Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6694

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
20-000698-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BP4568, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot jeugddetentie van 8 maanden en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). Het hof acht, anders dan de rechtbank in eerste aanleg, bewezen dat de 16-jarige verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderporno, openlijke geweldpleging en het meermalen medeplegen van verkrachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000698-11

Uitspraak : 23 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 februari 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-833053-10, 01-824076-10 en 01-833062-10, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep van verdachte richt zich tegen de veroordeling ter zake van:

• parketnummer 01-824076-10 feit 1 primair en feit 2 (kort gezegd: openlijk geweld jegens [slachtoffer 1] en diefstal van een telefoon toebehorende aan [slachtoffer 2])

• parketnummer 01-833053-10 feit 2 subsidiair (kort gezegd: ontucht jegens [slachtoffer 3]) en feit 3 (kort gezegd: vervaardiging kinderpornografische afbeelding).

Het hoger beroep van de officier van justitie richt zich tegen de vrijspraak ter zake van:

• parketnummer 01-833062-10 (kort gezegd: verkrachting althans ontucht [slachtoffer 4]).

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder feit 2 en 3, onder parketnummer 01-824076-10 en onder parketnummer 01-833062-10 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Bij vonnis, waarvan beroep, zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1 (slachtoffer 3)] en [benadeelde 2 (slachtoffer 2)] geheel toegewezen. De voegingen duren in hoger beroep van rechtswege voort. De gehandhaafde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 3)] in hoger beroep strekt tot betaling van EUR 350,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. De gehandhaafde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 2)] in hoger beroep strekt tot betaling van EUR 129,95 te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3 (slachtoffer 4)] niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep – binnen de grenzen van haar eerste vordering – opnieuw gevoegd. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 5.944,00.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 2 subsidiair en 3, op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 1 primair en 2 en onder parketnummer 01-833062-10 primair is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1 (slachtoffer 3)] en [benadeelde 2 (slachtoffer 2)] geheel zal toewijzen en zal vermeerderen met de wettelijke rente en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3 (slachtoffer 4)] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 5.090,00 en deze voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren, telkens met toepassing van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof bij arrest de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

De verdediging heeft:

- integrale vrijspraak van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bepleit;

- zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 1 (primair) ten laste gelegde en vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit;

- integrale vrijspraak van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833062-10 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit;

- verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1 (slachtoffer 3)] en [benadeelde 3 (slachtoffer 4)] niet-ontvankelijk te verklaren en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 2)] af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat:

- het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 3 ten laste gelegde;

- het beroepen vonnis met betrekking tot het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 2 ten laste gelegde, het op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 2 ten laste gelegde en het op de dagvaarding van parketnummer 01-833062-10 primair en subsidiair ten laste gelegde niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

onder parketnummer 01-833053-10:

2.

hij op of omstreeks 07 juli 2009 te Best, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] (geboren [1993]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het wrijven over en/of betasten van de borsten en/of bovenbenen van die [slachtoffer 3] voornoemd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het verstrekken van alcoholische drank (wijn) en/of (een) jointje(s) waardoor [slachtoffer 3] in een verminderde staat van bewustzijn terecht kwam en/of niet in staat was adequaat verweer te voeren en/of voornoemde [slachtoffer 3] tegenhouden op het moment dat zij weg wilde gaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 juli 2009 te Best, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 3] (geboren [1993]) die toen de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het wrijven over en/of betasten van de borsten en/of bovenbenen van die [slachtoffer 3];

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand november 2009 tot en met februari 2010 te Best, in elk geval in Nederland, één of meermalen een afbeelding (filmpje) en/of een gegevensdrager, (telkens) heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad, terwijl op die/dat afbeelding(en) en/of gegevensdrager(s) en/of filmpje (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, welke voornoemde afgebeelde seksuele gedraging(en) (ondermeer) bestonden uit

een of meer (deels) naakte personen (zijnde [medeverdachte] en [slachtoffer 5]), die bij elkaar seksuele handelingen (pijpen en/of vaginaal/anaal neuken) verrichten;

onder parketnummer 01-824076-10:

1.

