Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6972

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
HD 200.089.174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet. . . . . .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.089.174

arrest van de achtste kamer van 21 februari 2012

in de zaak van

PHILIPS LIGHTING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. L.V. Claassens,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K. Zeylmaker,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 juni 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda, team kanton Bergen op Zoom, gewezen vonnis in kort geding van 25 mei 2011 tussen appellante - Philips - als gedaagde en geïntimeerde - [geintimeerde] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 658665 VV EXPL 11-56)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Philips, onder overlegging van één productie, tien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [geintimeerde], alsmede tot veroordeling van [geintimeerde] tot terugbetaling van hetgeen Philips krachtens het vonnis waarvan beroep aan hem heeft voldaan en veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Philips heeft vervolgens een akte (uitlating omtrent comparitie na aanbrengen) genomen.

2.4. Partijen hebben daarna hun zaak schriftelijk bepleit. Ten slotte hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

Een aantal grieven (II, III, IV,V en VII) is (direct dan wel indirect) gericht tegen overwegingen en/of oordelen van de kantonrechter in de ontbindingsbeschikking van 25 mei 2011. In het kort geding vonnis waarvan beroep wordt naar deze ontbindingsbeschikking, waarvan een kopie aan het vonnis waarvan beroep is gehecht, verwezen. Philips heeft aangegeven dat het uitdrukkelijk niet haar bedoeling is te appelleren van de beschikking.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1. [geintimeerde], geboren [geboortedatum] 1961, is op 1 januari 1984 voor onbepaalde tijd, voor 40 uur per week, in dienst getreden van Philips en vervult sinds 1990 de functie van heftruckchauffeur op de vestiging te [vestigingsplaats]. Zijn laatstverdiende vaste salaris bedroeg (volgens de niet betwiste stelling van [geintimeerde]) € 2.871,86 bruto per maand.

4.1.2. In de nacht van dinsdag 22 op woensdag 23 maart 2011 had [geintimeerde] dienst.

Tijdens deze nachtdienst heeft een Security Officer, de heer [Y.], om ongeveer 23.50 uur [geintimeerde] er op aangesproken dat hij had gezien dat [geintimeerde] bij de besturingskasten van de CMP-2 (hof: een machine) in hal AH (hof: hierna 'de hal') een elektriciteitskabel aan het lostrekken was. [Y.] heeft van het voorval rapport opgemaakt en hierover een aanvullende schriftelijke verklaring opgesteld (productie 6 bij verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst).

Vervolgens is [geintimeerde] om 0.30 uur (derhalve op 23 maart 2011) gehoord door de heer [Z.], Group Leader Security. Van dit verhoor is rapport opgemaakt (productie 7 bij verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst).

4.1.3. Op 23 maart 2011 heeft ’s middags een bespreking plaatsgevonden waarbij aanwezig waren mevrouw [A.] (HR manager Philips), de heer [B.] (Manager Operations Philips), [geintimeerde] en zijn echtgenote. Tijdens deze bespreking is [geintimeerde] op non-actief gesteld. Dit is aan hem bevestigd bij brief van 23 maart 2011 (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg).

4.1.4. Philips heeft [geintimeerde] op 28 maart 2011 op staande voet ontslagen, welk ontslag diezelfde dag bij brief aan [geintimeerde] is bevestigd (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg).

De ontslagbrief luidt, voor zover relevant:

“(…)

Op dinsdag 22 maart jl. had u nachtdienst. Rond 23.50 uur bent u door een beveiliger van Philips aangetroffen bij de CMP-2 in hal AH. (…)

Op het moment dat de beveiliger u aantrof, was u bezig met het lostrekken van elektriciteitskabels uit een besturingskast. Daarbij werd door u geweld gebruikt. (…)

Gelet op het feit dat er van de vestiging koper verdwijnt, u voor uw werkzaamheden niet op de locatie diende te zijn waar de besturingskasten zich bevinden, u niets te zoeken had in de oude besturingskasten, u uw heftruck verdekt had opgesteld, u heeft toegegeven de kabels te hebben vernield en u twee verschillende verklaringen heeft gegeven voor uw gedrag, welke inconsistent en ongeloofwaardig zijn, kunnen wij geen andere conclusie trekken dan dat u bezig was met het verwijderen van de elektriciteitskabels om het zich daarin bevindende koper eruit te halen. Dit is de enige logische verklaring voor uw handelen.

