Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6853

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
20-002816-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:BN6046, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet. Roekeloosheid. Verdachte (beroepschauffeur) reed als bestuurder van een vrachtauto met oplegger, met een totaal van gewicht van 44.800 kilogram op de weg. Verdachte is, terwijl voor hem de verkeerssituatie ter plekke bekend was, en de personenauto van het slachtoffer voor verdachte reeds vanaf een aanzienlijke afstand zichtbaar was, de kruising met een snelheid van 86 km per uur genaderd, heeft vervolgens bij 4 seconden oranje uitstralend licht nauwelijks zijn snelheid verminderd en is daarna door het - voor verdachte al minimaal 2,8 seconden uitstralende - rode verkeerslicht gereden. Naar ’s hofs oordeel heeft verdachte niet alleen door het rode licht gereden en de maximumsnelheid overschreden, verdachte had tevens de verplichting om rekening te houden met de omstandigheid dat hij met 44.800 kilogram zwaar beladen was, en daarbij een aanmerkelijk langere remweg nodig had om gevaarlijke situaties te vermijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002816-10

Uitspraak : 9 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 21 juli 2010 in de strafzaak met parketnummer 03-630281-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [gemeente] op [datum] 1960,

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren, met dien verstande dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan roekeloos rijgedrag, en verdachte terzake daarvan een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, zal opleggen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte voor dit feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 3 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat, opnieuw rechtdoende, dient te worden volstaan met schuldigverklaring van verdachte zonder oplegging van straf. Ter zake van de in beslag genomen goederen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal beslissen conform de rechtbank.

Namens de verdachte is ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. Mocht het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 1. ten laste gelegde komen, dan kan de verdediging zich verenigen met de kwalificatie van de rechtbank, inhoudende dat het rijgedrag van verdachte wordt bestempeld als een aanmerkelijke verkeersfout. Subsidiair is verder een strafmaatverweer gevoerd, met dien verstande dat het hof verdachte zal veroordelen tot een straf zoals is opgelegd door de rechter in eerste aanleg.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 12 maart 2008, in de gemeente Brunssum, in elk geval in het arrondissement Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de N276, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en), te weten [slachtoffer H] en/of [slachtoffer B] werd(en) gedood, welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die N276, de kruising althans splitsing van die weg en de weg, de Kennedylaan, met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur, althans met hoge snelheid, in elk geval met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, is genaderd en/of (vervolgens) in strijd met een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht die kruising althans splitsing is opgereden, zulks op het moment dat de bestuurder van een over die Kennedylaan rijdend motorrijtuig (personenauto) voornoemde kruising althans splitsing was opgereden, althans zich dicht vóór hem, verdachte, op voornoemde kruising althans splitsing bevond en/althans hij, verdachte, de doorgang voor de bestuurder van dat zich op voornoemde kruising althans splitsing bevindend motorrijtuig (personenauto) heeft versperd en/of heeft belemmerd, waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig (vrachtauto met oplegger) en dat andere motorrijtuig (personenauto), waarin die. [slachtoffer H] voornoemd als bestuurder en [slachtoffer B] voornoemd als passagiere waren gezeten;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 12 maart 2008, in de gemeente Brunssum, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met oplegger), daarmee rijdende over de weg, de N276, de kruising althans splitsing van die weg en de weg, de Kennedylaan, met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur, althans met hoge snelheid, in elk geval met een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse is genaderd en/of (vervolgens) zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/of in strijd met een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht voornoemde kruising althans splitsing is opgereden, dat/waardoor hij met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (vrachtauto met oplegger) in botsing althans aanrijding is gekomen met een over voornoemde kruising althans splitsing rijdend althans een zich op voornoemde kruising althans splitsing bevindend motorrijtuig (personenauto), door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

2.

