Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6486

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
20-000112-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding art. 6 WVW 1994. Verkeersongeval waardoor twee personen overlijden en een derde persoon gewond raakt. Voertuig verdachte komt door onbekende oorzaak op weghelft voor tegemoetkomend verkeer en botst daar tegen een vrachtwagen. Vrachtwagen raakt van zijn koers, komt op verkeerde weghelft en botst daar tegen een tegemoetkomende personenauto waarin de drie slachtoffers zitten. Misdrijfschuld (aanmerkelijke onoplettendheid) aangenomen; niet gehouden aan de verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden op een niet-ongevaarlijke plaats en op een gevaarlijk moment; causaliteit; redelijke toerekening.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000112-11

Uitspraak : 22 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 december 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-820239-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1956],

wonende te [België], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De tenlastelegging bevat cumulatief een aantal afzonderlijk te beschouwen feiten, namelijk telkens met betrekking tot een van de vier slachtoffers. De rechtbank heeft de verdachte met betrekking tot het [slachtoffer 2] vrijgesproken van de volledige tenlastelegging, ook van de subsidiaire tenlastelegging.

Het door de verdachte ingestelde hoger beroep is niet gericht tegen deze vrijspraak. Het Openbaar Ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze vrijspraak.

Daarom is deze vrijspraak onaantastbaar geworden en kan zij geen deel uitmaken van het onderzoek van de zaak in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

De verdediging heeft:

• bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken;

• voor wat betreft de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde zich gerefereerd aan het oordeel van het hof;

• ten aanzien van de op te leggen straf bepleit dat aan verdachte een geldboete in combinatie met een gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 23 december 2009 te [X], althans in de gemeente [X], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, [straat x], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet voortdurend de controle over zijn voertuig te houden en/of niet de nodige voorzichtigheid te betrachten, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer van voornoemde weg is geraakt en/of (vervolgens) tegen een (tegemoetkomende) vrachtauto ([kenteken Y]) is aangereden, althans gebotst, en/of waardoor voornoemde vrachtauto moest uitwijken en/of de vrachtwagen (daarbij / vervolgens) tegen een personenauto ([kenteken Y]) is aangereden, althans gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten sleutelbeenbreuk en/of wervelbreuk en/of perforatie dunne darm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten breuk enkelgewricht, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 3]en/of [slachtoffer 4]) werden gedood;

subsidiair

hij op of omstreeks 23 december 2009 te [X], althans in de gemeente [X], als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, [straat x], niet voortdurend de controle over zijn voertuig heeft gehouden en/of niet de nodige voorzichtigheid heeft betracht, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer van voornoemde weg is geraakt en/of (vervolgens) tegen een (tegemoetkomende) vrachtauto ([kenteken Y]) is aangereden, althans gebotst, en/of waardoor voornoemde vrachtauto moest uitwijken en/of de vrachtwagen (daarbij / vervolgens) tegen een personenauto ([kenteken Y]) is aangereden, althans gebotst, althans door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte weliswaar onoplettend heeft gereden, maar dat hij wegens onvoldoende mate van schuld moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu de vrachtwagenchauffeur met wiens voertuig de auto van de verdachte in botsing is gekomen, aan die botsing medeschuldig was wegens onvoldoende anticiperen op de botsing, in het bijzonder door in het geheel niet af te remmen.

De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar de eerste botsing met de vrachtwagen heeft veroorzaakt, maar dat de verdachte niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden geacht voor de gevolgen van de daarop volgende tweede botsing van die vrachtwagen met de Peugeot 307, nu deze botsing naar alle waarschijnlijkheid zou zijn uitgebleven indien de bestuurder van de vrachtwagen voldoende had geanticipeerd op het rijgedrag van de verdachte.

De advocaat-generaal heeft vrijspraak gevorderd terzake van het primair tenlastegelegde wegens onvoldoende mate van schuld, zulks omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte gedurende langere tijd op de verkeerde weghelft heeft gereden.

Het hof overweegt het volgende.

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 1 juni 2004, NJ 2005, 252 komt het bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Uit het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse (opgenomen in het dossier van het voorbereidend onderzoek, doorlopende bladzijdenummering, blz. 97-134) en de overige inhoud van het dossier blijkt het volgende:

i) Op woensdag 23 december 2009 omstreeks 07:06 uur reed de verdachte als bestuurder van een Peugeot Boxer over de [straat x] in de gemeente [X]. Dit was vóór zonsopkomst (blz. 102). Deze Peugeot Boxer was een personenauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen (blz. 111).

ii) Ter plaatse van het ongeval is sprake van een lang recht weggedeelte (blz. 101).

iii) De weg bestaat uit één rijbaan welke middels twee onderbroken strepen is verdeeld in twee rijstroken, de ene voor verkeer in de richting [A] en de andere voor tegenliggend verkeer in de richting [B]. De rijstroken hebben elk een breedte van ca. 2.90 meter. De ruimte tussen de asstrepen is ca. 0.65 meter. (blz. 100).

