoer van perceel 411 aan het branden was.

20.

Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de politieambtenaar [verbalisant 15] d.d. 5 oktober 2009, doorgenummerde pagina’s 402, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 5 oktober 2009 sprak ik, verbalisant, met

[getuige 7], wonende te Waalwijk, [adres].

Tijdens dit gesprek gaf genoemde [getuige 7] aan dat ten gevolge van de brand in het pand [adres] zijn woning schade had opgelopen. De brand was via het dak aan de achterzijde van de buren overgeslagen naar zijn woning en achter in het pand had een gedeelte van het dak brandschade.

(Bewijs)Overwegingen

A.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bij gebrek aan voldoende voor het bewijs bruikbare bewijsmiddelen.

Daartoe heeft de verdediging aangevoerd, zakelijk weergegeven:

1

De ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van ambulancemedewerkers [getuige 1] en [getuige 2] dienen op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering van het bewijs te worden uitgesloten. Deze hulpverleners zijn niet gewezen op een hun toekomend verschoningsrecht, waardoor ten onrechte het beroepsgeheim van hen is doorbroken. Daarmee is een belangrijk (rechts)beginsel in aanzienlijke mate geschonden dat, omdat de verklaringen door een vormverzuim zijn verkregen, met zich brengt dat deze verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

2

De verklaringen van politieambtenaar [verbalisant 1], brandweermannen [getuige 3] en [getuige 4] en ambulancemedewerkers [getuige 1] en [getuige 2] dienen van het bewijs te worden uitgesloten, voor zover deze betrekking hebben op hetgeen [slachtoffer] en verdachte tegenover deze getuigen hebben verklaard. Wat [slachtoffer] en verdachte hebben verklaard is niet bruikbaar voor het bewijs, aangezien [slachtoffer] en verdachte op dat moment in zwaar gewonde en getraumatiseerde toestand verkeerden, dermate dat zij niet in staat waren tot het afleggen van een betrouwbare verklaring.

3

De overige ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer] en verdachte dienen van het bewijs te worden uitgesloten, nu deze onvoldoende betrouwbaar zijn omdat het niet meer mogelijk is om met terugwerkende kracht te onderscheiden of reconstrueren wat beiden zich daadwerkelijk zelf herinneren en wat afkomstig is van derden.

4

Wat verdachte tegenover de brandweermannen, ambulancemedewerkers en de politieambtenaar [verbalisant 1] heeft verklaard, is niet verklaard in een verhoorsituatie met bijstand van een advocaat en kan op grond van de zogenaamde Salduz jurisprudentie niet tot bewijs worden gebruikt.

Ad 1

Het hof stelt met de verdediging voorop dat ambulancepersoneel een (medisch) beroepsgeheim kent. Daarbij dient te worden genuanceerd, in die zin dat dat beroepsgeheim niet absoluut is en er omstandigheden kunnen zijn om dat beroepsgeheim te doorbreken. Het beroepsgeheim vindt in het justitiële opsporings- en vervolgingsveld zijn bescherming in een aan de geheimhouder toekomend verschoningsrecht, wat met zich mee kan brengen dat de geheimhouder in geval van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen, het recht heeft zich te verschonen ten aanzien van hetgeen aan hem als medisch hulpverlener is toevertrouwd.

Daargelaten of de betreffende ambulancemedewerkers zich in deze voorliggende situatie met vrucht konden beroepen op dit verschoningsrecht en daargelaten de vraag of in casu gesproken kan worden van informatie die aan de betrokkenen als medisch hulpverleners is toevertrouwd, brengt naar het oordeel van het hof geen rechtsregel met zich (zie onder meer Hoge Raad 20 augustus 2005, LJN: AT7091) dat opsporingsambtenaren verplicht zijn om personen die door hen als getuige worden gehoord of bevraagd uitdrukkelijk te wijzen op de onder omstandigheden bestaande mogelijkheid zich te verschonen van het beantwoorden van bepaalde aan hen gestelde vragen.

Daarbij komt dat ondanks dat aan hen mogelijk een verschoningsrecht toekwam [getuige 1] en [getuige 2] niet verplicht waren om daarvan gebruik te maken. Iedere verschoningsgerechtigde dient daarin immers een eigen belangenafweging te maken. Het hof kan niet anders dan vaststellen dat zowel [getuige 1] als [getuige 2] kennelijk geen noodzaak zagen zich te verschonen.

