Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6336

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
20-004520-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BO6037, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1111, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij op parkeerterrein van de Praxis in Den Bosch. Het door de raadsman geschetste alternatieve scenario, dat de arm van de verdachte door de terugslag van het eerste schot een opwaartse beweging heeft gemaakt en dat hij de trekker onbewust een tweede keer heeft overgehaald, is niet aannemelijk geworden. Het hof veroordeelt de verdachte wegens moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004520-10

Uitspraak : 21 februari 2012

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 december 2010 (LJN BO6037) in de strafzaak met parketnummer 01/845106-10 tegen de verdachte,

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost,

in huis van bewaring, locatie Roermond, te Roermond.

waarbij hij ter zake van “moord” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest en waarbij de vordering van de benadeelde partij [BP] (nabestaande van [A]) volledig werd toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Na de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep is het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep bij akte intrekking beroep d.d. 31 mei 2011 ingetrokken. Nu de inhoudelijke behandeling van de zaak op genoemde datum nog niet was aangevangen en de officier van justitie door het intrekken van het hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de bezwaren tegen het vonnis niet worden gehandhaafd, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 18 mei 2011, 9 juni 2011, 23 augustus 2011, 1 november 2011, 6 december 2011 en 7 februari 2012, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 1 juni 2010, 26 augustus 2010 en 19 november 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. M.J.M. de Vries en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.W. van der Kruijs naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van zowel de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde moord als de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag. In subsidiaire zin heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen, terwijl in hoger beroep bovendien nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Het gehele vonnis zal daarom om redenen van efficiency worden vernietigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 maart 2010 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, op 1 maart 2010 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen in de borst, in elk geval het lichaam van die [A] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [A] op 2 maart 2010 is overleden.

2.

hij op of omstreeks 1 maart 2010 te 's-Hertogenbosch een of meer wapens van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Ruger, type P85 MK II), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs: de vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

1. Het overlijden van [A]

1.1

Op maandag 1 maart 2010, omstreeks 14.15 uur, werd door mevrouw [B], een medewerkster van de Praxis in ’s-Hertogenbosch, telefonisch contact opgenomen met de 112-alarmcentrale. Zij maakte melding van een schietpartij op het parkeerterrein van de Praxis in ’s-Hertogenbosch, waarbij een man gewond was geraakt.

Naar aanleiding van deze melding kwamen er omstreeks 14.20 uur politieambtenaren ter plaatse. Een van die politieambtenaren, verbalisant [verbalisant], zag op het parkeerterrein een personenauto van het merk Mercedes-Benz, waarvan het bestuurdersportier openstond. Op de bestuurdersstoel zat een gewonde man. Een getuige, die een steriel gaasje tegen de borst van de man hield, verklaarde tegenover genoemde verbalisant dat de man in de borst was geraakt. De gewonde man werd vrijwel direct overgebracht naar het ziekenhuis. Hij verklaarde tegenover medewerkers van dat ziekenhuis dat hij [A] uit Uden was. [A] is op 2 maart 2010, omstreeks 7.25 uur, in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Op 4 maart 2010 werd het stoffelijk overschot in het mortuarium getoond aan mevrouw [C] en de heer [BP]. Zij verklaarden het stoffelijk overschot respectievelijk te herkennen als haar vriend en zijn zoon [A], geboren op [1968] te Uden.

1.2

Op 5 maart 2010 heeft dr. B. Kubat, arts en patholoog, een uit- en inwendige schouwing op het lichaam van [A] verricht. Kubat heeft daarbij de volgende informatie betrokken. Het slachtoffer werd 1 dag voor overlijden neergeschoten. Hij werd in zeer slechte toestand naar het ziekenhuis gebracht waar een spoedoperatie werd verricht om het bloedverlies te stoppen, hetgeen niet lukte. Bij de sectie is - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende gebleken.

• 1. Links op de borst, op circa 138 centimeter vanaf de voetzoolrand, bevond zich een ronde huidperforatie (diameter van circa 0,5 centimeter) met omgevende huidkneuzing en bloeduitstorting (het letsel kan qua vorm passen bij een inschot).

