Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6697

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
20-000697-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot jeugddetentie van 18 maanden en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). Het hof heeft de 17-jarige verdachte, anders dan de rechtbank, schuldig bevonden aan twee verkrachtingen, telkens meermalen gepleegd, aan mishandeling en aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000697-11

Uitspraak : 23 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 februari 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers

01-833052-10, 01-824453-10 en 01-824521-10, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling, parketnummer 01-824378-09, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1994],

thans verblijvende in Rijksbehandelinrichting voor jeugdigen De Hunnerberg te Nijmegen.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep van verdachte richt zich tegen de veroordeling ter zake van:

? parketnummer 01-824453-10 feit 1 subsidiair en feit 2 (kort gezegd: mishandeling en bedreiging [slachtoffer 1])

? parketnummer 01-833052-10 primair (kort gezegd: verkrachting [slachtoffer 2])

alsmede de opgelegde PIJ-maatregel.

Het hoger beroep van de officier van justitie richt zich tegen de vrijspraak ter zake van:

? parketnummer 01-824521-10 (kort gezegd: verkrachting althans ontucht [slachtoffer 3]).

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 1)] geheel toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort. De gehandhaafde vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt tot betaling van EUR 1.162,90 te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 3)] niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep – binnen de grenzen van haar eerste vordering – opnieuw gevoegd. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 5.944,00.

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de beslissing van de kinderrechter op de vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak parketnummer 01-824378-09. Het gaat daarbij om een voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 2 weken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen zal verklaren hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 01-833052-10 onder 1 primair, in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 01-824521-10 primair is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, en tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 1)] geheel zal toewijzen tot een bedrag van EUR 1.162,90 te vermeerderen met de wettelijke rente en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 3)] gedeeltelijk zal toewijzen tot een bedrag van EUR 5.090,00 en deze voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren, telkens met toepassing van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf, te weten jeugddetentie voor de duur van 2 weken, zal toewijzen.

De verdediging heeft:

- met betrekking tot parketnummer 01-824521-10 integrale vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit;

- met betrekking tot het onder parketnummer 01-833052-10 ten laste gelegde wegens vormverzuimen primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit, subsidiair verzocht om bewijsuitsluiting van de verklaring van [slachtoffer 2], meer subsidiair verzocht om strafvermindering en, mocht het hof hieraan voorbijgaan, bij beantwoording van de bewijsvraag te komen tot integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit;

- met betrekking tot het onder parketnummer 01-824453-10 ten laste gelegde verzocht het scenario in perspectief te plaatsen;

- in geval van strafoplegging, verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan het voorarrest, geen PIJ-maatregel en evenmin een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen, doch deze laatste te verkiezen boven de PIJ-maatregel;

- zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1 (slachtoffer 1)] en [benadeelde 2 (slachtoffer 3)];

- zich niet uitgelaten over de vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat:

- het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833052-10 onder 1 primair ten laste gelegde en het op de dagvaarding met parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;

- het beroepen vonnis met betrekking tot het onder parketnummer 01-824521-10 (primair) ten laste gelegde niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

onder parketnummer 01-833052-10:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2010 tot en met de maand februari 2010 te Best, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] (geboren [1995]) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte en/of diens mededader(s) die [slachtoffer 2] gedwongen te dulden

dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/hield en/of dat verdachtes mededader diens penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/hield

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- heeft/hebben gedreigd met het openbaar maken en/of het verspreiden van (een) filmpje(s) waarop die [slachtoffer 2] naakt te zien is en/of een of meer seksuele handeling(en) van die [slachtoffer 2] te zien is/zijn en/of

- die [slachtoffer 2] (dreigend/dwingend) de woorden heeft toegevoegd: "pijp hem, pijp hem" en/of

- (tegen de wil van die [slachtoffer 2] en/of onverhoeds) de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geopend en/of naar beneden heeft/hebben getrokken en/of

- (tegen de wil van die [slachtoffer 2] en/of onverhoeds) het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden

en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2010 tot en met de maand februari 2010 te Best, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer 2] (geboren [1995]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft/hebben gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2].