hij op of omstreeks 21 januari 2010 te Best met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Stationsstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van die [slachtoffer 1];

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 januari 2010 te Best opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 17 april 2010 tot en met 18 april 2010 te Best met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (van het merk Samsung en type Gtb3410), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

onder parketnummer 01-833062-10:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juli 2009 tot en met de maand december 2009 te Best, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 4] (geboren op [1993]) (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

die [slachtoffer 4] gedwongen te dulden dat verdachte en/of zijn mededader zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 4] duwde/bracht/hield en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer 4] duwde/bracht/hield

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) met die [slachtoffer 4] naar een (meer) afgelegen plaats zijn gegaan en/of verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 4] van haar fiets af heeft/hebben getrokken en/of die [slachtoffer 4] geslagen en/of gestompt en/of (met kracht) de mond van die [slachtoffer 4] heeft opengehouden/opengedaan en/of heeft gedreigd een filmpje met seksuele handelingen op internet te zetten, in elk geval te openbaren en/of die [slachtoffer 4] heeft gedreigd in elkaar te slaan en/of (aldus) voor die [slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juli 2009 tot en met 21 december 2009 te Best, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer 4] (geboren op [1993]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft/hebben gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4],

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of zijn vingers in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 4] gebracht/geduwd/gehouden en/of hebbende verdachtes mededader diens penis en/of zijn vingers in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 4] gebracht/geduwd/gehouden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze door het hof verbeterd. Voorts heeft het hof het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 3 ten laste gelegde verbeterd gelezen, in dier voege dat het hof tussen de woorden “terwijl op die” en de woorden “afbeelding(en) en/of” het leesteken en het woord “/dat” heeft ingelezen en tussen de woorden “en/of gegevensdrager(s)” en “(een) seksuele gedraging(en)” de woorden en het leesteken “en/of filmpje” heeft ingelezen. Het hof heeft ook het onder parketnummer 01-833062-10 primair ten laste gelegde verbeterd gelezen, in dier voege dat het hof in het vierde onderdeel van de tenlastelegging:

- tussen de woorden “bedreiging met geweld” en de woorden “of die andere feitelijkhe(i)d(en)” het woord en het leesteken “en/” heeft ingelezen;

- tussen de woorden “zijn gegaan en/of” en de woorden “die [slachtoffer 4] van” de woorden en leestekens “verdachte en/of zijn mededader(s)” heeft ingelezen;

- tussen de woorden “fiets af heeft” en de woorden “getrokken en/of die [slachtoffer 4]” het woord en het leesteken “/hebben” heeft ingelezen.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraak

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, conform de beslissing van de rechtbank, vrijspraak gevorderd van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 2 primair ten laste gelegde.

De verdediging heeft – met uitzondering van het op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 1 (primair) ten laste gelegde, welk feit door verdachte wordt bekend – integrale vrijspraak van de aan verdachte ten laste gelegde feiten bepleit.

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-833053-10 onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voorts acht het hof, evenals de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 2 subsidiair ten laste gelegde en het op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 2 ten laste gelegde heeft gepleegd, zodat het hof verdachte ook van die feiten zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer

01-833053-10 onder 3, het in de zaak met parketnummer 01-824076-10 onder 1 primair en het in de zaak met parketnummer 01-833062-10 onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

onder parketnummer 01-833053-10:

3.

hij in de periode van de maand november 2009 tot en met februari 2010 te Best, een filmpje heeft vervaardigd, terwijl op dat filmpje seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, waren betrokken, welke voornoemde afgebeelde seksuele gedragingen (ondermeer) bestonden uit

(deels) naakte personen (zijnde [medeverdachte] en [slachtoffer 5]), die bij elkaar seksuele handelingen (pijpen en/of vaginaal/anaal neuken) verrichten;

onder parketnummer 01-824076-10:

1.

hij op 21 januari 2010 te Best met een ander, op of aan de openbare weg, de Stationsstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het slaan en stompen van die [slachtoffer 1];

onder parketnummer 01-833062-10:

hij op tijdstippen in de periode van de maand juli 2009 tot en met de maand december 2009 te Best, tezamen en in vereniging met een ander, telkens door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 4] (geboren op [1993]) telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende verdachte en/of zijn mededader

die [slachtoffer 4] gedwongen te dulden dat verdachte en/of zijn mededader zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 4] duwde/bracht/hield en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer 4] duwde/bracht/hield