• 2. Rechts in de flank, vrij ver naar de rug toe, op circa 125 centimeter vanaf de voetzoolrand, bevond zich een chirurgisch gehechte (en daardoor vervormde) huidperforatie (afmeting van circa 1 bij 0,5 centimeter) met een uitgebreide omgevende bloeduitstorting.

• 3. Tussen beide letsels bevond zich een schotkanaal, verlopend tussen het letsel op de borst naar de rug, naar rechts en iets voetwaarts; in het kader van het schotkanaal een doorschot door het borstbeen, het middenrif, de linker leverkwab, schamping van de onderzijde van de rechter leverkwab met uitgebreide destructie van het leverweefsel en perforatie van de poortader (vena portae).

• 4. Rond het schotkanaal bevonden zich uitgebreide bloeduitstortingen.

• 5. In de buikholte bevonden zich 23 met bloed gedrenkte gazen (gewicht 4530 gram).

• 6. Er waren: weinig lijkvlekken, bleke inwendige organen en slijmvliezen en tekenen van zuurstoftekort in het maag-darmstelsel en het hart (z.g. “ischemie”).

Bij de sectie waren er tekenen van bij leven opgetreden uitwendig mechanisch perforerend geweld, een doorschot door de buik (1 tot en met 4). In het kader daarvan waren er zeer uitgebreide letsels, met name aan de lever, en er was een beschadiging van een grote ader (3). Volgens de deskundige Kubat verklaart dat het bloedverlies en het feit dat het bloeden niet te stoppen was. Er waren tekenen van zeer ernstig bloedverlies (5 en 6 ) - verbloeding. Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

Kubat concludeert vervolgens dat het overlijden van [A] volledig wordt verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van inwendige letsels ontstaan in het kader van een schotletsel.

2. De toedracht van de schietpartij

2.1

[A] had op 1 maart 2010 met de verdachte afgesproken op het parkeerterrein van de Praxis in ’s-Hertogenbosch. Die afspraak had te maken, zo verklaarde de verdachte, met een geldbedrag dat hij aan [A] had geleend. Aan de afspraak ging een “niet bepaald gezellig” telefoongesprek vooraf.

De verdachte is met de auto van zijn broer, een Peugeot, naar de Praxis gekomen. Onder de bestuurdersstoel lag een door hem daar neergelegd wapen met daarin patronen. Hij parkeerde de auto op circa 5 meter afstand van de auto van [A], een Mercedes. De Mercedes (het hof begrijpt: de auto van [A]) viel volgens de getuige [D], die zich ter plaatse bevond, direct op. Dat kwam doordat de bestuurder nog in de auto zat en deze schuin over 2 vakken had geparkeerd, terwijl er geen enkele andere auto in de directe omgeving stond. Enkele minuten nadat de getuige [D] de achterportieren van zijn bus had geopend om met behulp van de zich daar bevindende werkbank een handvat van een laminaatknipper recht te slaan, zag hij de Peugeot (het hof begrijpt: waarin de verdachte reed) langs zijn bus afrijden en met zijn neus richting de Mercedes parkeren. De getuige [D] stond op een afstand van 15 à 20 meter en had goed zicht op de situatie.

2.2

De getuige [D] zag vervolgens een woordenwisseling en handgemeen ontstaan, zo blijkt uit zijn hierna weergegeven verklaringen.

• Tijdens een politieverhoor op 1 maart 2010:

“Ik zag dat [er] uit [de] Peugeot een man stapte (het hof begrijpt: de verdachte, en zal omwille van de leesbaarheid ‘de bestuurder van de Peugeot’ steeds als zodanig aanduiden) en […] dat er ook een man uit de Mercedes [stapte] (het hof begrijpt: het slachtoffer, en zal omwille van de leesbaarheid ‘de bestuurder van de Mercedes’ steeds als zodanig aanduiden). Ik hoorde dat [het slachtoffer] tegen [de verdachte] riep dat hij niet zo moest bedreigen.”