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd/gehouden en/of hebbende verdachtes mededader diens penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd/gehouden;

onder parketnummer 01-824453-10:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2010 te Best aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een neusfractuur), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een kopstoot te geven en/of (vervolgens) in diens gelaat te slaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2010 te Best opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een kopstoot heeft gegeven en/of (vervolgens) in diens gelaat heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een neusfractuur), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2010 te Best [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of (sprekend over die [slachtoffer 1]) een zich in de nabijheid van die [slachtoffer 1] bevindende persoon dreigend de woorden toegevoegd: "Anders steek ik hem echt kapot" en/of "Ik zou maar aan de kant gaan anders pak ik mijn mes" en/of "Ik steek jou neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij opzettelijk dreigend naar zijn, verdachtes, broekzak gegrepen;

onder parketnummer 01-824521-10:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juli 2009 tot en met de maand december 2009 te Best, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 3] (geboren op [1993]) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

die [slachtoffer 3] gedwongen te dulden dat verdachte en/of zijn mededader zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 3] duwde/bracht/hield en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] duwde/bracht/hield

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) met die [slachtoffer 3] naar een (meer) afgelegen plaats zijn gegaan en/of verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 3] van haar fiets af heeft/hebben getrokken en/of die [slachtoffer 3] geslagen en/of gestompt en/of (met kracht) de mond van die [slachtoffer 3] heeft opengehouden/opengedaan en/of heeft gedreigd een filmpje met seksuele handelingen op internet te zetten, in elk geval te openbaren en/of die [slachtoffer 3] heeft gedreigd in elkaar te slaan en/of (aldus) voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juli 2009 tot en met 21 december 2009 te Best, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer 3] (geboren op [1993]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft/hebben gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3],

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of zijn vingers in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd/gehouden en/of hebbende verdachtes mededader diens penis en/of zijn vingers in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd/gehouden.

Opmerkingen ten aanzien van de tenlastelegging

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen zijn deze door het hof verbeterd. Voorts merkt het hof ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833052-10 onder 1 primair ten laste gelegde op dat, gelet op de formulering van de verfeitelijking van de seksuele handelingen, sprake is van een kennelijke verschrijving. Immers, in de primaire variant van het feit is de navolgende verfeitelijking ten laste gelegd:

“- dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/ hield en/of

- dat verdachtes mededader diens penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/hield”,

terwijl in de subsidiaire variant is ten laste gelegd:

“hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd/gehouden en/of hebbende verdachtes mededader diens penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd/ gehouden”.

Gelet op deze kennelijke verschrijving, heeft het hof de subsidiaire variant van de verfeitelijking van de seksuele handelingen overgenomen in het primair ten laste gelegde feit, zodat dit onderdeel van de tenlastelegging als volgt is komen te luiden:

dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/hield en/of dat verdachtes mededader diens penis in de vagina en/of anus en/of mond van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/hield.

Voorts heeft het hof het onder parketnummer 01-824521-10 primair ten laste gelegde verbeterd gelezen, in dier voege dat het hof in het vierde onderdeel van de tenlastelegging:

- tussen de woorden “bedreiging met geweld” en de woorden “of die andere feitelijkhe(i)d(en)” het woord en het leesteken “en/” heeft ingelezen;

- tussen de woorden “zijn gegaan en/of” en de woorden “die [slachtoffer 3] van” de woorden en leestekens “verdachte en/of zijn mededader(s)” heeft ingelezen;

- tussen de woorden “fiets af heeft” en de woorden “getrokken en/of die [slachtoffer 3]” het woord en het leesteken “/hebben” heeft ingelezen.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] is verkregen door onjuiste, misleidende of ten onrechte achterwege gelaten informatie van de kant van de politie met kennelijk als enig doel bewijs tegen verdachte te verzamelen. Hierbij zou de ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ in twee opzichten zijn geschonden. Naar het oordeel van de verdediging is door de schending van de Aanwijzing een ernstige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde in zedenzaken gemaakt, hetgeen dient te leiden tot integrale niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte inzake het onder parketnummer

01-833052-10 ten laste gelegde.

Het hof is van oordeel dat door de verdediging gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de rechten van verdachte op enigerlei wijze zijn geschonden door de beweerde schending van de rechten van slachtoffer [slachtoffer 2] en dat daaraan enige consequentie dient te worden verbonden.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging in de zaak met parketnummer 01-833052-10.

Partiële vrijspraak

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak gevorderd van het op de dagvaarding met parketnummer 01-824453-10 onder 1 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het door verdachte aan [slachtoffer 1] toegebrachte letsel – gelet op de zich in het dossier bevindende medische verklaring en op de thans geldende jurisprudentie – in juridische zin niet kan worden aangemerkt als zijnde zwaar lichamelijk letsel.