hij op of omstreeks 13 september 2007, in de gemeente(n) Brunssum en/of Onderbanken, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N276, zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/althans op zodanige wijze heeft gereden,

dat/waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gaan slingeren en/of hij (vervolgens) met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) (verschillende malen) de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden althans op die weghelft is terechtgekomen, en/of (vervolgens) op de weg, de Steenakkerweg, met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, zijn, verdachtes, lichaam naar rechts en/of naar voren/naar beneden heeft bewogen teneinde iets uit het dashboard te nemen, en/althans zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/althans op zodanige wijze heeft gereden, dat/waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gaan slingeren en/of hij (vervolgens) met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden althans op die weghelft is terechtgekomen, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. In verband met de leesbaarheid heeft het hof in het onder 1 primair ten laste gelegde, derde regel van onder, de zinsnede “de bestuurder van dat ander motorrijtuig (personenauto), te weten [slachtoffer H] voornoemd en/of dat ander motorrijtuig (personenauto), waarin [slachtoffer B] voornoemd als passagiere was gezeten” gewijzigd in “dat andere motorrijtuig (personenauto), waarin [slachtoffer H] voornoemd als bestuurder en [slachtoffer B] voornoemd als passagiere waren gezeten”. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair

hij op 12 maart 2008, in de gemeente Brunssum, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de N276, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen, te weten [slachtoffer H] en [slachtoffer B] werden gedood, welke bovenbedoelde gedraging roekeloos was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die N276, de kruising van die weg en de weg, de Kennedylaan, met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur is genaderd en vervolgens in strijd met een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden, zulks op het moment dat de bestuurder van een over die Kennedylaan rijdend motorrijtuig (personenauto) voornoemde kruising was opgereden, en hij, verdachte, de doorgang voor de bestuurder van dat zich op voornoemde kruising bevindend motorrijtuig (personenauto) heeft belemmerd, waardoor een aanrijding is tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig (vrachtauto met oplegger) en dat andere motorrijtuig (personenauto), waarbij [slachtoffer H] voornoemd als bestuurder en [slachtoffer B] voornoemd als passagiere waren gezeten.

2.

hij op 13 september 2007, in de gemeenten Brunssum en/of Onderbanken, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N276, op zodanige wijze heeft gereden, dat het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gaan slingeren en hij vervolgens met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) verschillende malen de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden, en vervolgens op de weg, de Steenakkerweg, met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, zijn, verdachtes, lichaam naar rechts en naar voren/naar beneden heeft bewogen teneinde iets uit het dashboard te nemen en op zodanige wijze heeft gereden, dat het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gaan slingeren en hij vervolgens met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Feit 1

? Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen dient te worden verklaard, in die zin dat verdachte roekeloos heeft gereden. Dit standpunt is gegrond op de volgende overwegingen:

Verdachte heeft door het rode licht gereden, hetgeen inhoudt dat hij ruim voor hij de kruising opreed geel licht heeft gehad. Hij had derhalve moeten anticiperen op de situatie dat het hem niet meer gelukte vóór het rode licht tot stilstand te komen waarbij tevens meeweegt dat verdachte ter plekke bekend was en hij als professionele chauffeur zich op de weg bevond. Verdachte had immers de verplichting rekening te houden met omstandigheid dat hij zwaar beladen was, en dat hij een aanmerkelijk langere remweg nodig had om gevaarlijke situaties te vermijden. In plaats daarvan is hij met een snelheid van ongeveer 86 km/uur op de kruising afgereden en door het rode licht gereden.

? Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het onder 1. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. In dat verband is het volgende aangevoerd.

1. [Slachtoffer H] was mogelijk reeds overleden voordat de aanrijding plaatsvond. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om sectie op het slachtoffer te laten verrichten om uit te sluiten dat de dood door iets anders dan door het ongeval was veroorzaakt. Waar dit niet is gebeurd is er door toedoen van het Openbaar Ministerie twijfel met betrekking tot de juiste doodsoorzaak van het slachtoffer [slachtoffer H] en moet deze twijfel worden uitgelegd in het voordeel van verdachte zodat deze dient te worden vrijgesproken. Niet valt immers uit te sluiten dat er sprake is geweest van een massaal hartinfarct voordat de botsing plaatsvond. Dat zou betekenen dat het overlijden van [slachtoffer H] niet door verdachte is veroorzaakt.