(…)

Gedurende uw dienstverband bij Philips bent u meerdere malen aangesproken op uw gedrag en heeft u diverse officiële waarschuwingen ontvangen en bent u meerdere malen geschorst.

Het voorval op 22 maart jl. vormt zowel op zichzelf bezien, als in combinatie met de waarschuwingen en schorsingen uit het verleden, een dringende reden zoals bedoeld in de artikel 7:677 en 678 BW. Om deze reden berichten wij u dat u met onmiddellijke ingang op staande voet bent ontslagen. Uw gedrag kan absoluut niet door de beugel en wij hebben als gevolg daarvan alle vertrouwen in u verloren. Dit klemt temeer nu u als nachtdienstmedewerker een grote(re) mate van zelfstandigheid heeft, welke verantwoordelijkheid u kennelijk niet aankunt.

(…)”

4.1.5. Bij brief van 31 maart 2011 heeft de gemachtigde van [geintimeerde] de nietigheid van het gegeven ontslag ingeroepen, meegedeeld dat [geintimeerde] bereid was de bedongen arbeid te verrichten en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg).

4.2. [geintimeerde] heeft Philips in kort geding gedagvaard. Hij heeft in rechte gevorderd -zakelijk weergegeven- hem tot zijn reguliere werkzaamheden toe te laten, op straffe van een dwangsom, en Philips te veroordelen tot doorbetaling van loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 535,50, een en ander met veroordeling van Philips in de proceskosten.

Daarnaast heeft hij verstrekking van deugdelijke bruto/netto specificaties gevorderd, op straffe van een dwangsom.

4.3. Nadat, gelijktijdig met de behandeling van het door Philips ingestelde voorwaardelijk verzoek tot ontbinding, een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden heeft de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde voorlopige voorziening, [geintimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie en voorts Philips veroordeeld om [geintimeerde] toe te laten tot zijn reguliere werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag, en tot betaling van het achterstallig salaris ad € 3.400,02 bruto over de periode 28 maart 2011 tot 1 mei 2011 te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10 % en tot betaling van het salaris ad € 2.871,86 bruto per maand, te vermeerderen met emolumenten, vanaf 1 mei 2011 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Over de veroordelingen tot loonbetaling is de wettelijke rente toegewezen. De kantonrechter heeft Philips in de proceskosten veroordeeld.

4.4. Philips is tegen dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen.

4.5. Philips stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat het ontslag op staande voet in een eventueel te voeren bodemprocedure stand zal houden. Aan het ontslag op staande voet legt zij ten grondslag, kort gezegd, het handelen van [geintimeerde] op 22 maart 2011 op zichzelf bezien, althans in combinatie met de waarschuwingen en een schorsing uit het verleden.

Zij wijst ter zake van het voorval van 22 maart 2011 op een aantal omstandigheden die zij mede ten grondslag legt aan het ontslag op staande voet.

- Philips heeft moeten constateren dat in de periode voorafgaand aan 22 maart 2011 koper van de vestiging in Roosendaal, die destijds langzaam afgebouwd werd, verdween.

- De hal van het voorval op 22 maart 2011 werd niet meer gebruikt, anders dan door heftruckchauffeurs om van de ene naar de andere hal te komen. De gedeelten van de hal die zijn gelegen buiten het middels zwarte en gele lijnen gemarkeerde heftruckpad zijn verboden terrein voor de heftruckchauffeurs.

- [geintimeerde] hoefde in de nacht van 22 op 23 maart 2011 voor zijn werkzaamheden helemaal niet op de locatie te zijn waar de besturingskasten zich bevinden en had niets te zoeken in de oude besturingskast. Hij heeft zich de moeite getroost om, met zijn heftruck (niet lopend), van het heftruckpad af te wijken en een heftruckvrije zone in te rijden waarbij hij obstakels diende te omzeilen om bij de besturingskast te komen.

- [geintimeerde] heeft er alles aan gedaan om de kans op ontdekking zo klein mogelijk te maken.

De hal was schemerig. Hij heeft zijn heftruck bewust verdekt geparkeerd.

- [geintimeerde] heeft met geweld kabels uit een besturingskast losgetrokken en vernield,

- De verklaringen van [geintimeerde] over het voorval zijn inconsistent, inhoudelijk tegenstrijdig, althans niet van gelijke strekking, en ongeloofwaardig.