Het hof volgt de advocaat-generaal in diens stelling dat een neusfractuur juridisch niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Nu het hof derhalve niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het op de dagvaarding met parketnummer

01-824453-10 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zal het hof verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-833052-10 primair, het in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair en 2 en het in de zaak met parketnummer 01-824521-10 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

onder parketnummer 01-833052-10:

hij in de periode van de maand januari 2010 tot en met de maand februari 2010 te Best, tezamen en in vereniging met een ander door bedreiging met feitelijkheden [slachtoffer 2] (geboren [1995]) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelinge) die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte en/of diens mededader die [slachtoffer 2] gedwongen te dulden

dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/ hield en dat verdachtes mededader diens penis in de mond van die [slachtoffer 2] duwde/bracht/ hield

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte en/of zijn mededader

- heeft gedreigd met het openbaar maken en/of het verspreiden van een filmpje waarop seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] te zien zijn en

- die [slachtoffer 2] (dreigend/dwingend) de woorden heeft toegevoegd: "pijp hem, pijp hem" en

- tegen de wil van die [slachtoffer 2] de broek van die [slachtoffer 2] naar beneden heeft getrokken en

- tegen de wil van die [slachtoffer 2] het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en heeft vastgehouden

en aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

onder parketnummer 01-824453-10:

1 subsidiair.

hij op 14 juni 2010 te Best opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een kopstoot heeft gegeven en in diens gelaat heeft geslagen, tengevolge waarvan deze lichamelijk letsel (een neusfractuur) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 14 juni 2010 te Best [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik steek jou neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

onder parketnummer 01-824521-10:

hij op tijdstippen in de periode van de maand juli 2009 tot en met de maand december 2009 te Best, tezamen en in vereniging met een ander, telkens door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 3] (geboren op [1993]) telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte en/of zijn mededader

die [slachtoffer 3] gedwongen te dulden dat verdachte en/of zijn mededader zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 3] duwde/bracht/hield en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer 3] duwde/bracht/hield

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte en zijn mededader met die [slachtoffer 3] naar een (meer) afgelegen plaats zijn gegaan en verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer 3] van haar fiets af heeft/hebben getrokken en die [slachtoffer 3] geslagen en (met kracht) de mond van die [slachtoffer 3] opengehouden/opengedaan en gedreigd een filmpje met seksuele handelingen op internet te zetten, in elk geval te openbaren en die [slachtoffer 3] gedreigd in elkaar te slaan en (aldus) voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A.

Ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833052-10 primair ten laste gelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu deze is verkregen door onjuiste, misleidende of ten onrechte achterwege gelaten informatie van de kant van de politie, waarbij de ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ is geschonden.

Het hof is van oordeel dat door de verdediging gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de rechten van verdachte op enigerlei wijze zijn geschonden door de beweerde schending van de rechten van [slachtoffer 2] en dat haar verklaring als consequentie hiervan van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Het hof verwerpt het verweer.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hiervoor overwogene in aanmerking genomen, zal het hof de verklaring van [slachtoffer 2] tot het bewijs bezigen. Uit haar verklaring volgt onder meer dat zij seks met verdachte heeft gehad en dat zij [getuige 1] uit angst heeft gepijpt, omdat verdachte anders een filmpje, waarop seksuele handelingen van verdachte en haar zijn te zien, openbaar zou maken.

Het hof is voorts van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] zeer helder is. [getuige 1] heeft op 27 juni 2010 bij de politie verklaard dat hij samen met verdachte naar de woning van [slachtoffer 2] is gegaan, waarbij verdachte op zijn telefoon aan [getuige 1] en [slachtoffer 2] een filmpje heeft getoond van seksuele handelingen van verdachte en [slachtoffer 2]. Vervolgens zijn verdachte, [getuige 1] en [slachtoffer 2] naar “de Visvijver” gegaan, waarbij verdachte in de bosjes de broek van [slachtoffer 2] naar beneden heeft getrokken, en haar “van achter ging neuken”. Terwijl verdachte seks had met [slachtoffer 2], zei verdachte dat [slachtoffer 2] hem, [getuige 1], moest pijpen. [getuige 1] heeft [slachtoffer 2] daarop horen zeggen dat ze [getuige 1] niet wilde pijpen. [getuige 1] heeft vervolgens zelf zijn broek naar beneden getrokken en heeft zijn hand op het hoofd van [slachtoffer 2] gelegd terwijl hij door haar werd gepijpt. [getuige 1] voelde daarbij dat [slachtoffer 2] met haar hoofd weg wilde en tevens merkte hij dat zij het niet leuk vond.