iv) Ter plaatse gold een verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen. Motorvoertuigen mogen er wel landbouwvoertuigen inhalen (blz. 102). De maximumsnelheid bedraagt 80 kilometer per uur (blz. 101).

v) De verdachte reed in de richting [A] (blz. 108). Uit de tegenovergestelde richting kwam, op de daarvoor bestemde rijstrook, een Daf vrachtwagen aanrijden bestuurd door [slachtoffer 2].

vi) Op de foto’s op blz. 103 zijn, bij label 1, enkele verse beschadigingen in het wegdek aangetroffen, waarschijnlijk afgetekend door de onderzijde van de Peugeot Boxer van de verdachte op het moment dat de buitenste bevestigingsbouten van de linkerzijde van een demontabele dwarsdraagbalk het wegdek raakten nadat de complete linkerwielvoorophanging was afgebroken. Deze beschadigingen bevinden zich niet tussen de dubbele strepen, maar – naar het hof waarneemt op de foto’s – enkele centimeters links van de linker streep, bezien vanuit de rijrichting van de verdachte.

vii) Het voertuig van de verdachte, de Peugeot Boxer, is op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer gekomen en aldaar in botsing gekomen met de DAF vrachtwagen (blz. 119).

viii) De velg van het linkervoorwiel van de DAF vrachtwagen is door de botsing zodanig vervormd dat deze vrachtwagen uit zijn koers werd gebracht en wel, gezien vanuit de rijrichting van de vrachtwagen, naar links, waardoor de vrachtwagen op de rijstrook voor hem tegemoetkomend verkeer kwam (blz. 119).

ix) Op die rijstrook is de vrachtwagen vervolgens frontaal in botsing gekomen met een tegemoetkomende personenauto Peugeot 307 met [kenteken Y] (blz. 108 en 119).

x) Als gevolg van de laatstgenoemde botsing zijn twee inzittenden van de Peugeot 307 (de bestuurder [slachtoffer 3] en de passagier voorin [slachtoffer 4] ) om het leven gekomen. De passagier achterin de Peugeot 307 ([slachtoffer 1] heeft ernstige verwondingen opgelopen, te weten een sleutelbeenbreuk, een wervelbreuk in de lage rug en een perforatie van de dunne darm. De chauffeur van de vrachtwagen, [slachtoffer 2] heeft een breuk in het enkelgewricht opgelopen. (proces-verbaal relaas, blz. 4-5).

xi) De koplampen van de DAF vrachtwagen straalden waarschijnlijk licht uit ten tijde van het ongeval, althans dit is vastgesteld voor de rechterkoplamp (blz. 116).

xii) Er zijn geen remblokkeersporen aangetroffen (blz. 103). Juist vóór de botsing reed de DAF vrachtwagen 84 kilometer per uur, zo blijkt uit de tachograaf (blz. 118).

xiii) De verdachte heeft verklaard dat hij geen enkele herinnering heeft aan (het ontstaan van) het ongeval (blz. 10 en 17).

xiv) De chauffeur van de DAF vrachtwagen, [slachtoffer 2], heeft verklaard (blz. 25-26) dat er geen ander tegemoetkomend verkeer was, dat hij de koplampen van het tegemoetkomende voertuig van ver zag aankomen, dat dit voertuig op zijn ([slachtoffer 2]) weghelft kwam rijden en dat de tijd voor hem te kort was om naar rechts uit te wijken en dat er toen een klap kwam. De bijrijder in de vrachtwagen, [betrokkene 1] heeft verklaard (blz. 27-28) dat het tegemoetkomend voertuig zover op hun rijbaan kwam dat [slachtoffer 2] moest uitwijken, maar dat [slachtoffer 2] geen kant uitkon, waarna een klap kwam; vervolgens kwam hun vrachtwagen terecht op de rijbaan voor tegemoetkomende verkeer en meteen daarop volgde een tweede klap.

Uit de vorenstaande feiten en omstandigheden leidt het hof het volgende af.

Aangenomen moet worden dat de wegas, die de rijbaan doormidden deelt, ligt tussen de dubbele middenstrepen. Het voertuig van de verdachte heeft in aanmerkelijke mate de wegas overschreden en is deels op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer terecht gekomen. De overschrijding van de wegas bedraagt – zo blijkt uit iii en vi - tenminste ½ x 0.65 meter plus enkele centimeters. Het voertuig van de verdachte heeft de gehele, door de dubbele middenstrepen afgebakende ruimte overschreden. Een aanleiding of oorzaak voor deze wijze van rijden is niet gevonden. Niet is gebleken van een verkeersnoodzaak voor de verdachte om naar links uit te wijken noch van een vorm van verontschuldigbare onmacht om zich anders te gedragen. De rechte weg bood goed uitzicht op tegenliggers. Uit de verklaring van de vrachtwagenchauffeur (zie xiv) blijkt dat deze de koplampen van het voertuig van de verdachte al van ver had gezien. Dan moet ook de verdachte de koplampen van de vrachtwagen goed hebben kunnen waarnemen. Het ongeval vond plaats op een niet-ongevaarlijke weg, immers ter plaatse gold een inhaalverbod voor motorvoertuigen en werd met dubbele strepen om de wegas voldoende afstand tussen de tegenliggende verkeerstromen nagestreefd.