2. De vrachtwagen van verdachte was voorzien van een snelheidsbegrenzer en kon niet harder rijden dan 86 km/uur, tenzij sprake zou zijn geweest van een weg bergaf. In de visie van verdediging was evenwel sprake van een vlakke weg. Rekening houdend met een korting wegens eventuele tachograaf afwijkingen, zou de snelheid rond de 80 km/uur hebben gelegen.

3. Verdachte is niet door het rode verkeerslicht gereden. In de visie van de verdediging hebben de stoplichten niet goed gefunctioneerd. Uit verklaringen van onafhankelijke buurtbewoners [getuige R] en [getuige K1] blijkt dat er met de afstelling van de verkeerslichteninstallatie iets mis was.

? Het oordeel van het hof

Bij de vraag of en, zo ja, in welke gradatie er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Blijkens de wetsgeschiedenis zal in het algemeen bij roekeloosheid – de zwaarste schuldgradatie – bij de verdachte sprake moeten zijn van bewustheid van een onaanvaardbaar groot risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 484, nr. 7, p. 15).

In de lijn met hetgeen door de advocaat-generaal en de verdediging is aangevoerd, zal het hof achtereenvolgens ingaan op de doodsoorzaak van [slachtoffer H], de snelheid waarmee verdachte heeft gereden, het al dan niet functioneren van de verkeerslichten ter plaatse en de omstandigheid of het verkeerslicht voor verdachte al dan niet rood licht heeft uitgestraald.

Doodsoorzaak van [slachtoffer H]

De forensisch deskundige dr. F.J.A. Poettgens heeft op 12 maart 2008 geconcludeerd dat [slachtoffer H] is gestorven door een niet-natuurlijke dood. Hij heeft daarbij geconcludeerd dat [slachtoffer H] door schedel- en hersenletsel als gevolg van een hoog energetisch trauma is komen te overlijden.

Dr. F.J.A. Poetggens heeft daarnaast in zijn schrijven aan de rechter-commissaris mr. M.M. Beye d.d. 12 november 2009 opgemerkt dat hij telefonisch overleg heeft gevoerd met [huisarts H] aangaande de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer H]. Uit overleg met deze huisarts blijkt dat [slachtoffer H] weliswaar in 2001 na hartklachten een open hart operatie heeft ondergaan maar dat hij nooit een hartinfarct heeft gehad. In de brief van [cardioloog A] d.d. 16 augustus 2006 staat vermeld dat er sprake is van een stabiele cardiale toestand en dat uit het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor een recidief van de vroegere hartklachten. De huisarts heeft voorts geconstateerd dat [slachtoffer H] sinds het bezoek aan de cardioloog in 2006 niet meer het spreekuur van de huisarts heeft bezocht voor klachten, aldus dr. F.J.A. Poettgens in zijn brief aan de rechter-commissaris.

Op grond van het vorenstaande, bezien in samenhang met het feit dat de dood vrijwel direct na het ongeval is ingetreden, is het hof –anders dan de raadsman, maar met de advocaat-generaal en de rechtbank - van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer H] door een andere doodsoorzaak is overleden dan die door dr. F.J.A. Poettgens benoemd, waarmee vaststaat dat het ongeluk de doodsoorzaak is geweest.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Gereden snelheid van verdachte

Ter zake van de gereden snelheid van verdachte is door [functionaris V], inspecteur van politie van het Korps Landelijke Politie Diensten een proces-verbaal tachograafschijf onderzoek d.d. 27 augustus 2008, opgemaakt. De door verdachte gereden snelheid bij de nadering van de plaats ongeval werd vastgesteld door analyse van de op het registratieblad van de tachograaf aangebrachte (snelheids)gegevens.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat verdachte na de rotonde Karel Doormanstraat op de N276 optrok van 48 naar 88 km/uur. Aansluitend werd tussen de 88 en 87 km/uur vertraagd op het niveau van gasminderen. Hierna nam het niveau van de vertraging toe tot die van een motorremming tussen 87 en 84 km/uur. Vanaf 84 km/uur werd er vertraagd op het niveau van een forse- tot noodremming tot aan een minimale snelheid van 58 km/uur. De botssnelheid zal hebben gelegen tussen de 84 en 58 km/uur.