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte en zijn mededader met die [slachtoffer 4] naar een (meer) afgelegen plaats zijn gegaan en verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer 4] van haar fiets af heeft/hebben getrokken en die [slachtoffer 4] geslagen en (met kracht) de mond van die [slachtoffer 4] opengehouden/opengedaan en gedreigd een filmpje met seksuele handelingen op internet te zetten, in elk geval te openbaren en die [slachtoffer 4] gedreigd in elkaar te slaan en (aldus) voor die [slachtoffer 4] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A.

Ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 3 ten laste gelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat verdachte, bij gebrek aan overtuigend bewijs, van het vervaardigen van kinderporno dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het filmpje nooit is aangetroffen, dat enkel de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard het filmpje te hebben gezien, doch dat uit die verklaringen feitelijk niet blijkt van enige betrokkenheid van verdachte bij het vervaardigen van het filmpje, en dat de overige verklaringen direct terug zijn te herleiden tot de verklaring van [slachtoffer 5] zelf.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

[slachtoffer 5] heeft tijdens het zeden informatief gesprek van 4 maart 2010 verklaard dat ze anderhalve maand daarvóór seks heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte] in de ruimte van de nooduitgang van het station in Best en dat ze toen heeft gezien dat verdachte daarvan een filmpje heeft gemaakt met zijn mobiele telefoon. Voorts heeft [slachtoffer 5] verklaard dat [medeverdachte] haar van achteren heeft geneukt en dat zij hem vervolgens heeft gepijpt. [slachtoffer 5] was daarbij maar half in beeld gekomen, omdat zij achter een muurtje stond. [medeverdachte] heeft het filmpje korte tijd daarna in haar bijzijn laten zien aan [getuige 1], maar ze mocht niet meekijken.

De getuige [getuige 1] heeft op 8 juli 2010 bij de politie verklaard dat hij heeft gehoord dat er een filmpje van [slachtoffer 5] is gemaakt en dat daarbij drie jongens betrokken waren, te weten verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en [getuige 2]. Volgens [getuige 1] hebben ze een filmpje gemaakt waarin ze met [slachtoffer 5] bezig zijn. [medeverdachte] heeft op een gegeven moment op zijn telefoon het filmpje ook aan [getuige 1] getoond. [getuige 1] heeft verklaard dat hij door de op het schermpje van de telefoon schijnende zon de beelden van het filmpje niet duidelijk heeft kunnen zien, maar hij heeft voorts verklaard dat hij [medeverdachte] tijdens het tonen van het filmpje heeft horen zeggen: “moet je kijken, ik neem haar” en “kijk dat ben ik, ik heb [medeverdachte] geneukt”. Voorts heeft de getuige verklaard dat hij op het filmpje wel heeft kunnen waarnemen dat [medeverdachte] iemand vast heeft en dat het voor hem duidelijk was dat [medeverdachte] en [slachtoffer 5] geneukt hadden. De getuige heeft voorts verklaard dat hij zag dat de benen van [slachtoffer 5] bloot waren, dat ze staand bezig waren tegen een muur en dat de beelden van opzij waren gemaakt. Ook heeft hij gezien dat [medeverdachte] het meisje met beide handen heeft vastgepakt en dat er op en neer gaande bewegingen waren. Tot slot heeft de getuige verklaard dat hij heeft gehoord dat verdachte het filmpje heeft gemaakt.

[getuige 2] is op 27 juni 2010 eveneens door de politie gehoord omtrent het filmpje en heeft verklaard dat [medeverdachte] hem het filmpje heeft laten zien. Hij heeft gezien dat het beneden bij het station in Best was opgenomen, achter de deur van de nooduitgang. Voorts heeft hij gezien dat [medeverdachte] achter het meisje stond en haar “doggy style” aan het neuken was. [medeverdachte] was duidelijk herkenbaar. Het meisje was van achteren opzij gefilmd, vanuit een positie dat [medeverdachte] het filmpje niet zelf gemaakt kan hebben. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat verdachte het filmpje op het station heeft gemaakt en dat iedereen in Best weet dat verdachte dat filmpje heeft gemaakt.

Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen, in samenhang bezien met de bij de politie op 30 juni 2012 afgelegde verklaring van verdachte dat hij en [medeverdachte] wel eens samen met [slachtoffer 5] in Best op het station bij de nooduitgang zijn geweest, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die het filmpje van [medeverdachte] en [slachtoffer 5] heeft vervaardigd. Het hof heeft, gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], die de verklaring van [slachtoffer 5] ondersteunen, geen reden te twijfelen aan het bestaan van het filmpje.

Het verweer dat de overige zich in het dossier bevindende verklaringen direct terug zijn te herleiden tot de verklaring van [slachtoffer 5] zelf, behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking, nu het hof deze niet voor het bewijs zal gebruiken.

Het hof verwerpt het verweer.

B.

Ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833062-10 primair ten laste gelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging primair aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat sprake is geweest van dwang en subsidiair dat er, bij gebrek aan steunbewijs, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Voorts bestaan er bij de verdediging twijfels over de juistheid van de aangifte en de getuigenverklaring van [slachtoffer 4].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De door aangeefster [slachtoffer 4] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring is op het hof geloofwaardig overgekomen, mede gelet op de tijdens het verhoor door haar getoonde emoties en de momenten waarop zij deze vertoonde. Ondanks de kritische bevraging, bleef [slachtoffer 4] bij haar verklaring en week daar niet van af. Voorts heeft [slachtoffer 4] bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd en het hof acht die verklaringen consistent. Voor zover door de verdediging is betoogd dat het wisselende aantal verkrachtingen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring, gaat het hof daaraan voorbij. Het in de schriftelijke vastlegging van de aangifte genoemde aantal van 15 verkrachtingen is niet komen vast te staan op basis van de bandopname van dat verhoor, maar wel is gebleken van meerdere verkrachtingen. Het hof betrekt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid voorts dat aangeefster telkens een morning after pil heeft genomen en dat zij een SOA test heeft gedaan bij de huisarts, hetgeen past bij haar verklaring dat de verkrachtingen zonder condoom hebben plaatsgevonden.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de verklaring van [slachtoffer 4] niet tot het bewijs mag worden gebezigd omdat de verbalisant op voorhand de namen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft genoemd, merkt het hof op dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd dat de handelswijze van de politie dusdanig onhandig was dat de consequentie daarvan dient te zijn dat de verklaring van [slachtoffer 4] niet tot het bewijs mag worden gebezigd.

De geloofwaardige verklaring van [slachtoffer 4] wordt naar het oordeel van het hof ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 3]. De getuige [getuige 3] heeft gezien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangeefster tegenhielden en dwongen met hen mee te gaan. Zij heeft tevens gezien dat [slachtoffer 4], toen zij vertelde wederom door hen te zijn verkracht, een rode vlek op haar wang had. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de rode wang in de context van het verhaal past dat [slachtoffer 4] door verdachten is geslagen tijdens de verkrachtingen.

De getuige [getuige 3] heeft voorts verklaard over hetgeen [slachtoffer 4] haar heeft verteld over de seksuele handelingen die zijn verricht, de locaties waarop de verkrachtingen plaatsvonden en het filmpje. Ook de getuige [getuige 4] heeft hierover een verklaring afgelegd. Dit betreffen weliswaar dé auditu verklaringen, maar zij komen wel exact met elkaar en met de verklaring van aangeefster over handelingen, locatie en filmpje overeen. Daar komt nog bij dat beide getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer 4] tijdens het doen van haar verhaal emotioneel was en huilde.