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige 1], acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 2] de seksuele handelingen met verdachte en met [getuige 1] tegen haar wil in heeft verricht en ondergaan. Gelet op de gedragingen van verdachte voor, tijdens en vlak na de seksuele handelingen is het hof van oordeel dat sprake was van een hechte en nauwe samenwerking tussen verdachte en [getuige 1].

Het hof verwerpt het verweer.

B.

Ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-824521-10 primair ten laste gelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, primair vanwege het gebrek aan (steun)bewijs, met name ten aanzien van de dwang en het seksueel binnendringen, en subsidiair omdat wegens onbetrouwbaarheid van de verklaringen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De door aangeefster [slachtoffer 3] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring is op het hof geloofwaardig overgekomen, mede gelet op de tijdens het verhoor door haar getoonde emoties en de momenten waarop zij deze vertoonde. Ondanks de kritische bevraging, bleef [slachtoffer 3] bij haar verklaring en week daar niet van af. Voorts heeft [slachtoffer 3] bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd en het hof acht die verklaringen consistent. Voor zover door de verdediging is betoogd dat het wisselende aantal verkrachtingen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring, gaat het hof daaraan voorbij. Het in de aangifte genoemde aantal van 15 verkrachtingen is niet komen vast te staan op basis van de bandopname van het verhoor, maar wel is gebleken van meerdere verkrachtingen. Het hof betrekt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid voorts dat aangeefster telkens een morning after pil heeft genomen en dat zij een SOA test heeft gedaan bij de huisarts, hetgeen past bij haar verklaring dat de verkrachtingen zonder condoom hebben plaatsgevonden.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de verklaring van [slachtoffer 3] niet tot het bewijs mag worden gebezigd omdat de verbalisanten “er een potje van hebben gemaakt”, merkt het hof op dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd dat de handelswijze van de politie dusdanig onhandig was dat de consequentie daarvan dient te zijn dat de verklaring van [slachtoffer 3] niet tot het bewijs mag worden gebezigd.

De geloofwaardige verklaring van [slachtoffer 3] wordt naar het oordeel van het hof ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 2]. De getuige [getuige 2] heeft gezien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangeefster tegenhielden en dwongen met hen mee te gaan. Zij heeft tevens gezien dat [slachtoffer 3], toen zij vertelde wederom door hen te zijn verkracht, een rode vlek op haar wang had. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de rode wang in de context van het verhaal past dat [slachtoffer 3] door verdachten is geslagen tijdens de verkrachtingen.

De getuige [getuige 2] heeft voorts verklaard over hetgeen [slachtoffer 3] haar heeft verteld over de seksuele handelingen die zijn verricht, de locaties waarop de verkrachtingen plaatsvonden en het filmpje. Ook de getuige [getuige 3] heeft hierover een verklaring afgelegd. Dit betreffen weliswaar dé auditu verklaringen, maar zij komen wel exact met elkaar en met de verklaring van aangeefster over handelingen, locatie en filmpje overeen. Daar komt nog bij dat beide getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer 3] tijdens het doen van haar verhaal emotioneel was en huilde.

Voorts levert schakelbewijs een bijdrage aan de bewijsvoering. Evenals aangeefster, maakt [slachtoffer 2], één van de andere slachtoffers van verdachte, gewag van een filmpje dat van haar is gemaakt tijdens seksuele handelingen en van de dreiging van verdachten om dit filmpje openbaar te maken wanneer zij niet doet wat verdachten wensen. Dat het filmpje van [slachtoffer 3] tijdens het onderzoek niet is gevonden, wil naar het oordeel van het hof niet zeggen dat het filmpje niet bestaat of heeft bestaan. Het hof heeft geen reden aan het bestaan van het filmpje te twijfelen, gelet op de hiervoor overwogen omstandigheid dat het dreigen met het openbaar maken van het filmpje een methodiek is die verdachten ook bij een ander slachtoffer hebben gebruikt en voorts op de omstandigheid dat meerdere getuigen over het filmpje hebben verklaard. Ten overvloede overweegt het hof dat van de enkele dreiging dat een dergelijk filmpje zou bestaan en openbaar zou worden gemaakt reeds voldoende dreiging uitgaat.