Blijkens het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van de Regiopolitie Limburg-Zuid van 25 september 2008 bedraagt, uitgaande van een gelijkmatige vertraging tussen genoemde 88 km/uur en 84 km/uur, de gemiddelde snelheid 86 kilometer per uur, gemeten tussen het optrekken van de vrachtwagen vanaf het begin van de rotonde tot aan het inzetten van de noodremming vlak voor de T-kruising met de Kennedylaan.

Een en ander in onderling verband bezien leidt het hof - anders dan de raadsman - tot de conclusie dat verdachte, alvorens tot een noodremming over te gaan, de kruising met een snelheid van 86 km per uur is genaderd, hetgeen een snelheidsovertreding van 6 km per uur bedraagt nu de toegestane snelheid ter plaatse 80 km per uur bedroeg. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in de beide hiervoor genoemde processen-verbaal is gerelateerd. Hetgeen hierover overigens door de raadsman is aangevoerd, doet daar niet aan af. In dit verband merkt het hof nog op dat blijkens voormeld proces-verbaal tachograafschijf onderzoek de tachograaf weliswaar door een veranderende omtrekmaat van de banden als gevolg van slijtage of vernieuwing enkele kilometers per uur kan zijn gaan afwijken, maar onderzoek heeft uitgewezen dat slechts een geringe correctie op de geregistreerde snelheid van de tachograaf diende te worden toegepast en in de resultaten van het onderzoek is met deze correctie reeds rekening gehouden.

Het verweer van de raadsman wordt bijgevolg verworpen.

Het al dan niet door rood uitstralende verkeerslicht rijden door verdachte alsmede het al dan niet functioneren van de verkeerslichtinstallatie

Verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat hij door het groene licht is gereden. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat het licht voor hem groen was toen hij er voor het laatst naar gekeken had en dat hij er toen geen aandacht meer voor had of het licht mogelijk inmiddels op geel was gesprongen, omdat het voorkomen van een aanrijding toen zijn prioriteit had.

Het verkeer op de T- kruising werd blijkens het proces-verbaal verkeersongevalanalyse ten tijde van het ongeval door middel van een driekleurige verkeersregelinstallatie geregeld. Het betrof een verkeersafhankelijke regeling, waarbij de nadering van verkeer door middel van detectielussen in het wegdek werd geregistreerd. In het onderhavige geval volgde verdachte met zijn vrachtauto de rijstrook voor het rechtdoorgaande verkeer op de N276, rijdende richting Sittard. Binnen de verkeersregelinstallatie is deze rijrichting aangeduid als signaalgroep 2. De latere slachtoffers volgden met hun auto op de Kennedylaan de rijstrook voor het linksafgaande verkeer, en deze rijrichting is aangeduid als signaalgroep 12. Uit de verkeersongevalanalyse blijkt voorts dat voor de signaalgroep 2 een hard conflict bestaat met de signaalgroep 12. Dit betekent dat deze signaalgroepen bij een correct werkende installatie niet gelijktijdig groen licht kunnen uitstralen.

Getuige-deskundige Welten heeft in aanvulling hierop ter terechtzitting van het hof verklaard dat bij een correct werkende installatie het technisch onmogelijk is dat zowel signaalgroep 2 als signaalgroep 12 tegelijkertijd groen licht uitstralen. Indien de installatie niet correct werkt, dan schakelt het systeem zich direct uit en gaan de verkeerslichten geel knipperen.

Welten heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat voorafgaand aan de rood licht fase van signaalgroep 2 (rechtdoorgaand verkeer op de N276 richting Sittard) er sprake is van een geel (oranje) licht fase met een duur van 4 seconden.