• Tijdens een politieverhoor op 6 maart 2010:

Ik hoorde dat [het slachtoffer] zei: ‘Je moet mij niet lopen bedreigen.’ […] Ik zag dat [het slachtoffer] agressief overkwam. Dit bedoel ik fysiek. Ik zag dat hij met zijn handen naar voren, stoer stond. Zo van ‘Kom maar, kom maar.’ De [verdachte] deed niet voor hem onder, maar had niet zoveel teksten. Ik hoorde dat hij antwoordde: ‘Maak ik zelf wel uit’ en dat soort korte teksten. Ik zag ook dat hij een dreigende houding aannam. Ik zag dat hij zijn handen naar voren hield en breed ging staan. Ik vond dat een intimiderende houding.

Het slachtoffer is hoofdzakelijk aan het schreeuwen geweest. Ik hoorde dat hij riep: ‘Ik heb je toch gezegd dat je van de week je geld krijgt’ en ‘Ik dacht dat we vrienden waren’. […]

De [verdachte] kapte alles wat de ander riep af. […] Ik hoorde en zag dat [verdachte] geen reactie gaf op het ‘Ik dacht dat we vrienden waren’. […] Ik zag door de houding dat beide mannen op het punt stonden om elkaar fysiek aan te vallen. Ik zag dat beide elkaar duwden en aan elkaar trokken. Dit speelde zich af tussen de twee auto’s die ongeveer 4 meter van elkaar stonden.”

• Tijdens een politieverhoor op 1 maart 2010:

“Ik zag dat beide mannen fysiek met elkaar in aanraking kwamen. Ik zag dat beide mannen beetje met elkaar begonnen te duwen en trekken. Ik hoorde dat het slachtoffer riep: ‘Hier moet je niet mee doorgaan, want anders schiet ik je kapot’, of woorden van gelijke strekking.”

2.3

De verdachte verklaarde tegenover de politie dat hij en [A] aan de achterzijde van de auto van [A] waren terechtgekomen en dat hij vervolgens naar zijn auto is gelopen om zijn wapen te pakken. Deze verklaring luidt als volgt.

“Er ontstond wat duw en trekwerk. Ik bedoel daarmee dat er over en weer werd geduwd. […] We zijn toen aan de achterzijde van de auto van [A] terecht gekomen. […] Ik hoorde [A] zeggen: ‘Ik schiet je kapot.’ […] Ik ben toen naar mijn auto toe gelopen en heb mijn wapen (het hof begrijpt: pistool) van onder de bestuurderstoel gepakt. Ik ben toen naar hem (het hof begrijpt: [A]) toe gelopen”

2.4

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over het wapen het volgende verklaard.

“In de ochtend van 1 maart 2010 had ik dat wapen bij mij. Ik wist dat daarin patronen zaten. Ik kende de werking van het wapen en ik wist ook hoe de beveiliging van het wapen werkte. De houder met patronen zat in het wapen. […] Ik heb het wapen onder de bestuurdersstoel van de auto neergelegd. […] Het wapen lag in mijn auto voor het grijpen gereed.”

2.5

De getuige [D] zag dat de verdachte rustig naar zijn auto liep, daar een wapen pakte, daarmee terugliep en het vlak voor het slachtoffer in de richting van de grond of diens benen richtte. Dat blijkt uit de volgende verklaring, afgelegd tijdens het politieverhoor van 6 maart 2010.

“Ik zag dat hierop [de verdachte] meteen en op zijn dooie gemak terugliep naar zijn auto. Ik zag dat hij terugliep naar het geopende bestuurdersportier van zijn auto. […] Ik zag dat hij van onder de bestuurdersstoel iets pakte. Ik zag dat hij een klein model handwapen pakte. […] Ik zag dat [de verdachte] het wapen pakte en langs zijn lichaam hield. […] Ik zag dat [de verdachte] richting [het slachtoffer] liep. Ik hoorde dat [het slachtoffer] iets riep in de trant van ‘Schiet dan, je durft toch niet te schieten.’