Voorts levert schakelbewijs een bijdrage aan de bewijsvoering. Evenals aangeefster, maakt [slachtoffer 5] gewag van een (nota bene door verdachte vervaardigd) filmpje dat van haar is gemaakt tijdens seksuele handelingen en van de dreiging van verdachten om dit filmpje openbaar te maken wanneer zij niet doet wat verdachten wensen. Dat het filmpje van [slachtoffer 4] tijdens het onderzoek niet is gevonden, wil naar het oordeel van het hof en zoals als hiervoor onder A. ten aanzien van het filmpje van [slachtoffer 5] overwogen, niet zeggen dat het filmpje niet bestaat of heeft bestaan. Het hof heeft geen reden aan het bestaan van het filmpje te twijfelen, mede gelet op de hiervoor overwogen omstandigheid dat het dreigen met het openbaar maken van het filmpje een methodiek is die verdachten ook bij [slachtoffer 5] hebben gebruikt en voorts op de omstandigheid dat meerdere getuigen over het filmpje hebben verklaard. Ten overvloede overweegt het hof dat van de enkele dreiging dat een dergelijk filmpje zou bestaan en openbaar zou worden gemaakt reeds voldoende dreiging uitgaat. Het hof volgt de verdediging derhalve niet in de stelling dat geen sprake zou zijn van dwang.

Het hof verwerpt het verweer en acht de verkrachtingen van [slachtoffer 4] door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-833053-10 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen.

Het in de zaak met parketnummer 01-824076-10 onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het in de zaak met parketnummer 01-833062-10 onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De kinder- en jeugdpsychiater A.X. Rutten heeft in haar rapporten van 10 en 20 januari 2011 omtrent de mate van toerekenbaarheid van verdachte met betrekking tot respectievelijk het onder 01-833053-10 en het onder 01-833062-10 en 01-824076-10 ten laste gelegde onder meer gerapporteerd:

Er is bij onderzochte sprake van een gedragsstoornis en zwakbegaafdheid. Dit was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen, eveneens het geval. De gedragsstoornis en zwakbegaafdheid beïnvloedden de gedragskeuzes van onderzochte c.q. zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde, indien bewezen. Samenhangend met de gedragsstoornis kost het onderzochte moeite om zich in een nader te verplaatsen en de grenzen van een ander te respecteren eventueel ten nadele van hemzelf. Er is bij onderzochte behoefte aan snelle behoeftebevrediging. De zwakbegaafdheid versterkt dit in de zin dat onderzochte hiermee samenhangend de gevolgen van zijn handelen niet goed kan overzien.

Geadviseerd wordt om onderzochte als licht verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het ten laste gelegde, indien bewezen, te beschouwen.

De GZ-psycholoog drs. K.T.E. Zászlós heeft in haar rapport van 10 januari 2011 omtrent de mate van toerekenbaarheid van verdachte met betrekking tot het onder 01-833053-10 ten laste gelegde onder meer gerapporteerd:

Bij [verdachte] is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie. Hiermee samenhangend vertoont hij een zwakke impuls- en agressieregulatie, moeite met regels en gezag en een onrijpe gewetensontwikkeling. Bij [verdachte] is tevens sprake van een cognitief functioneren op zwakbegaafd niveau. Hiermee samenhangend beschikt hij over een gering inzicht, heeft hij moeite met oorzaak-gevolg relaties en kan het functioneren van zijn geweten als onrijp worden beschouwd.

Drs. Zászlós heeft in haar rapporten van 21 januari 2011 omtrent de mate van toerekenbaarheid van verdachte met betrekking tot het onder 01-833062-10 en 01-824076-10 ten laste gelegde onder meer gerapporteerd:

Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie. Daarnaast is sprake van zwakbegaafdheidsproblematiek. Met betrekking tot het feit met parketnummer 01-824076-10 kan worden gesteld dat [verdachte] weliswaar in staat is het strafrechtelijk ontoelaatbare van zijn handelswijze in te zien, maar dat hij op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling onvoldoende in stat is zijn wil conform dat besef te bepalen. Ondergetekende zou willen adviseren hem als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Aan de hand van de onderzoeksbevindingen van de gedragsdeskundigen is het hof van oordeel dat de onder parketnummers 01-833053-10, 01-833062-10 en 01-824076-10 bewezen verklaarde feiten verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend. Het hof neemt het advies van de gedragsdeskundigen met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van die feiten dan ook over.