Naar het oordeel van het hof is er ten aanzien van de door de ambulancemedewerkers [getuige 1] en [getuige 2] geen sprake van onrechtmatige bewijsgaring noch van enig ander vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Ad 2

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat wat [slachtoffer] en verdachte tegen politieambtenaar [verbalisant 1], brandweermannen [getuige 3] en [getuige 4] en ambulancemedewerkers [getuige 1] en [getuige 2] hebben gezegd en/of verklaard bruikbaar is voor het bewijs.

Niet ontkend kan worden dat zowel [slachtoffer] als verdachte er op die momenten ernstig aan toe waren, maar dat enkele gegeven rechtvaardigt nog niet het oordeel dat dat wat zij in die (getraumatiseerde) toestand hebben gezegd per definitie onbetrouwbaar is. Daarbij is het hof in deze van oordeel dat wat [slachtoffer] en verdachte direct na de traumatische gebeurtenis ten overstaan van de hulpverleners en verbalisant [verbalisant 1] hebben afgelegd op diverse onderdelen steun vindt in objectieve bewijsmiddelen, te weten:

- [slachtoffer] heeft tegen verbalisant [verbalisant 1] (6) en ambulancemedewerker [getuige 2] (2) meerdere keren verklaard dat “haar man haar heeft overgoten met benzine en vervolgens in de brand heeft gestoken”.

Deze verklaring wordt ondersteund door de objectieve omstandigheden dat [slachtoffer] is aangetroffen terwijl zij over haar gehele lichaam en gezicht was verbrand (1, 2, 4 en 5) en er motorbenzine is aangetroffen op een sandaal van [slachtoffer] en op een sandaal van verdachte (10 tot en met 14).

- [slachtoffer] heeft tegen verbalisant [verbalisant 1] (6) en ambulancemedewerkers [getuige 2] (2) en [getuige 1] (1) verklaard dat haar man “ook het huis in de brand heeft gestoken”. Verdachte heeft tegen brandweermannen [getuige 3] (3) en [getuige 4] (4) verklaard dat hij “de boel heeft aangestoken” en tegen verbalisant [verbalisant 1] (6) dat hij “ook het huis in brand heeft gestoken”.

Deze verklaringen worden ondersteund door de objectieve omstandigheden dat de woning aan de [adres] te Waalwijk brandend is aangetroffen (onder andere 1, 5 en 19) en dat er motorbenzine is aangetroffen op een sandaal van [slachtoffer] en op een sandaal van verdachte (10 tot en met 14).

- Verdachte heeft tegen brandweermannen [getuige 3] (3) en [getuige 4] (4) verklaard dat op de eerste etage een afscheidsbrief zou liggen.

Deze verklaring wordt ondersteund door de objectieve omstandigheid dat op de eerste etage een brief gedateerd 25 mei 2009 is gevonden (13, 15 en 16).

Ad 3

Het hof heeft tijdens de beraadslaging geen reden gevonden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen [slachtoffer] op 4 augustus 2009 en 11 augustus 2009 ten overstaan van de politie heeft afgelegd en de (gedeeltelijke) bevestiging van die verklaring door verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 2 december 2009. Gelijk hiervoor ad 2 is overwogen vinden naar het oordeel van het hof ook voornoemde verklaringen van [slachtoffer] steun in objectieve bewijsmiddelen, te weten: :

- [slachtoffer] heeft verklaard (7 en 8) dat zij met verdachte naar zijn kantoor is gelopen en daar de brand is ontstaan.

Deze verklaring wordt ondersteund door de objectieve omstandigheid dat het Team Forensisch Technische Opsporing, na bestudering van het brandbeeld, heeft geconcludeerd dat de brand moet zijn ontstaan in het kantoor van verdachte dan wel de directe nabijheid daarvan (13).

- [slachtoffer] heeft verklaard (7 en 8) dat verdachte de inhoud van een kan over de vloer heeft gegooid en vervolgens de brand is ontstaan.

Deze verklaring wordt ondersteund door de objectieve omstandigheid dat tussen de brandresten in het kantoor van verdachte een jerrycan is aangetroffen (13).