Nou die [verdachte] bedacht zich geen moment. Ik zag dat hij zijn arm strekte richting de grond of richting de benen van [het slachtoffer]of er tussendoor en schoot. Ik zag dat op dat moment [de verdachte] op 1,5 hooguit 2 meter van [het slachtoffer] stond. [De verdachte] heeft dus niet direct gericht. Hij stond dus vlak voor [het slachtoffer] toen hij voor de eerste keer zijn arm uitstrekte en schoot. […] Het schot klonk als vuurwerk, een knal. [Het slachtoffer] had geen praatjes meer. Ik zag dat hij verbaasd keek en [ik zag] hem in houding veranderen. Ik bedoel dat hij toen niet meer zo intimiderend stond. Hij werd figuurlijk kleiner.”

2.6

Bij de gelegenheid van de op 11 december 2011 gehouden reconstructie met de getuige [D], heeft de getuige [D] verklaard dat de verdachte het wapen - nadat hij dat met zijn rechterhand uit de auto had gepakt - stil en naar de grond gericht langs het lichaam hield en vrij rustig terug naar het slachtoffer liep. Hij verklaarde voorts dat de verdachte het wapen op het slachtoffer richtte, nadat hij ‘Je durft toch niet te schieten’ had geroepen. Op het moment dat de verdachte het wapen richtte, begon het slachtoffer “iets terug te deinzen” - hij kwam terug van “een agressieve houding voorover” en had toen “toch iets van ho”. De verdachte schoot vervolgens langs of tussen de benen van het slachtoffer door. Volgens de reconstructie was de afstand tussen beiden 1.75 meter.

2.7

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het wapen voor het gezicht van het slachtoffer heeft doorgeladen om vervolgens op (een van) diens benen te schieten. De verklaring op dit punt luidt als volgt.

“Het klopt dat ik op enig moment tijdens de ontmoeting met [A] naar de auto ben gelopen en het wapen heb gepakt. Ik heb dat gedaan, omdat hij tegen mij zei: ‘Ik schiet jou kapot’. […] Nadat ik het wapen heb gepakt, ben ik naar [A] toegelopen en heb ik het wapen voor zijn gezicht doorgeladen. Ik weet wat doorladen betekent. Er komt een kogel in de kamer. Het wapen is dan voor het schieten gereed.[…] Hij had geen wapen, althans ik heb geen wapen in zijn handen gezien. Hij had zijn handen omhooggehouden. Zodoende kon ik dat zien. Op dat moment heb ik het wapen doorgeladen […]Ik besloot te schieten toen hij op 2 meter afstand stond en riep ‘kom maar, kom maar, kom maar’. Nadat ik had geschoten zag ik hem achteruitdeinzen. Mij wordt voorgehouden dat ik drie verklaringen heb afgelegd tegenover de politie dat ik hem daarbij wel wilde raken, te weten de verklaringen dat “ik […] op zijn benen [wilde] raken” (pagina 100 van het politiedossier), dat het “mijn bedoeling [was] om hem in zijn been te raken” (pagina 120 van het politiedossier) en dat ik […] hem alleen in zijn been [wilde] schieten (pagina 131 van het politiedossier). Oké, ik wilde hem in zijn benen raken.”

2.8

Bij de eerdergenoemde reconstructie verklaarde de getuige [D] dat het slachtoffer na het eerste schot terugdeinsde en zijn (rechter)voet naar achteren zette. De getuige zag dat de verdachte na het eerste schot zijn arm verder uitstrekte richting de romp van het slachtoffer en een tweede schot loste. Dat schot volgde meteen op het eerste schot en raakte het slachtoffer. Dat kan uit de volgende verklaringen worden afgeleid.

• Tijdens een politieverhoor op 6 maart 2010:

“Het was secondewerk, tussen het eerste en tweede schot zat geen tijd. Er werd geen woord gewisseld. Ik zag dat [de verdachte] na het eerste schot zijn arm verder uitstrekte richting de romp van [het slachtoffer]. Het was nagenoeg een beweging. Ik zag dat de houding van de […] schutter onbewogen was. Ik hoorde een tweede schot. Ik hoorde dat [het slachtoffer] riep: ‘Ik ben geraakt, ik ben geraakt.’”