In verband met deze omstandigheden is de enige logische verklaring voor het handelen van [geintimeerde] in de nacht van 22 op 23 maart 2011, volgens Philips, dat het hem om het koper in de kabels te doen was. Dat dit aannemelijk is volgt ook uit het feit dat [geintimeerde] in het verleden al eens van Philips houten blokjes heeft gestolen en dit ook heeft erkend. Dat sprake is van een dringende reden geldt volgens Philips te meer nu [geintimeerde], als nachtdienstmedewerker, een grotere mate van zelfstandigheid heeft omdat er minder controle door de werkgever is. [geintimeerde] heeft deze omstandigheid en dit vertrouwen misbruikt.

Een en ander is volgens Philips voldoende om aannemelijk te achten dat in een eventuele bodemprocedure de aanwezigheid van een dringende reden zal worden bevestigd, althans voldoende om op z'n minst te twijfelen aan de vraag of het aannemelijk is dat de vorderingen van [geintimeerde] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Volgens Philips is het gevolg hiervan dat de vorderingen van [geintimeerde] afgewezen moeten worden.

4.6. [geintimeerde] betwist dat sprake is van een dringende reden die zijn ontslag op staande voet rechtvaardigt.

Hij stelt van het verdwijnen van koper van de vestiging in Roosendaal niet op de hoogte te zijn geweest tot de nacht van 22 op 23 maart 2011.

Zijn weergave van de gang van zaken op 22 maart 2011 is als volgt. Die nacht moest hij voor zijn werk door de bewuste hal rijden. Die hal is 24 uur per dag vol verlicht. Het was niet druk en de werkzaamheden lieten het toe dat hij even kon gaan kijken hoe de afbraak van de CMP-2 groep vorderde. Hij is van het gemarkeerde pad afgeweken. Hij kon moeiteloos door de zo goed als lege hal rijden. Hij heeft zijn heftruck naast de machine geparkeerd en zag toen kabels liggen. Hij is er naartoe gelopen om te kijken waar ze vandaan kwamen en om ze op te ruimen. Hij heeft vervolgens zonder geweld, losjes aan de kabel, die met een tie-wrap aan andere kabels vast zat, getrokken. De kabel zat niet in of aan de besturingskast vast. Hij heeft niets uit die kast losgetrokken of vernield. Hij wist niet dat de kabels koper bevatten. Toen hij de kabel vast had, kwam de heer [Y.], die hem aansprak, vroeg wat hij aan het doen was en hem direct beschuldigde van koperdiefstal. Tegenover de heer [Y.] heeft hij geen verklaring afgelegd. Vervolgens is hij weer aan het werk gegaan. Kort daarop heeft hij een gesprek gehad met de heer [Z.] (Hoofd Beveiliging) en een verklaring afgelegd. In het gesprek op 23 maart 2011 is hij bij deze verklaring gebleven. De door Philips gegeven verklaring voor het handelen van [geintimeerde], namelijk dat het hem om het koper in de kabels te doen was, is onjuist, en wordt niet door feiten of enig bewijsmateriaal ondersteund.

Philips heeft [geintimeerde] op onjuiste gronden ontslagen en geen oor gehad voor de uitleg van [geintimeerde].

Philips heeft geen dringende reden gehad die een ontslag op staande voet hebben gerechtvaardigd, noch op zichzelf, noch in combinatie met zaken uit het verleden. Hierbij heeft [geintimeerde] opgemerkt dat in de ontslagbrief niet inzichtelijk is gemaakt op welke waarschuwingen en schorsingen werd gedoeld en dat dit pas in de procedure aan de orde is gekomen. Over het mee naar huis nemen van houtblokjes stelt [geintimeerde] daarvoor toestemming te hebben gehad, zodat van diefstal geen sprake was.

Voorts heeft [geintimeerde] nog gewezen op zijn lange dienstverband, zijn uitsluitend positieve functioneringsgesprekken in de laatste vijf jaren heeft gehad en op de verstrekkende gevolgen van het ontslag op staande voet voor hem en zijn gezin.

4.7. Het hof oordeelt als volgt.

4.7.1. Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 25 mei 2011. Dat in het petitum van de memorie van grieven het vonnis van 25 januari 2011 wordt genoemd, berust kennelijk op een verschrijving. Anders dan [geintimeerde] betoogt, staat dit, naar het oordeel van het hof, niet in de weg aan de ontvankelijkheid van Philips in het hoger beroep.