- [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte de toegangsdeur tot het kantoor heeft afgesloten met een sleutel (7 en 8).

Deze verklaringen wordt ondersteund door het gegeven dat brandweerman [getuige 5] op de eerste etage een gesloten deur heeft aangetroffen, een deur waarachter rook en vuur was en via welke weg toegang tot de zich op het dakterras bevindende verdachte had kunnen worden verkregen (5).

- [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar telefoon pakte en die naar buiten gooide (7).

Deze verklaring wordt ondersteund door het gegeven dat verbalisant [verbalisant 16] relateert (17) dat brandweerman [naam] een mobiele telefoon had aangetroffen in de bosjes achter het pand en dat uit het door verbalisant

[verbalisant 15] (18) bedoelde onderzoek volgt dat die telefoon van [slachtoffer] was.

Het feit dat [slachtoffer] zich bepaalde delen van de gebeurtenissen niet meer (correct) kan herinneren, maakt naar het oordeel van het hof de verklaringen, voor zover voor bewijs gebezigd, niet onbetrouwbaar.

Ad 4

Het hof heeft, onder verwijzing naar hetgeen hierboven reeds onder ad 2 is overwogen, geen reden om te twijfelen aan wat verdachte tegen de politieambtenaar [verbalisant 1] en de brandweermannen [getuige 3] en [getuige 4] heeft gezegd en/of verklaard. Dat één en ander op grond van de Salduz-jurisprudentie niet voor het bewijs zou mogen worden gebezigd, snijdt naar het oordeel van het hof daarbij geen hout.

Ten eerste ziet die jurisprudentie niet op verklaringen/woorden die door een (latere) verdachte tegenover niet-opsporingsambtenaren (brandweermannen) worden afgelegd/gesproken en is het in de jurisprudentie bedoelde consultatierecht eerst van toepassing nadat een verdachte is aangehouden, een omstandigheid waarvan in het geval van de politieambtenaar [verbalisant 1] nog geen sprake was.

Uit wat hierboven ad 1 tot en met ad 4 is overwogen, volgt dat het hof het onder A bedoelde verweer in al zijn onderdelen verwerpt.

B

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, waartoe is aangevoerd dat verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat op grond van bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte handelde vanuit een plan, waardoor de mogelijkheid aanwezig blijft dat hij heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Voorts is geen sprake van voorbedachte raad, omdat bij verdachte ten tijde van de hem verweten gedragingen ieder redelijk inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken.

Het hof volgt de verdediging niet.

Het hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in het bijzonder de hiervoor (in verbatim) weergegeven verklaringen van [slachtoffer] van 4 augustus 2009 en

11 augustus 2009, de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft op 26 mei 2009 [slachtoffer] gebeld en haar verzocht om naar zijn woning aan de [adres] te Waalwijk te komen om een document te ondertekenen. [slachtoffer] is die dag naar de woning gegaan en heeft verdachte in de hal op de eerste verdieping ontmoet. [slachtoffer] heeft daar erop aangedrongen dat zij het document in de hal wilde ondertekenen. Verdachte stond er echter op dat [slachtoffer] meeging naar zijn kantoor aan de achterzijde van de eerste verdieping. Bij binnenkomst in het kantoor heeft verdachte de deur van het kantoor achter zich op slot gedaan. Toen [slachtoffer] reageerde door aan te geven te willen bellen en daartoe haar mobiele telefoon pakte, heeft verdachte haar telefoon echter afgepakt en deze weggegooid. Daarna heeft verdachte een jerrycan met benzine, die op dat moment in zijn kantoorruimte stond, gepakt. Verdachte heeft toen voor de voeten van [slachtoffer] benzine over de houten vloer gegooid en vervolgens de benzine aangestoken.

Uit deze gang van zaken volgt naar het oordeel van het hof dat de poging tot levensberoving niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat verdachte planmatig heeft gehandeld. Daarbij acht het hof met name van belang dat [slachtoffer] doelbewust is meegenomen naar het kantoor van verdachte alwaar zich op dat moment de jerrycan met benzine bevond. Verdachte heeft vervolgens een kamerdeur afgesloten, haar mobiele telefoon weggegooid, de jerrycan ter hand genomen, benzine over de vloer gegooid en vervolgens de benzine aangestoken.