• Tijdens een politieverhoor op 1 maart 2010:

“[Het tweede schot] volgde onmiddellijk daarna (het hof begrijpt: na het eerste schot), daar zat ook geen moment tussen.[…] Die richtte hij echt met zijn arm naar voren. […] Gestrekt naar voren.”

Bij de reconstructie verklaarde de getuige [D] op de vraag van de raadsheer-commissaris of de arm van de verdachte plots omhoog ging of langzaam omhoog ging meerdere malen dat de arm van de verdachte langzaam omhoog ging. Ook verklaarde hij bij die gelegenheid dat de verdachte het pistool recht naar voren hield.

2.9

Uit een onderzoek naar de schotresten op de sweater van het slachtoffer bleek dat het schot (het hof begrijpt: het tweede schot) werd gelost op een afstand van maximaal 1,5 meter. Bij de beschadiging aan de voorzijde van de sweater, die naar zijn aard vrijwel zeker een inschotbeschadiging was, werden namelijk sporen aangetroffen die wijzen op een schootsafstand tussen 10 en 150 centimeter.

2.10

Na het tweede schot zakte het slachtoffer volgens de getuige [D] half in elkaar en strompelde hij naar zijn auto toe, al schreeuwende “Ik ben geraakt”. Dit heeft de verdachte opgemerkt, zo blijkt uit de verklaring die de verdachte in het kader van zijn verhoor betreffende de inverzekeringstelling en inbewaringstelling ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd. Deze verklaring luidt als volgt.

“Ik zag […] [A] met een van zijn handen naar zijn borst grijpen en in elkaar zakken.”

2.11

De verdachte liep vervolgens onbewogen en met een versnelde pas naar zijn auto en reed weg. Dat blijkt uit de volgende verklaring van de getuige [D].

“Ik zag dat [de verdachte] onbewogen en met een versnelde pas, iets sneller dan wandelen, naar zijn auto liep. […] Ik zag dat [de verdachte] niet achterom keek in de richting van het slachtoffer. […] Ik zag dat hij in de Peugeot stapte op de bestuurdersplaats. Ik zag dat hij een halve cirkel draaide en wegreed. […] Ik hoorde […] dat toen hij mij passeerde het gas intrapte en stevig gas gaf. Ik hoorde dat aan de piepende banden. Dit versnellen gebeurde ter hoogte van mijn bus. […] Ik hoorde dat [het slachtoffer] verschrikt riep: ‘Help, help, ik ben geraakt.’”

2.12

De verdachte heeft over het gebeuren na het schieten het volgende verklaard.

• Tijdens een politieverhoor op 4 maart 2010:

“Ik ben in mijn auto gestapt. […] Ik ben toen door Den Bosch gereden en heb het wapen weggegooid.”

• Tijdens een ander politieverhoor op 4 maart 2010:

“Ik heb het wapen in het water gegooid.”

2.13

Op grond van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat het gebeuren bij de Praxis zich in 58 seconden heeft afgespeeld. Daarop is namelijk te zien dat de Peugeot om 02.18.25 uur het parkeerterrein opreed en dat om 02.19.23 weer verliet.

3. Het wapen: een 9mm pistool van het merk Ruger

3.1

Op 4 maart 2010 heeft de verdachte over het wapen verklaard en de plaats aangegeven waar hij het wapen heeft weggegooid. De verklaringen over het wapen luiden op dit punt als volgt.

• Tijdens een politieverhoor op 4 maart 2010:

“Verbalisanten: Wat voor wapen was dat?

Verdachte: Ruger 9 mm. Het is een redelijk groot wapen. De onderkant was aluminium en was grijskleurig en de bovenkant zwart.

Verbalisanten: Wat zat erin?

Verdachte: Ik denk dat er 7 patronen in zaten.”

• Tijdens een ander politieverhoor op 4 maart 2010: :

“Het wapen is volgens mij nog doorgeladen. Het magazijn heb ik er niet uitgehaald.”