Getuige-deskundige Welten heeft ten slotte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat onderzoek aan de verkeersregelinstallatie heeft uitgewezen dat er ten tijde van het ongeval geen defecten aan deze installatie waren. Dit blijkt tevens uit het proces-verbaal verkeersongevalanalyse van de afdeling Forensische Opsporing van de Politie Limburg-Zuid. Daarin wordt onder meer gerelateerd dat eventuele storingen worden opgenomen in een storingsgeheugen op datum en tijdstip en dat er op 12 maart 2008, de dag van het ongeval, geen storingen zijn geweest in de werking van de verkeersregelinstallatie.

[Getuige M] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 12 maart 2008 op de N276 reed komende uit de richting van de Karel Doormanstraat en gaande in de richting van Sittard te Brunssum en dat kort daarop de bij het verkeersongeval betrokken vrachtauto vóór hem reed. Bij de verkeerslichten zag hij dat de vrachtauto voor hem het rode verkeerslicht negeerde. Hij zag duidelijk dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde en dat de vrachtauto niet remde en de kruising op reed. Rechts van hem kwam een personenauto. De vrachtwagen kon deze niet meer ontwijken en hij reed frontaal in de flank van de personenauto.

[Getuige D] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 12 maart 2008 van Brunssum naar Sittard reed. Vóór hem reed een personenauto en daarvoor reed een vrachtauto. Op het moment dat [getuige D] de verkeerslichten naderde, minderde hij snelheid. De auto voor hem deed dat ook. Toen [getuige D] ongeveer 30 meter van de verkeerslichten vandaan was, zag hij dat het verkeerslicht op rood stond. Dat licht gold voor [getuige D] en de voor hem rijdende auto’s. [getuige D] stond al stil met zijn auto, toen hij zag dat de vrachtauto door het rode verkeerslicht reed. De vrachtauto is door rood licht gereden. In een flits zag hij een auto van rechts aankomen. [getuige D] zag voorts dat de vrachtauto een botsing kreeg met deze auto.

[Getuige L] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 12 maart 2008 over de Kennedylaan te Brunssum in de richting van de verkeerslichten met de N276 reed. [Getuige L] was voornemens om rechts af te slaan en hij reed aan de rechterzijde van de weg, teneinde rechtsaf te kunnen voorsorteren. Hij zag dat op het voorsorteervak voor linksaf een personenauto stond en deze auto stond stil voor het rode verkeerslicht. Op het moment dat [getuige L] het verkeerslicht naderde, straalde zijn verkeerslicht groen licht uit. Ook het verkeerslicht voor de auto links naast hem straalde inmiddels groen licht uit. [getuige L] zag en hoorde de vrachtauto van links naderen. De vrachtauto claxonneerde. De auto welke links naast [getuige L] stond, reed de kruising op. De vrachtauto week uit naar links en raakte dientengevolge de personenauto, aldus [getuige L].

[Getuige P] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij op 12 maart 2008 in haar personenauto over de provinciale weg van Sittard naar Brunssum reed. Toen [getuige P] de stoplichten naderde, reed er niemand voor haar. Zij had vrij zicht over de kruising. Het stoplicht voor haar, voor rechtdoorgaand verkeer, stond op rood. [getuige P] zag dat links van haar een personenauto op trok. Zij zag voor haar, op dezelfde weg als waarop [getuige P] zich bevond, maar dan in tegenovergestelde richting, een gele vrachtwagen rijden. [getuige P] zag dat de vrachtwagen lichtsignalen gaf. Vervolgens vond de aanrijding tussen de personenauto en de vrachtwagen plaats.

Een en ander in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof tot de conclusie dat het verkeerslicht voor verdachte geen groen maar rood licht heeft uitgestraald op het moment dat verdachte het kruispunt N276 op de Kennedylaan te Brunssum op reed. De verklaring van [getuige S], inhoudende dat verdachte groen licht heeft gehad, maakt dat naar ’s hofs oordeel niet anders, nu deze getuige niet aangeeft of het verkeerslicht ook groen licht uitstraalde op het moment dat verdachte met zijn vrachtwagen de kruising opreed.

Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat verdachte ondanks een voor hem geldend rood uitstralend verkeerlicht, de kruising is opgereden en de personenauto van [slachtoffer H] heeft aangereden. Daarbij gaat het hof er op grond van de verklaring van getuige-deskundige Welten alsmede het proces-verbaal van verkeersongevalanalye van de afdeling Forensische Opsporing van de Politie Limburg-Zuid van uit dat er geen defecten waren aan de verkeersregelinstallatie ten tijde van het ongeval. Weliswaar hebben getuigen [getuige R] en [getuige K1] verklaard dat er met de afstelling van de verkeerslichteninstallatie iets mis was, doch waar deze verklaringen in algemene zin luiden zonder dat ze zijn toegespitst op de situatie ten tijde van het ongeval, leggen deze verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen..

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Op basis van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, gaat het hof van het volgende uit

- Op 12 maart 2008 heeft er omstreeks 13.30 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de T-kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de N276 met de Kennedylaan, gelegen buiten de bebouwde kom in de gemeente Brunssum.

- De gehele kruising van de Kennedylaan te Brunssum is voorzien van een driekleurige verkeerslichtinstallatie in alle richtingen.

- Ten tijde van het ongeval waren er geen defecten aan de verkeersregelinstallatie.

- Ter plaatse bedraagt de maximumsnelheid 80 km per uur.

- Verdachte, zijnde beroepschauffeur en bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, vrachtwagen, met daarachter gekoppeld een drie-assige oplegger, heeft gereden over de N276, komende uit de richting van de Karel Doormanstraat en gaande in de richting van Sittard.

- De oplegger was beladen met een hoeveelheid los gestort zand. Het totale gewicht van de vrachtwagen bedroeg 44.800 kilogram.

- De banden van de combinatie met oplegger waren in goede staat.

- Verdachte had voorafgaand aan het oprijden van de kruising over een afstand van enkele

honderden meters zicht op de door het latere slachtoffer [slachtoffer H] bestuurde auto die voor de T-kruising stilstond.

- De verkeerssituatie bij de gehele kruising van de Kennedylaan/N276 te Brunssum was verdachte bekend.

- Het latere slachtoffer [slachtoffer H] - de bestuurder van de betrokken Honda, met het kenteken [kentekennummer] - stond voorgesorteerd om linksaf te slaan naar de N276 te Brunssum. In de Honda bevonden zich bestuurder [slachtoffer H] en [slachtoffer B] als passagier. [slachtoffer H] is vanuit stilstand de kruising opgereden.

- [slachtoffer H] is door het groen uitstralende verkeerslicht gereden. Verdachte door het rood uitstralende verkeerslicht.

- Op 110 meter voor de zichtbare aftekening van het remspoor op de N276 reed de trekker nog met een snelheid van ongeveer 86 km per uur.

- Op het moment dat [slachtoffer H] groen licht kreeg, en de verdachte dus rood licht kreeg, uitgaande van een gemiddelde snelheid van 86 km per uur, bevond verdachte zich minimaal op een afstand van 85 meter voor de stopstreep en 100 meter voor de botsplaats.

- De bestuurder van de Honda had op het moment van de botsing reeds minimaal 4,5 seconden groen licht. Voor het begin van de noodremming door verdachte moet het verkeerslicht voor de verdachte al minimaal 2,8 seconde rood licht hebben uitgestraald. Vóór dit rode verkeerslicht heeft het verkeerslicht voor verdachte 4 seconden oranje licht uitgestraald.

- De tijd welke de bestuurder van de Honda nodig had om de botsplaats te bereiken - de in de verkeersongevalanalyse berekende 4,5 seconden – is de minimale tijd dat het voor de verdachte geldende verkeerslicht in zijn richting rood licht uitstraalde op het moment dat hij de botsplaats bereikte.