Hieruit volgt dat de verdachte, als bestuurder van een motorrijtuig, zich niet heeft gehouden aan de verplichting om zoveel mogelijk rechts te houden (artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) op een niet-ongevaarlijke plaats en op een gevaarlijk moment, te weten het naderen van een tegenligger, die voor de verdachte al geruime tijd goed zichtbaar moet zijn geweest, en dat het voertuig van de verdachte in niet geringe mate, voorbij de dubbele strepen om de wegas, op het weggedeelte bestemd voor tegemoetkomend verkeer is gekomen.

Zodanig verkeersgedrag draagt de gevolgtrekking dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is (vgl. HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252, ro. 3.6).

Aan de schuld van de verdachte doet in beginsel niet af of de chauffeur van de vrachtwagen medeschuld heeft aan het ontstaan van de botsing van zijn vrachtwagen met het voertuig van de verdachte. Het is immers de zelfstandige fout van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval. Reeds hierom faalt het verweer van de verdediging dat medeschuld van de chauffeur van de vrachtwagen tot gevolg heeft dat geen sprake meer is van aanmerkelijke schuld van de verdachte. Bovendien is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat aan de chauffeur van de vrachtwagen een verwijt is te maken van zijn manier van rijden of van een tekortschietende anticipatie op de fout van de verdachte. Gelet op de toedracht van de botsing van het voertuig van de verdachte met de vrachtwagen en gelet op de verklaringen die daarover door de vrachtwagenchauffeur [slachtoffer 2] en de bijrijder [betrokkene 1] zijn afgelegd, is het hof van oordeel dat de chauffeur van de vrachtwagen in redelijkheid onvoldoende tijd respectievelijk ruimte had om door af te remmen respectievelijk uit te wijken de botsing te vermijden.

De tweede botsing, te weten die tussen de vrachtwagen en de Peugeot 307 moet - gelet op hetgeen onder vii, viii en ix is vastgesteld en gelet op de conclusie dat aan de chauffeur van de vrachtwagen geen verwijt is te maken - in redelijkheid worden toegerekend aan de eerste, aan de fout van de verdachte te wijten botsing. Er zijn geen bijzondere omstandigheden komen vast te staan die het causaal verband tussen het verkeersgedrag van betrokkene en de beide botsingen doorbreken. Het verweer dat de tweede botsing zou zijn uitgebleven indien de chauffeur van de vrachtwagen beter had geanticipeerd, is speculatief en mist feitelijke grondslag en moet dus worden verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 december 2009 in de gemeente [X] als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straat x], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend, niet voortdurend de controle over zijn voertuig te houden, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer van voornoemde weg is geraakt en vervolgens tegen een tegemoetkomende vrachtauto is aangereden, waardoor voornoemde vrachtauto vervolgens tegen een personenauto, [kenteken Y], is gebotst, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel, te weten sleutelbeenbreuk en wervelbreuk en perforatie dunne darm werd toegebracht en waardoor anderen, genaamd [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] werden gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd

en

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat ten gevolge van de door verdachte begane misdrijven een ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is komen te overlijden, als gevolg waarvan groot leed en verlies is toegebracht aan hun familie en naaste omgeving;

- de omstandigheid dat ten gevolge van de door verdachte begane misdrijven een ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht;

- de omstandigheid dat de lichtste mate van misdrijfschuld is vastgesteld. Het is niet gebleken dat de verdachte roekeloos of zeer onoplettend heeft gereden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 november 2011, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken;

- de omstandigheid dat de verdachte verder moet leven met het besef dat door zijn verkeersfout twee mensen om het leven zijn gekomen en een ander zwaar gewond is geraakt. Het is duidelijk geworden dat de verdachte het hiermee moeilijk heeft.

Het vorenoverwogene in aanmerking genomen, acht het hof oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

De aan verdachte gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen dient mede ter bescherming van de verkeersveiligheid. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof acht, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk. Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte, die zijn rijbewijs al een tijd lang heeft moeten inleveren en toen toch heeft kunnen werken, zijn baan verliest ingeval hij nog een tijd lang geen motorrijtuigen mag besturen.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd en/of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b,14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. J.G. Sillevis Smitt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 22 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N.J.M. Ruyters en mr. J.G. Sillevis Smitt zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.