Het hof verwerpt het verweer en acht de verkrachtingen van [slachtoffer 3] door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-833052-10 primair bewezen verklaarde levert op: medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op: mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 01-824521-10 primair bewezen verklaarde levert op: medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De kinder- en jeugdpsychiater G.C.G.M. Broekman heeft in haar rapport van 9 november 2010 omtrent de mate van toerekenbaarheid van verdachte met betrekking tot het onder parketnummer 01-833052-10 ten laste gelegde onder meer gerapporteerd:

De bevindingen van het onderhavige onderzoek wijzen op een anti-sociale gedragsontwikkeling bij onderzochte, waarin het eigen probleemgedrag wordt ontkend, dan wel verdrongen. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een ernstige gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie, bij een persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling met narcistische en antisociale kenmerken.

Indien bewezen, kan rapporteur zich wel indenken dat in de tenlastelegging de spanningsbehoefte en dadendrang, de behoefte ten overstaan van anderen te presteren, zich manifesteert en dat ook onderzochtes gebrekkige impulscontrole een rol speelde. Er worden lacunaire gewetensfuncties vastgesteld, met een gebrekkig inlevingsvermogen en coping betreffende zijn agressieve impulsen. Gezien zijn gedragsstoornis wordt onderzochte licht verminderd in staat geacht zijn wil te bepalen en de consequenties van zijn handelen te beseffen, dan wel te overzien. Het advies is het totale ten laste gelegde, dus ook het aanvullende zedendelict (meervoudige verkrachtingszaak), indien bewezen, hem derhalve in licht verminderde mate toe te rekenen.

Aan de hand van de onderzoeksbevindingen van de gedragsdeskundige is het hof van oordeel dat het onder parketnummer 01-833052-10 bewezen verklaarde feit verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend. Het hof neemt het advies van de gedragsdeskundig met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van dat feit dan ook over. Hoewel de gedragsdeskundige niet met betrekking tot de overige ten laste gelegde feiten heeft gerapporteerd is het hof van oordeel dat haar onderzoeksbevindingen – zoals hierboven vermeld – evenzeer gelden voor het op de dagvaarding met parketnummer

01-824521-10 primair en het op de dagvaarding met parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten.

Nu er voor het overige niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 01-833052-10 primair en het onder parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 250 dagen, met aftrek van voorarrest, en plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep veroordeling tot jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, en plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren gevorderd. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van, naast de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten, een bewezenverklaring van het op de dagvaarding met parketnummer 01-824521-10 primair ten laste gelegde.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] is verkregen door onjuiste, misleidende of ten onrechte achterwege gelaten informatie van de kant van de politie, waarbij de ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’ is geschonden, en dat dit vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering. Nu het hof de verdediging niet volgt in de stelling dat sprake is van een vormverzuim, zoals hiervoor overwogen, wordt het strafmaatverweer door het hof op diezelfde grond verworpen.

Met betrekking tot voornoemde zaak heeft de verdediging tevens betoogd dat in de strafmaat rekening moet worden gehouden met het volgende. In de tenlastelegging staat dat het om een of meerdere tijdstippen zou gaan en ook het woord “telkens” duidt erop dat het om meerdere incidenten zou kunnen gaan, terwijl de verweten handelingen enkel zien op “incident 1 uit het proces-verbaal 2010032317”, aldus de verdediging. Het gaat derhalve slechts om één incident.

Het hof volgt de verdediging in die stelling niet. Het ten laste gelegde incident is gepleegd in een context waarbij [slachtoffer 2] stelselmatig door verdachte en medeverdachte is benaderd. Het hof mag bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met de feiten en omstandigheden waarin het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld en derhalve tevens met de omstandigheid dat het een incident in een reeks van incidenten betreft. Het zogenaamde “incident 1 uit het proces-verbaal 2010032317” omvat bovendien de pagina’s 77 – 291 van het dossier, waaruit de context blijkt. Het strafmaatverweer wordt derhalve door het hof verworpen.

Voorts heeft de verdediging het hof verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest op te leggen, geen PIJ-maatregel en evenmin een gedragsbeïnvloedende maatregel, doch die laatste te verkiezen boven oplegging van een PIJ-maatregel.