Nu voor het overige niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-8333053-10 onder 2 subsidiair en 3 en het op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, en een geheel voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering, ook indien dit ambulante behandeling inhoudt.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep veroordeling tot onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren gevorderd. De advocaat-generaal is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van het op de dagvaarding met parketnummer 01-833053-10 onder 2 subsidiair en 3, het op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 1 primair en 2 en van onder parketnummer 01-833062-10 primair ten laste gelegde.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep enkel een strafmaatverweer gevoerd ten aanzien van het op de dagvaarding met parketnummer 01-824076-10 onder 1 primair ten laste gelegde feit. De verdediging heeft het hof verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte akkoord is gegaan met een hem aangeboden taakstraf van 30 uren en begeleiding door de jeugdreclassering voor de duur van een half haar. Ongeveer halverwege dit traject werd verdachte aangehouden voor de vermeende verkrachting van [slachtoffer 5], waardoor dit traject is doorkruist.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen van kinderporno (waarop seksuele handelingen van [slachtoffer 5] en medeverdachte [medeverdachte] te zijn zien), aan openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer 1] en aan het meermalen medeplegen van verkrachting van [slachtoffer 4]. Met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat, met name het eerst en laatst genoemde feit zeer ernstig zijn en het hof rekent verdachte dat ook zwaar aan.

Verdachte heeft de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers met zijn bewezen verklaarde handelen op grove wijze geschonden. Verdachte heeft de feiten, met uitzondering van de openlijke geweldpleging, ontkend en heeft zodoende ook geen blijk gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 8 maanden met zijn brengt. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de omstandigheden dat:

- verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 januari 2012, nog niet eerder is veroordeeld;

- de feiten verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend, zoals daarvan blijkt uit de hiervoor weergegeven inhoud van de rapporten van kinder- en jeugdpsychiater A.X. Rutten en GZ-psycholoog drs. K.T.E. Zászlós omtrent de persoon van verdachte.

Naast oplegging van voornoemde jeugddetentie acht het hof het, in het voetspoor van de vordering van de advocaat-generaal, noodzakelijk dat verdachte een behandeling krijgt, in het bijzonder op grond van de hierna te noemen rapportages betreffende de persoon van de verdachte.

In haar hiervoor aangehaalde rapportages rapporteert kinder- en jeugdpsychiater A.X. Rutten onder meer:

Indien onderzochte niet verder begeleid zou worden, is de kans op recidive groot. De defecte gewetensvorming, het onvermogen zich in een ander te verplaatsen en niet kunnen uitstellen, zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen.

De ouders van onderzochte staan pal achter hem, maar zijn mede daardoor niet meer in staat om elementen onder ogen te zien die minder goed lopen in het leven van onderzochte. Hierdoor ontstaat een eenzijdig beeld. Ouders lijken het als falen te ervaren als zij zouden toegeven dat bepaalde dingen bij onderzochte niet helemaal goed lopen. Onderzochte heeft de delicten, indien bewezen, niet alleen gepleegd. Onderzochte lijkt zich sterk te laten beïnvloeden door leeftijdsgenoten. Deze factoren beïnvloeden onderzochte in ongunstige zin.

Geadviseerd wordt om onderzochte een PIJ-maatregel op te leggen indien de ten laste gelegde feiten worden bewezen. De PIJ-maatregel wordt in het belang geacht van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van onderzochte omdat onderzochte naast het verkrijgen en volhouden van dagbesteding tijdens het verblijf in de PIJ-inrichting onder meer seksuele voorlichting zal krijgen aangeboden en een training met daarin het element sociale vaardigheid.

Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geachte, wordt een langdurig intensief behandeltraject nodig geacht.

In haar hiervoor aangehaalde rapportages rapporteert GZ-psycholoog drs. K.T.E. Zászlós onder meer:

Bij [verdachte] is sprake van een zwakke impuls- en agressieregulatie. Door zijn egocentrische houding en zwakke empathische vermogens kan het functioneren van zijn geweten als lacunair worden beschouwd. [verdachte] beschikt tevens over een gering inzicht, heeft moeite met oorzaak-gevolg relaties en overziet de consequenties van zijn handelen onvoldoende of niet.