Dat verdachte geen tijd en mogelijkheid heeft gehad om zich te beraden over het voorgenomen besluit omdat hem - gelet op zijn psychische gesteldheid ten tijde van de hem verweten gedragingen - ieder redelijk inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, volgt het hof niet. Naar het oordeel van het hof sluit een verminderde toerekeningsvatbaarheid de aanwezigheid van voorbedachte raad immers niet uit. Los van de vraag of en in welke mate dat handelen hem kan worden verweten, kan een verminderd toerekeningsvatbare of geheel ontoerekeningsvatbare dader ook planmatig handelen. Naar het oordeel van het hof is dit in casu ook gebeurd. De feiten en omstandigheden die omtrent de persoon van verdachte uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting naar voren komen, hebben het hof geen aanleiding gegeven hieromtrent een ander oordeel te vormen.

Het hof verwerpt het onder B bedoelde verweer in al zijn onderdelen.

C.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, aangezien het vereiste opzet en het causale verband tussen de handelingen van verdachte en het ontstaan van de brand ontbreken.

Het hof verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van het hof wordt dit verweer weerlegd door de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen onder 1 tot en met 4 en 6 tot en met 8.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 26 mei 2009 te Waalwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] (zijn, verdachtes, echtgenote) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg op zeer korte afstand van die [slachtoffer] motorbenzine op de vloer heeft gegoten en vervolgens die motorbenzine heeft aangestoken waardoor die [slachtoffer] vlam vatte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 mei 2009 te Waalwijk opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk motorbenzine op de vloer gegoten en vervolgens die motorbenzine aangestoken ten gevolge waarvan de vloer is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en een omliggende woning te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van psychische overmacht Daartoe is aangevoerd dat verdachte heeft geleden onder zogenoemde ‘life-events’, te weten grote financiële verliezen die hij in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten heeft geleden, het slepende (juridische) conflict met [bedrijf 1], de naderende scheiding van zijn echtgenote en de conflicten met zijn zoon en dochter. Deze omstandigheden - in combinatie bezien met zijn persoonlijkheidsstoornis(sen) - hebben geleid tot een zodanige druk en machteloosheid dat de wilsvrijheid van verdachte werd aangetast en van hem redelijkerwijs niet te vergen viel dat hij weerstand bood aan de druk van deze omstandigheden.

Het hof is van oordeel dat een beroep op psychische overmacht pas kan slagen indien sprake is van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Het hof acht met de verdediging aannemelijk dat de hierboven genoemde, elkaar opvolgende en deels aanvullende, gebeurtenissen in zijn leven een zekere psychische druk op verdachte hebben gelegd. Maar naar het oordeel van het hof kunnen deze omstandigheden - afzonderlijk dan wel in samenhang met elkaar en in samenhang met de bij verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis - echter niet worden aangemerkt als een

van buiten komende drang als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht.

Feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden zijn niet gesteld en het hof ook anderszins niet gebleken.

Het hof verwerpt het verweer.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Over de persoon van verdachte hebben meerdere gedragsdeskundigen gerapporteerd en er zijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gedragsdeskundigen ter terechtzitting gehoord. Op grond van de onderzoeksbevindingen van met name C.T.H.M. Salet en A.C. Bruijns, respectievelijk GZ-psycholoog en psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum en prof. dr. C. de Ruiter, klinisch psycholoog BIG en forensisch psycholoog, volgt het hof de deskundigen dat op het moment dat hij de bewezen verklaarde feiten beging, verdachte in ieder geval lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Daarbij is het hof van oordeel dat op grond van die stoornis en de overige onderzoeksbevindingen van genoemde deskundigen de bewezen verklaarde feiten verdachte niet volledig, maar in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof hecht er in dit verband aan op te merken dat het de opgeworpen vraag of verdachte naast bovengenoemde kenmerken ook lijdende is aan het syndroom van Asperger buiten beoordeling laat, gelet op de discussie die ter terechtzitting in hoger beroep tussen de aldaar gehoorde deskundigen is gevoerd. Het hof is van oordeel dat de aan- of afwezigheid van dat syndroom bij verdachte in dit geval geen gevolgen heeft voor de mate van toerekenbaarheid.