In een sloot werd, op eerder aangeven van de verdachte, een pistool van het merk Ruger aangetroffen. Het vuurwapen werd door een lid van het arrestatieteam ontladen. De houder werd uit het vuurwapen genomen welke was gevuld met patronen vermoedelijk van het kaliber 9mm. Er werd een vermoedelijk 9mm patroon uitgeworpen.

3.2

Een visuele inspectie door deskundige W. Kerkhoff van het Nederlandse Forensisch Instituut wees uit dat het pistool de opschriften en uiterlijke kenmerken heeft van een semi-automatisch pistool van het merk Ruger, model P85 MK II, kaliber 9mm Parabellum. Voorts trok genoemde deskundige met betrekking tot de hulzen [AABR6417NL] en [AABR6418NL] en de kogel [AABR6416NL] de volgende conclusies.

• De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn waarschijnlijker wanneer de hypothese juist is dat de hulzen met het pistool zijn verschoten, dan wanneer de hypothese juist is dat de hulzen zijn verschoten met één of twee andere vuurwapen(s) van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.

• De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer de hypothese juist is dat de kogel is afgevuurd uit de loop van het pistool, dan wanneer de hypothese juist is dat de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het pistool.

De hulzen waren aangetroffen op het parkeerterrein van de Praxis. De kogel was op dat parkeerterrein onder de Mercedes (het hof begrijpt: van [A]) aangetroffen. Het betreffende pistool, type P85 MK II, is een vuurwapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1°, van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, onder 2°, 3° of 6°, van de Wet wapens en munitie.

3.3

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend dat hij op 1 maart 2010 het pistool voorhanden heeft gehad. Hij verklaarde daarvoor geen vergunning te hebben.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

• Opzet op de dood of een alternatief scenario

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte integraal van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht. Dit verweer hangt samen met het door de raadsman geschetste alternatieve scenario dat de arm van de verdachte door de terugslag van het eerste schot een opwaartse beweging heeft gemaakt en dat hij door de spanning alsmede de schok en de schrik die dat eerste schot teweegbracht, de trekker onbewust een tweede keer heeft overgehaald.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan de raadsman kan worden toegegeven dat hij met behulp van op beeld opgenomen schietoefeningen en aanvullend deskundigenonderzoek heeft aangetoond dat er een theoretische mogelijkheid bestaat dat de arm van een schutter door een terugslag na een - naar beneden gericht - schot tot op borsthoogte kan reiken. Echter, nog daargelaten dat daarmee nog niet is gezegd dat de schutter de trekker ongewild heeft overgehaald, miskent de raadsman dat dit scenario noch met de verklaring van de verdachte, noch met enig ander bewijsmiddel wordt gestaafd. In essentie is het niet meer dan een invulling van de toedracht door de raadsman, die op geen enkele wijze voortvloeit uit de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft immers niet over het tweede schot verklaard; hij zegt zich alleen het eerste schot te herinneren. Het scenario van de raadsman is evenmin anderszins aannemelijk geworden.

Met betrekking tot de verklaring van de verdachte dat hij in het geheel geen herinnering heeft aan het tweede schot, waarbij hij volgens zijn raadsman de trekker onbewust heeft overgehaald, overweegt het hof nog als volgt.

Het hof wijst erop dat de verdachte heeft verklaard dat hij de werking van het wapen kende. Hij wist hoe de beveiliging werkte. Hij wist dat de houder met patronen in het wapen zat. Volgens de verdachte ging het om 7 patronen. De verdachte heeft het wapen gepakt en hij heeft het voor het gezicht van het slachtoffer, terwijl hij op korte afstand van en voor hem stond, doorgeladen en in de richting van het slachtoffer geschoten met de bedoeling om hem in zijn benen te raken. De getuige [D] en de verdachte hebben beiden verklaard dat het slachtoffer na het eerste schot achteruit deinsde. De getuige [D] heeft vervolgens waargenomen dat de arm van de verdachte na het eerste schot in nagenoeg één beweging langzaam omhoogging en dat daarna het pistool, recht naar voren werd gehouden, richting de romp van het slachtoffer. De houding van de verdachte was volgens [D] onbewogen. Vervolgens heeft de verdachte nogmaals geschoten. Dit terwijl het slachtoffer nog steeds op korte afstand voor de verdachte stond. Door de NFI deskundige wapens en munitie W. Kerkhoff is geconcludeerd dat voor het lossen van een tweede schot het loslaten en opnieuw overhalen van de trekker nodig is. Dit zijn twee tegengestelde bewegingen van de trekkervinger, aldus de deskundige. De verdachte heeft zelf nog verklaard dat hij heeft gezien hoe het slachtoffer naar zijn borst greep en in elkaar zakte. De verdachte is vervolgens onbewogen en zonder omkijken naar zijn auto gelopen en is met piepende banden weggereden. Uit die omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte wel degelijk bewust het tweede schot op het bovenlichaam van het slachtoffer heeft gelost.