4.7.2. De door [geintimeerde] gevraagde voorziening betreft onder meer wedertewerkstelling en loondoorbetaling. Gelet op de aard van deze vorderingen acht het hof deze vorderingen ook in hoger beroep spoedeisend.

4.7.3. Het hof stelt voorop dat voor ligt de vraag of voldoende waarschijnlijk is dat de vorderingen van [geintimeerde], die gegrond zijn op de betwisting van de door Philips aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden, in een bodemzaak zullen worden toegewezen.

4.7.4. Het hof stelt daarnaast het volgende voorop. Op grond van artikel 7:678, eerste lid, BW worden als dringende redenen in de zin van het eerste lid van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vgl. onder meer HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643).

4.7.5. In voldoende mate staat vast dat [geintimeerde] in de nacht van 22 op 23 maart 2011 is aangetroffen in de hal bij de besturingskast van de MCP-2 groep en dat hij toen daar heeft getrokken aan een elektriciteitskabel. De omstandigheden waaronder dit is gebeurd zijn relevant in het kader van de beoordeling van het gegeven ontslag. Ten aanzien van de door Philips gestelde omstandigheden overweegt het hof het volgende.

[geintimeerde] heeft erkend dat, gezien de veiligheidsmaatregelen, heftruckchauffeurs geacht worden om met hun heftruck op het gemarkeerde pad door de hal te rijden. Voorshands gaat het hof er van uit dat [geintimeerde] derhalve in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden niet op de locatie behoefde te zijn waar de besturingskasten zich bevinden. Voor het feit dat hij daar toch was, heeft [geintimeerde] als verklaring gegeven dat hij, zoals hij en andere collega’s wel vaker deden, wilde kijken naar de voortgang van de afbraak van de CMP-2 groep, zodat hij daar in zoverre wel iets te zoeken had. Dat Philips die verklaring onlogisch vindt en dat zij niet op de hoogte is van een dergelijke belangstelling van haar werknemers, acht het hof voorshands onvoldoende om aan de uitleg van [geintimeerde] voorbij te gaan.

Gelet op de betwisting ervan door [geintimeerde] is niet vast te stellen dat hij om bij de CMP-2 groep te komen met zijn heftruck om allerlei obstakels heen heeft moeten manoeuvreren. Hetgeen Philips hierover stelt wordt niet ondersteund door de overgelegde foto’s van de hal.

Van de gestelde omstandigheid dat [geintimeerde] zijn heftruck bewust verdekt opgesteld heeft, gaat het hof vooralsnog niet uit. [geintimeerde] stelt de heftruck te hebben geparkeerd naast de machine. In het door de heer [Y.] direct na het voorval opgemaakte rapport staat over het verdekt opstellen van de heftruck niets. Eerst in de schriftelijke verklaring van de heer [Y.] van 1 april 2011 staat vermeld dat de heftruck vrijwel onzichtbaar geparkeerd stond in een inham van de CMP-2. Tegenover de betwisting door [geintimeerde] is dit onvoldoende om aannemelijk te achten dat [geintimeerde] zijn heftruck bewust uit het zicht heeft willen houden.

Dat [geintimeerde] bij het lostrekken van de kabel enige mate van geweld heeft gebruikt acht het hof voldoende aannemelijk. Allereerst is dit door de heer [Y.] blijkens zijn rapport geconstateerd. Bovendien zal het lostrekken van een kabel uit een bundel kabels, zoals door [geintimeerde] beschreven, naar het oordeel van het hof, ook bepaalde kracht vergen. [geintimeerde] betwist overigens dat de kabels uit de besturingskast zijn losgetrokken. De verklaringen van de heer [Y.] geven op dit punt geen uitsluitsel.

Van een tegenover de heer [Y.] afgelegde verklaring van [geintimeerde] is geen sprake. Het rapport vermeldt slechts dat [geintimeerde] geen duidelijke verklaring heeft gegeven voor het lostrekken van de kabel. Blijkens de inhoud van de aanvullende verklaring van de heer [Y.] heeft [geintimeerde] in reactie op een vraag hierover alleen gewezen op een schakelaar. De weergave in de ontslagbrief van wat [geintimeerde] tegen de heer [Y.] heeft gezegd sluit niet aan bij de inhoud van het rapport en de aanvullende verklaring.