Op te leggen straf

Bij de vraag welke straf dient te worden opgelegd, heeft het hof gelet op alle van belang zijnde aspecten: de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en ook de gevolgen die het begaan van dergelijke feiten voor het slachtoffer in het bijzonder en de samenleving in het algemeen hebben.

Verdachte heeft op 26 mei 2009 geprobeerd om zijn toenmalige echtgenote [slachtoffer] te vermoorden. Hij heeft dat gedaan door haar en de ruimte waarin zij zich op dat moment met hem bevond in brand te steken.

[slachtoffer] heeft deze aanslag op haar leven overleefd, maar heeft ernstige brandwonden in haar gelaat en vrijwel over haar gehele lichaam opgelopen. Zij is voor haar leven getekend en moet tot op de dag van vandaag geopereerd worden aan en behandeld worden voor haar brandwonden. Ze zal - letterlijk - haar hele leven geconfronteerd worden met de onomkeerbare gevolgen van de handelwijze van verdachte. Naast dit fysieke leed heeft verdachte ook veel psychisch leed bij [slachtoffer] teweeg gebracht, zoals door haar nader is verwoord met onder meer de door haar ter terechtzitting in hoger beroep uitgesproken slachtofferverklaring. Verdachte heeft [slachtoffer] in een situatie gebracht die uitermate beangstigend moet zijn geweest en waaraan zij nog regelmatig herbelevingen heeft. Ook voor de directe omgeving van het slachtoffer, waaronder met name haar kinderen, heeft deze daad grote gevolgen.

Daarnaast heeft te gelden dat, meer in het algemeen, de bewezen verklaarde feiten de rechtsorde schokken en bijdragen aan het ontstaan en in stand houden van in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank heeft verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar. De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf van 12 jaar gevorderd en de verdediging heeft verzocht de straf te beperken tot de duur van het voorarrest.

Gelet op de ernst van de feiten (poging tot moord en brandstichting) en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 15 jaar in beginsel als passend zou kunnen worden beschouwd.

Het hof komt echter tot een mildere strafoplegging. Daartoe heeft het hof in de eerste plaats rekening gehouden met de hierboven al weergegeven vaststelling door het hof dat de feiten verdachte verminderd zijn toe te rekenen. In de tweede plaats heeft het hof rekening gehouden met de leeftijd van verdachte en het gegeven dat ook hij brandwonden heeft opgelopen en op die manier ook de rest van zijn leven aan zijn eigen handelen zal worden herinnerd. In de derde plaats heeft het hof rekening gehouden met het feit dat aannemelijk is dat de breuk tussen verdachte en zijn gezin inmiddels definitief is. Tenslotte heeft het hof rekening gehouden met het gegeven dat er in de hoger beroepsfase sprake is van, zoals de verdediging heeft aangevoerd, een schending van de redelijke termijn. Verdachte heeft immers bij akte van 13 juli 2010 hoger beroep ingesteld en het eindarrest in hoger beroep wordt gewezen op 8 maart 2012. Met de verdediging stelt het hof vast dat, uitgaande van de door de Hoge Raad vastgestelde berechtingstermijn van zestien maanden, de termijn is overschreden met bijna vier maanden, welke overschrijding in de ogen van het hof niet wordt gerechtvaardigd door de bijzondere ingewikkeldheid van de zaak of de procesopstelling van verdachte.

Alles overziende - daarbij er van uitgaande dat op grond van de hierboven weergegeven termijnoverschrijding een korting wordt toegepast van 7 maanden (4% van 15 jaar) - is het hof van oordeel dat veroordeling tot de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 12 jaar passend en geboden is. Dit impliceert dat het hof tevens van oordeel is dat niet met de door de verdediging voorgestane strafoplegging kan worden volstaan, zodat het verzoek om de straf te beperken tot de duur van het voorarrest wordt afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 20.000,00, vanwege immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank niet van eenvoudige aard was. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Gelet op de aard en de impact van het bewezenverklaarde, waarvoor verdachte wordt veroordeeld, acht het hof het redelijk en billijk om deze schade te begroten op het door [slachtoffer] gevorderde bedrag, te verhogen met de wettelijke rente. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, ziet het hof aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van vrijheidsberoving is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.J. van der Kaaden, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 8 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.