Met betrekking tot de PIJ-maatregel heeft de verdediging aangevoerd dat oplegging daarvan niet meer in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Oplegging van de PIJ-maatregel zou achteruitgang in plaats van vooruitgang betekenen. Daarbij heeft de verdediging tevens opgemerkt dat oplegging van de maatregel in strijd is met een redelijke wetstoepassing van artikel 77s, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, nu er geen adviezen van twee gedragsdeskundigen liggen die zijn uitgebracht binnen een jaar voor deze zitting. Evenmin is aan de vereisten ex artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht voldaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met de dood van [slachtoffer 1] en aan het meermalen medeplegen van verkrachting van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, met name de twee laatstgenoemde feiten, zeer ernstig zijn en het hof rekent verdachte dat ook zwaar aan.

Verdachte heeft de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers met zijn bewezen verklaarde handelen op grove wijze geschonden. Verdachte heeft het bewezen verklaarde ontkend en heeft zodoende ook geen blijk gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 18 maanden met zich brengt. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden dat:

- verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 januari 2012 eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld en de onderhavige feiten in de proeftijd van die eerdere veroordeling heeft gepleegd, doch dat verdachte niet eerder ter zake van verkrachting (of soortgelijke feiten) is veroordeeld;

- blijkens voornoemd Uittreksel Justitiële Documentatie artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is;

- de feiten verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend, zoals daarvan blijkt uit de hiervoor weergegeven inhoud van het rapport van kinder- en jeugdpsychiater G.C.G.M. Broekman omtrent de persoon van verdachte.

Naast oplegging van voornoemde jeugddetentie acht de advocaat-generaal het, anders dan de verdediging, noodzakelijk dat verdachte een behandeling krijgt en heeft daartoe de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren gevorderd.

De verdediging heeft aangevoerd dat oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in strijd is met een redelijke wetstoepassing van artikel 77s, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat voorts niet aan de vereisten ex artikel 77w van dat Wetboek is voldaan.

Het hof overweegt dienaangaande dat de rapporten van de deskundigen op respectievelijk 9 november 2010 en 3 januari 2011 zijn uitgebracht. Nu de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft gemaakt op 22 juni 2011, is daarmee aan het vereiste van het tweede lid van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht voldaan. Voorts hebben de gedragsdeskundigen hun adviezen tot oplegging van de PIJ-maatregel ter terechtzitting van 23 november 2011 in hoger beroep herhaald. Gelet op die adviezen is tevens aan de vereisten ex artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht voldaan.

Het hof verwerpt derhalve het verweer en heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel derhalve de inhoud van de navolgende rapportages in ogenschouw genomen.

In haar hiervoor aangehaalde rapportage rapporteert kinder- en jeugdpsychiater G.C.G.M. Broekman onder meer:

Bij onderzochte is sprake van een ernstige gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie, met een persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling (met narcistische en antisociale kenmerken). Gesproken kan worden van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Van een ziekelijke stoornis is geen sprake. Dit was ook zo ten tijde van het hem ten laste gelegde. Rapporteur gaat uit van het standpunt dat het ten laste gelegde bij bewezenverklaring voortvloeit uit antisociale drijfveren, alsook uit de levensfase die onderzochte thans doormaakt en uit zijn impulsieve dadendrang. Omdat de impulsen, als gevolg van de onrijpe afweermechanismen en het gemankeerd inzicht in bepaalde situaties niet afgewend kunnen worden, ontstaat er controleverlies en hij neemt het recht in handen de ander onheus te bejegenen, met de onderhavige tenlastelegging tot gevolg, voor zover bewezen. Het gezin is aangaande de persoon van onderzochte uitsluitend positief, betreffende zijn probleemgedrag externaliserend en bagatelliserend en hij wordt enkel als zijnde een adolescent ervaren die door de autoriteiten niet als positief wordt beschouwd en slachtoffer is van discriminatie en onredelijkheid. Er zijn overigens nauwelijks beschermende factoren aanwezig met betrekking tot recidiverisico, bij bewezenverklaring van de tenlastelegging.

Gezien de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek is de kans op recidive groot bij onveranderde omstandigheden. Vanuit het onderhavige onderzoek komt een beeld van onderzochte naar voren van een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling, gevormd door de hardnekkigheid van de gedragsproblemen, de persoonlijkheidsopmaak en het ontbreken van intrinsieke motivatie zich te verbeteren, al of niet met externe hulp. Onderzochte lijkt vooralsnog niet geleerd te hebben van zijn ervaringen en ook de eerdere maatregelen vanuit de strafrechtelijke sfeer hebben in geen enkel opzicht bijgedragen tot enig probleembesef.