Bij leeftijdgenoten is [verdachte] gevoelig voor negatieve beïnvloeding. Omwille van aanzien en erkenning en om erbij te horen laat hij zich al snel meeslepen in het grensoverschrijdend gedrag van een ander. Ouders hebben onvoldoende zicht op het functioneren van hun zoon buitenshuis en op school en zijn geneigd hem te veel in bescherming te nemen. De hierboven geschetste factoren beïnvloeden elkaar in negatieve zin.

Indien de feiten bewezen worden geacht, is de ontkennende houding van [verdachte] zeer zorgelijk en in dat geval neemt hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn grensoverschrijdend handelen. Het gewelddadige aspect in de problematiek van [verdachte], het recidivegevaar, zijn ontkennende houding en zorgelijke ontwikkeling vraagt om een intensieve behandeling in een gesloten intramurale setting voor jongeren met beperkte cognitieve vaardigheden, zodat hij gestimuleerd wordt meer verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden en inzicht krijgt in zijn aandeel en handelswijze tijdens het delictgedrag. Naast aandacht voor zijn impuls- en agressieregulatieprobleem, beïnvloedbaarheid en onrijpe morele ontwikkeling is er een gerichte behandeling nodig voor de scheefgroei in zijn seksuele ontwikkeling. Gezien zijn cognitieve beperkingen wordt gedacht aan een gedragsmatig georiënteerde vorm van behandeling in een instelling zoals Den Hey-Acker. Wat betreft het strafrechtelijk kader wordt gedacht aan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Het is van belang dat ouders betrokken worden bij de behandeling van hun zoon.

In het adviesrapport van de William Schrikker Jeugdreclassering van 25 januari 2011, opgemaakt voor mw. M.A.C. Huijben, jeugdreclasseringswerker, en mw. W.M.G.M. van Lith, inhoudelijke manager bij voornoemde instelling, wordt geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen.

In haar brief van 18 januari 2011 heeft de Raad voor de Kinderbescherming bericht dat zij zich verenigt met voormelde rapportage van de William Schrikker Jeugdreclassering. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 november 2011 heeft dhr. P.B.M. Bressers namens de Raad voor de Kinderbescherming onder meer het volgende verklaard:

Uit de rapporten van de deskundigen is af te leiden dat er een aantal factoren is die volgens de onderzoekers horen bij deze verdachte. Dat zijn termen zoals antisociaal, narcistisch, egocentrisch, geen schuldgevoel, het niet nemen van verantwoordelijkheid. Naar mijn mening is [verdachte] een jongen die - zelfs zichtbaar ter terechtzitting - beperkte mogelijkheden heeft om te dealen met wat om hem heen gebeurt. Voor hem is het lastig om in dit soort situaties te leren. Het onrijp en zwakbegaafd zijn en het niet hebben van een schuldgevoel worden niet ingegeven door ethiek maar vanwege de omstandigheid dat hij moeilijk kan dealen met de feiten. Door de deskundigen gedane constateringen waar hij vandaag mee wordt geconfronteerd, ontkent hij dan. Hij kan eigenlijk niet anders dan die feiten in zichzelf te ontkennen en negeren. Dan hoeft hij ook niet te twijfelen en hij bouwt daarmee als het ware zijn eigen waarheid. Ik denk niet dat hij de mogelijkheden heeft om het anders te doen.

Indien je de persoon van de verdachte met de feiten – indien bewezen – combineert, dan heb je een hele gevaarlijke mix. Als hij zich zo ontwikkelt zoals verdachte nu doet, dan heb je op dit moment nog enige kans om dit om te buigen in positieve zin. Dat is niet gemakkelijk maar daar zijn middelen voor.

Als hij de persoon blijft die hij nu is, en hij is in staat tot het plegen van de onderhavige feiten, dan is hij ook gevaarlijk voor zichzelf. Hij gaat dan zijn leven tegemoet waarbij hij niet in staat is om met dit alles om te gaan. Behalve dat dit voor de maatschappij problemen oplevert, is het ook voor hemzelf heel erg lastig. Hij zal zichzelf dan namelijk tegenkomen in de maatschappij. Ook de thuissituatie is in zekere zin niet steunend. Naar mijn mening wordt verdachte in zijn thuissituatie erg gesteund in de persoon hoe hij zelf is, namelijk ontkenning, feiten in jezelf een bepaalde waarheid toekennen en vasthouden en niet twijfelen aan datgene wat je zegt. Ook in die zin zal (ambulante) behandeling heel lastig zijn.