- Verdachte reed aan het begin van de noodremming 84 km per uur. Voor een vrachtwagen met oplegger die 84 km per uur rijdt is een remweg van ongeveer 80 meter nodig om die vrachtwagen tot stilstand te brengen. De noodremming is door verdachte ingezet op minder dan 34 meter voor de stopstreep.

- Op de kruising van de Kennedylaan/N276 raakte verdachte met zijn vrachtwagen de Honda in zijn flank. De bestuurder [slachtoffer H], geboren op [geboortedatum] te Simpelveld, is op 12 maart 2008 te 14.00 uur op de voor het openbaar verkeer openstaande weg N276 te Brunssum, overleden. De inzittende [slachtoffer B] is op 12 maart 2008 te 14.45 uur in het Atrium-ziekenhuis te Heerlen overleden als gevolg van een hartstilstand door diverse orgaanbeschadigingen.

Het hof is, anders dan de raadsman maar met de advocaat-generaal, op grond van het navolgende van oordeel dat het rijgedrag van verdachte bestempeld dient te worden als roekeloos.

Verdachte reed als bestuurder van een vrachtauto met oplegger, met een totaal van gewicht van 44.800 kilogram op de N276, waarbij hij zijn weg rechtdoor richting Sittard over de kruising wilde vervolgen. Toen verdachte de T-kruising naderde, reed hij met een snelheid van 86 kilometer per uur, waarmee hij een snelheidsovertreding heeft begaan. Daarnaast is verdachte door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden, terwijl [slachtoffer H], die voorgesorteerd stond om linksaf te slaan naar de N276 te Brunssum, door het groene verkeerslicht is gereden, waardoor een aanrijding tussen verdachte en [slachtoffer H] is ontstaan.

Naar ’s hofs oordeel heeft verdachte niet alleen door het rode licht gereden en de maximumsnelheid overschreden, verdachte had tevens de verplichting om rekening te houden met de omstandigheid dat hij met 44.800 kilogram zwaar beladen was, en daarbij een aanmerkelijk langere remweg nodig had om gevaarlijke situaties te vermijden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte bij het naderen van de kruising zijn snelheid nauwelijks heeft geminderd, zulks terwijl verdachte al rood licht kreeg op het moment dat hij zich minimaal 85 meter voor de stopstreep bevond. Verdachte is, terwijl voor hem de verkeerssituatie ter plekke bekend was, en de personenauto van [slachtoffer H] voor verdachte reeds vanaf een aanzienlijke afstand zichtbaar was, de kruising met een snelheid van 86 km per uur genaderd, heeft vervolgens bij 4 seconden oranje uitstralend licht nauwelijks zijn snelheid verminderd en is daarna door het - voor verdachte al minimaal 2,8 seconden uitstralende - rode verkeerslicht gereden. Niet kan worden vastgesteld of verdachte heeft gezien dat het verkeerslicht voor hem eerst op geel en vervolgens op rood is gesprongen voordat hij de kruising opreed. Aanvankelijk heeft verdachte verklaard dat hij groen licht had toen hij de kruising opreed, maar ter zitting in hoger beroep heeft hij dat genuanceerd door aan te voeren dat het verkeerslicht voor hem op groen stond toen hij er voor het laatst naar keek. Indien deze laatste stelling juist zou zijn, geldt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de plaats waarop de vrachtwagen zich bevond toen verdachte rood licht kreeg, de snelheid waarmee hij reed, het gewicht van het door hem bestuurde voertuig en de bijbehorende lange remweg, dat verdachte onverantwoord lang geen acht (meer) op het voor hem geldende verkeerslicht heeft geslagen. Dat de reden hiervan zou zijn gelegen in het proberen te voorkomen van een aanrijding met de auto van de latere slachtoffers, zoals verdachte heeft aangevoerd, kan niet juist zijn. [Slachtoffer H] is immers vanuit stilstand de kruising opgereden toen hij groen licht kreeg. Dat was gelet op de instelling van de verkeersinstallatie pas nadat het voor verdachte geldende verkeerslicht vier seconden op geel en vervolgens op rood was gesprongen.