Aan de rechtbank wordt dan ook geadviseerd in overweging gegeven om onderzochte, bij bewezenverklaring, van de hem ten laste gelegde feiten, een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Een advies van een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt niet gegeven omdat bij onderzochte en zijn gezin geen enkel probleembesef aanwezig is.

Rapporteur opteert voor behandeling van onderzochte binnen “Den Hey-Acker”, waar expertise aanwezig is op het gebied van zedendelinquent gedrag, of behandeling binnen een vergelijkbare justitiële instellen in voornoemd PIJ-kader.

Broekman heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 november 2011 herhaald dat zij de behandeling van verdachte van belang acht.

De GZ-psycholoog drs. M.J.G.M. Wetsteyn heeft op 3 januari 2011 eveneens een rapportage uitgebracht omtrent de persoon van verdachte met betrekking tot het onder parketnummer 01-833052-10 ten laste gelegde. Daarin heeft hij onder meer gesteld:

De bevindingen van het onderzoek wijzen in de richting van het bestaan van een forse antisociale gedragsstoornis bij betrokkene. [verdachte] wordt gekenmerkt door een bijna alomvattende dan wel principiële houding van zelfbescherming, ontkenning, projectie en verdringing. Van enig nadenken over wat het slachtoffer (wellicht) is aangedaan en hoe zij de feiten verwerkt is bij [verdachte] geen sprake. Hij stelt zichzelf vooraan en centraal: zijn argumentatie is zelfbepalend, egocentrisch en gericht op een zichzelf vrijpleiten ten koste van de ander. Hij suggereert, samen met zijn ouders, juist slachtoffer te zijn van deze situatie en bovendien van discriminatie in het algemeen.

[verdachte] is tegen die achtergrond een antisociaal gekenmerkt persoon, vrijwel gevoelloos waar het het lot van anderen betreft en zich schijn-aanpassend in een omgeving waarin hij zijn voordelen kan wegen. Zolang deze attitude blijft bestaan is er een reëel risico van recidiveren; immers, een gewetensfunctie is nog niet intern verankerd aanwezig.

Er dient bij betrokkene te worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogen in de zin van een antisociale gedragsstoornis die zich dreigt te ontwikkelen in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het hem ten laste gelegde.

Zolang betrokkene geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag en voortdurend ‘de ander’ aanwijst als oorzaak dan wel verantwoordelijk voor bepaald gedrag, blijft de kans op recidive hoog. [verdachte] ontkent niet alleen de ten laste gelegde feiten maar projecteert, in zelfbescherming, dit gedrag op anderen, zelfs in retrospectief waar het eerdere veroordelingen betreft.

In deze context dient gewezen te worden op de vergoelijkend en bagatelliserende houding van de ouders die hun zoon vrijpleiten dan wel zijn gedrag ebschouwen als pubergedrag. In samenhang leiden de genoemde factoren en condities tot een soort van ‘stilstand’ in de morele en sociaal-emotionele ontwikkeling van [verdachte]. De gewetensfunctie is vooralsnog grotendeels alleen cognitief aanwezig: een interne sturing vanuit een gestabiliseerd affectief moreel besef ontbreekt nog bij hem en berg een risico van recidive in zich.

Het betreft in de tenlastelegging ernstige feiten, die weliswaar door betrokkene worden ontkend, maar een patroon van ontkenning en verdringing is hem in genen dele vreemd.

Aan de rechtbank wordt dan ook in overweging gegeven om – bij een bewezenverklaring van de aan hem ten laste gelegde feiten – aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Aan een advies tot een gedragsbeïnvloedende maatregel wordt niet gedacht, omdat bij betrokkene en zijn gezin geen enkel probleembesef aanwezig is.

Betrokkene lijkt niet te leren van zijn ervaringen en ook de repressie vanuit Justitie bij eerdere strafbare feiten bewerkstelligt in geen enkel opzucht enige probleembesef. Betrokkene dient dienaangaande nog sociale vaardigheden te leren die hij in de ‘buitenwereld’ dan wel ambulant niet zal willen leren. Het is ook van belang dat hij meer inzicht ontwikkelt op de eigen gedragsmotieven en de consequenties daarvan. Gedacht kan worden aan een plaatsing in de Justitiële Jeugdinrichting voor Jongens ‘den Hey-Acker’ te Breda.