Concluderend wil ik het volgende opmerken. De Raad voor de Kinderbescherming stelt zich op het standpunt dat ambulante behandeling te kort zal schieten en ook echt te weinig zal zijn, hetgeen ook in de Pro Justitia-rapportage van 10 januari 2011 en de aanvulling daarop van 21 januari 2011 door drs. K.T.E. Zászlós, GZ-psycholoog wordt geadviseerd. De Raad voor de Kinderbescherming acht oplegging van de PIJ-maatregel zowel in het belang van de verdachte als in het belang van de maatschappij wenselijk, indien de ten laste gelegde feiten worden bewezen verklaard. Een zodanige maatregel is zowel in Den Hey-Acker als bij de Katamaran uitvoerbaar. Indien de maatregel niet binnen de gestelde periode het gewenste resultaat oplevert, dan kan de PIJ-maatregel eventueel verlengd worden. Naar mijn mening is de gedragsbeïnvloedende maatregel geen reële mogelijkheid.

Het hof volgt bovenstaande conclusie en de gronden waarop zij berusten en legt die ten grondslag aan zijn beslissing.

Alles overziende – daarbij van oordeel zijnde dat de bewezen verklaarde misdrijven feiten betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist en dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, waarmee is voldaan aan de gestelde wettelijke vereisten – is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat een beslissing tot oplegging van een PIJ-maatregel passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 3)]

De benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 3)] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 350,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 3)] in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 2)]

De benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 2)] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 129,95. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 2)] in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3 (slachtoffer 4)]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 5.944,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep, gelet op de door de rechtbank gewezen vrijspraak, niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 5.090,00 zal toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren.

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder parketnummer 01-833062-10 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid begroot het hof de materiële schade (kosten morning after pil) op EUR 90,00 en de immateriële schade op

EUR 2.500,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering tot gevangenneming

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 9 februari 2012 gevorderd dat het hof de gevangenneming van verdachte zal bevelen. De raadsman van verdachte is in de gelegenheid geweest zich over deze vordering uit te laten, doch heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Het hof overweegt dat verdachte bij de onderhavige uitspraak ter zake van het vervaardigen van kinderporno, openlijke geweldpleging en het meermalen medeplegen van verkrachting wordt veroordeeld tot jeugddetentie van aanzienlijke duur en plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Verdachte wordt veroordeeld voor feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is sprake van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren is gesteld en is naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten, de rechtsorde door die bewezen verklaarde feiten ernstig geschokt. Bovendien blijkt uit hetgeen de deskundigen over verdachte hebben gerapporteerd dat zonder begeleiding het recidivegevaar groot is. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert van verdachte. De omstandigheid dat een eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven, maakt dit niet anders. Nieuwe bezwaren zijn daarvoor niet noodzakelijk. Het hof zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 141, 240b en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-833053-10 onder 2 primair en subsidiair en in de zaak met parketnummer 01-824076-10 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-833053-10 onder 3 en in de zaak met parketnummer 01-824076-10 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 01-833062-10 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-833053-10 onder 3 en in de zaak met parketnummer

01-824076-10 onder 1 primair en in de zaak met parketnummer 01-833062-10 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1 (slachtoffer 3)]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1 (slachtoffer 3)], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2 (slachtoffer 2)]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2 (slachtoffer 2)], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3 (slachtoffer 4)]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3 (slachtoffer 4)] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-833062-10 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.590,00 (tweeduizend vijfhonderdnegentig euro) bestaande uit EUR 90,00 (negentig euro) materiële schade en EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3 (slachtoffer 4)], een bedrag te betalen van EUR 1.295,00 (duizend tweehonderdvijfennegentig euro) bestaande uit EUR 45,00 (vijfenveertig euro) materiële schade en EUR 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart zal worden geminuteerd.

Aldus gewezen door

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. W.J. Kolkert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,

en op 23 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.