Het hof heeft bij zijn oordeel meegewogen dat verdachte beroepschauffeur met een vrachtwagenrijbewijs is. Hij heeft daarom een zekere ‘Garantenstellung’, een extra verantwoordelijkheid. Bij een botsing met een dergelijk voertuig van circa 45.000 kilogram lopen andere verkeersdeelnemers groter gevaar dan bij een botsing met een personenauto. Op grond van het voorgaande mocht van verdachte worden verwacht dat hij meer dan een gewone verkeersdeelnemer alert zou zijn in het verkeer en zich aan de verkeersregels zou houden. De omstandigheid dat verdachte op het laatst in een poging een ongeval te voorkomen naar links is uitgeweken en heeft geclaxonneerd, maakt dat niet anders.

Feit 2

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte van het onder 2. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het ambtsedig proces-verbaal van [verbalisant K] niet alleen door verdachte, maar ook door [getuige K2] wordt weersproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman. Gelet op de processen-verbaal zoals opgemaakt door [verbalisant K], is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals bewezenverklaard. Het hof heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van bovengenoemde processen-verbaal van [verbalisant K]. De ontkennende verklaring van verdachte en de verklaring van [getuige K2] leggen ten opzichte van de inhoud van de ambtsedige processen-verbaal van de politie onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Door verdachtes roekeloosheid in het verkeer heeft een verkeersongeluk plaatsgevonden waarbij [slachtoffer H] en [slachtoffer B] om het leven zijn gekomen. Verdachte is beroepschauffeur en was bekend met de verkeerssituatie ter plekke.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof het volgende meegewogen:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten doorgaans worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte een zeer ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij hij roekeloos heeft gehandeld en dus onaanvaardbare verkeersrisico’s heeft genomen, in het bijzonder voor andere verkeersdeelnemers;

- dat verdachtes gedrag ertoe heeft geleid dat [slachtoffer H] en [slachtoffer B] bij het ongeval om het leven zijn gekomen;

- de mate waarin het bewezen verklaarde onherstelbaar verlies en leed teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden van [slachtoffer H] en [slachtoffer B], zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep – met name door de slachtofferverklaring van [nabestaande H] d.d. 14 november 2011 -is gebleken.

Het hof ziet in dat geen enkele straf dit leed ongedaan kan maken en dat, uit een oogpunt van genoegdoening voor de nabestaanden, geen enkele straf hoog genoeg zal zijn.

Naast de gevolgen die het bewezen verklaarde heeft gehad, neemt het hof bij de strafoplegging de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) in aanmerking, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn weerslag heeft gevonden.

Als uitgangspunt wordt hierin voor roekeloos rijden waarbij iemand komt te overlijden, een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden als passend beschouwd alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaren. Hoewel er in deze zaak sprake is van twee slachtoffers acht het hof een verdubbeling van beide straffen niet aangewezen, omdat het gaat om één ongeval.

Het hof acht in beginsel in de onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden geïndiceerd. Het hof zal evenwel een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen, waarbij het hof mee heeft gewogen dat verdachte ter zake van strafbare feiten niet eerder voor verkeersmisdrijven is veroordeeld. Bovendien heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde mede tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof acht voornoemde straf, zowel wat betreft strafsoort als strafmaat, het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd. Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de gevolgen daarvan, komt het hof tot een zwaardere strafoplegging dan door de rechtbank is opgelegd en door de verdediging is bepleit.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voorts de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van (in totaal) drie jaren. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met schuldigverklaring van verdachte zonder oplegging van straf. Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten doorgaans worden opgelegd acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van EUR 350,-- passend en geboden.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto Honda Jazz ( kenteken [kentekennummer]) zal worden teruggegeven aan [nabestaande H], zijnde de erfgenaam van [slachtoffer H].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan [nabestaande H] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00. STK Personenauto [kentekennummer] Honda Jazz 2004 Kl: Grijs.

Ten aanzien van feit 2:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. J.F.M. Pols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Voet, griffier,

en op 9 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.