Wetsteyn heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 november 2011 herhaald dat verdachte nog sterk in de zelfbeschermende fase zit. Voorts heeft hij verklaard dat hij bij zijn conclusies en bevindingen zoals verwoord in zijn rapport van 3 januari 2011 blijft, ook ten aanzien van zijn bevindingen aangaande het recidiverisico, maar dat hij ten onrechte in zijn rapport is vergeten op te nemen dat verdachte narcistisch is.

In het adviesrapport van de William Schrikker Jeugdreclassering van 26 januari 2011, opgemaakt door mw. A.J.A. Giesbers, jeugdreclasseringswerker, en mw. W.M.G.M. van Lith, inhoudelijk manager bij voornoemde instelling, wordt geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 31 januari 2011 heeft de getuige-deskundige Giesbers gepersisteerd bij dit advies.

In haar brief van 28 januari 2011 heeft de Raad voor de Kinderbescherming bericht dat zij zich verenigt met voormelde rapportage van de William Schrikker Jeugdreclassering. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 november 2011 heeft dhr. P.B.M. Bressers namens de Raad voor de Kinderbescherming ondermeer het volgende verklaard:

Ik zal concluderen dat de Raad voor de Kinderbescherming bij haar oorspronkelijke advies blijft. In de pro justitia rapportages wordt gesproken van een ernstige gedragsstoornis bij [verdachte]. Ik wil graag benadrukken dat er bij een jong persoon het risico bestaan dat die gedragsstoornis zich ontwikkelt tot een persoonlijkheidsstoornis. Dat is de reden waarom de Raad voor de Kinderbescherming veel belang hecht aan behandeling van verdachte. Ik acht de kans aanwezig dat er nog enige ontwikkeling zal bestaan in zijn gewetensfunctie. Behandeling bij de PIJ-maatregel heeft ook een ontwikkelende component, inhoudende dat [verdachte] in de toekomst mogelijk beter in de maatschappij kan functioneren. Naar mijn mening is het van belang dat [verdachte] deze behandeling zal krijgen.

Het hof volgt bovenstaande conclusies en de gronden waarop zij berusten en legt die ten grondslag aan zijn beslissing.

Alles overziende – daarbij van oordeel zijnde dat de bewezen verklaarde misdrijven feiten betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist en dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, waarmee is voldaan aan de gestelde wettelijke vereisten – is het hof van oordeel dat een beslissing tot oplegging van een PIJ-maatregel passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 3)]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 5.944,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep, gelet op de door de rechtbank gewezen vrijspraak, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van verdachtes op onder parketnummer 01-824521-10 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid begroot het hof de materiële schade (kosten morning after pil) op EUR 90,00 en de immateriële schade op EUR 2.500,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 1)]

De benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 1)] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.162,90. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van verdachtes op de dagvaarding met parketnummer 01-824453-10 onder

1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht, te weten EUR 562,90 aan materiële schade en EUR 600,00 aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is en zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie te 's-Hertogenbosch van 30 december 2010, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de kinderrechter te 's-Hertogenbosch van 9 maart 2010 onder parketnummer 01-824378-09 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken, van oordeel, dat – nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt – de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77dd, 77gg, 242, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-833052-10 primair, het in de zaak met parketnummer

01-824453-10 onder 1 subsidiair en 2 en het in de zaak met parketnummer 01-824521-10 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-833052-10 primair, het in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair en 2 en het in de zaak met parketnummer 01-824521-10 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 3)]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 3)] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-824521-10 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.590,00 (tweeduizend vijfhonderdnegentig euro) bestaande uit EUR 90,00 (negentig euro) materiële schade en EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2 (slachtoffer 3)], een bedrag te betalen van EUR 1.295,00 (duizend tweehonderdvijfennegentig euro) bestaande uit EUR 45,00 (vijfenveertig euro) materiële schade en EUR 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 1)]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 1)] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-824453-10 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.162,90 (duizend honderdtweeënzestig euro en negentig cent) bestaande uit EUR 562,90 (vijfhonderdtweeënzestig euro en negentig cent) materiële schade en EUR 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1 (slachtoffer 1)], een bedrag te betalen van EUR 1.162,90 (duizend honderdtweeënzestig euro en negentig cent) bestaande uit EUR 562,90 (vijfhonderdtweeënzestig euro en negentig cent) materiële schade en EUR 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te 's-Hertogenbosch van 9 maart 2010, parketnummer 01-824378-09, te weten van: jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) weken.

Aldus gewezen door

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. W.J. Kolkert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,

en op 23 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.