Tegenover de heer [Z.] heeft [geintimeerde] in eerste instantie gesproken van ‘van de vloer pakken’. Het hof constateert dat onduidelijk is wat [geintimeerde] tegenover de heer [Z.] vervolgens exact heeft verklaard, maar dat de heer [Z.] dat heeft geïnterpreteerd als ‘toegeven dat hij de kabels aan het lostrekken was’. Dat die verklaringen tegenstrijdig zijn en niet geloofwaardig overkomen is een beoordeling van de heer [Z.]. Het hof gaat daar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in mee.

De incidenten uit het verleden, waarnaar in de ontslagbrief wordt verwezen, hebben deels betrekking op te laat komen (waarschuwing in 1984), te vroeg van het werk vertrekken (schorsing in 1985), het niet dragen van een veiligheidsbril (waarschuwingen in 1996 en 2006) en het roepen van een naam naar een collega (waarschuwing in 2007). De aard van deze incidenten is zodanig anders dan de aard van het voorval van 22 maart 2011 dat hieraan voor de ontslaggrond onvoldoende betekenis kan worden gehecht. Mede in aanmerking is genomen dat de meeste van deze incidenten lang geleden hebben gespeeld. Een incident in 2009 kwalificeert Philips als diefstal. In een gesprek op 12 januari 2009 heeft Philips aangegeven niet te willen dat [geintimeerde] (afval)houtblokjes mee naar huis nam. Volgens [geintimeerde] had hij dat gedaan om een mal te maken, waarvoor hij van Philips opdracht had gekregen. Hij had hiervoor toestemming. Hij had niet de intentie zich ten laste van een ander te verrijken. Van diefstal was volgens [geintimeerde] dan ook geen sprake. Wat hiervan zij, Philips heeft een en ander destijds met alleen een gesprek afgedaan.

Op grond van bovenstaande stelt het hof vast dat het merendeel van de omstandigheden die Philips blijkens de ontslagbrief mede ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag in onderhavige procedure onvoldoende zijn komen vast te staan. Het hof deelt de visie van Philips, dat de enige logische verklaring voor het handelen van [geintimeerde] is dat hij bezig was om de kabels los te trekken om daaruit het koper te verwijderen, gelet op de uitleg die [geintimeerde] voor zijn handelen heeft gegeven, niet. Ook niet indien het voorval van 22 maart 2011 wordt bezien in het licht van de eerdere incidenten, waaronder in het bijzonder het meenemen van de houtblokjes.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [geintimeerde] de intentie heeft gehad om het koper uit de kabel te stelen. Dat de verklaring van [geintimeerde] voor zijn handelen, te weten dat hij de kabels wilde oprapen dan wel opruimen, niet geheel overtuigend is, doet aan dit oordeel niet af.

Onder de bijzondere omstandigheden van deze zaak, waaronder ook de persoonlijke omstandigheden van [geintimeerde] en het lange dienstverband, kon, naar het voorlopig oordeel van het hof, van Philips worden gevergd het dienstverband tussen haar en [geintimeerde] te laten voortduren ondanks het voorval op 22 maart 2012. Voor zover Philips het vermoeden van een poging tot diefstal had en zij om die reden minder vertrouwen in [geintimeerde] had, had zij eventueel andere maatregelen kunnen nemen.

4.7.6. In het kader van dit kort geding oordeelt het hof voorshands dat voldoende waarschijnlijk is dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat, bezien onder de bijzondere omstandigheden van het geval, het handelen van [geintimeerde] op 22 maart 2011 (afzonderlijk) geen dringende reden oplevert, zodat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd is gegeven. Dit geldt evenzeer indien bij een en ander de eerdere schorsing van en de waarschuwingen aan [geintimeerde] worden betrokken.

Voorshands is derhalve voldoende waarschijnlijk dat de vorderingen van [geintimeerde] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen.

4.7.7. De grieven I tot en met VIII treffen geen doel. De vorderingen van [geintimeerde], waaronder de veroordeling van Philips in de proceskosten, zijn door de kantonrechter terecht toegewezen. Ook grief X faalt.

4.8. In de toelichting op grief IX betoogt Philips dat de wettelijke verhoging dient te worden gematigd tot nihil, althans 5%. Het hof ziet in de bijzondere omstandigheden van deze zaak hiertoe geen aanleiding. De matiging als door de kantonrechter toegepast, komt het hof redelijk voor.

4.9. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Philips zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Philips in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geintimeerde] worden begroot op € 284,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris advocaat;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, E.A.G.M. Waaijers en A.P. Zweers-van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 februari 2012.