Bovendien is het hof van oordeel dat de door de verdachte verrichte gedraging - het op zeer korte afstand schieten op de romp van het slachtoffer - naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het overlijden van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat hij dat gevolg ook heeft gewild. Het hof is derhalve van oordeel dat het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer was gericht.

Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

• Opwelling of voorbedachte raad

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte in elk geval van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte voorafgaand aan het eerste schot een besluit heeft genomen om het slachtoffer te doden, terwijl het tweede schot direct op het eerste volgde. De redenering van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat er bij de verdachte sprake is geweest van één en hetzelfde wilsbesluit om het slachtoffer te doden en hij ter uitvoering daarvan tweemaal heeft geschoten, dient te worden verworpen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor bewezenverklaring van moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte tijd had (en dat kan een betrekkelijk korte tijd zijn) zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval aan dit criterium is voldaan, stelt het hof het volgende voorop. Met de raadsman is het hof van oordeel dat met betrekking tot de tijdspanne tussen het eerste en tweede schot dient te worden uitgegaan van de eerste verklaring van de getuige [D], namelijk dat het tweede schot direct op het eerste volgde. Dat genoemde getuige bij de rechter-commissaris en bij de reconstructie heeft verklaard dat er pas na een paar seconden voor de tweede keer werd geschoten, begrijpt het hof als een conclusie van de getuige dat met de omhoogwaartse beweging van de arm van de verdachte met in de hand het pistool enige tijd gemoeid moet zijn geweest. In zijn tegenover de politie afgelegde verklaring was hij echter duidelijk: het was nagenoeg één beweging en daar zat geen moment tussen.

Voor het antwoord op de vraag of voor de verdachte gelegenheid heeft bestaan voor bezinning in voormelde zin, acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang.

• Nadat het slachtoffer in een woordenwisseling en een handgemeen bestaande uit duwen en trekken, richting de verdachte iets in de zin van “Hier moet je niet mee doorgaan, want anders schiet ik je kapot” riep, is de verdachte rustig naar zijn auto gelopen.

• De afstand tot verdachtes auto, vanaf de plek van de woordenwisseling en het handgemeen, was ongeveer een meter of 4 (getuige [D]) à 5 (de verdachte).

• De verdachte heeft onder de bestuurdersstoel van zijn auto een met - volgens hem - 7 patronen geladen pistool gepakt.

• Het pistool was een semi-automatisch pistool, merk Ruger, kal. 9mm.

• De verdachte kende de werking van het wapen.

• De verdachte hield het wapen stil en naar de grond gericht langs het lichaam en liep vrij rustig terug naar het slachtoffer.

• Het slachtoffer riep toen: “Schiet dan, je durft toch niet te schieten”, of woorden van gelijke strekking.

• De verdachte heeft het wapen vervolgens voor het gezicht van het slachtoffer doorgeladen.

• Het slachtoffer had geen wapen. De verdachte zag dat, want het slachtoffer had zijn handen omhooggehouden.

• De verdachte heeft het wapen gericht op de benen van het slachtoffer. Dat was op een afstand van 1,5 à 2 meter (volgens de reconstructie 1.75 meter).

• Het slachtoffer deinsde op dat moment iets terug: hij keek verbaasd en veranderde van houding.

• De verdachte schoot daarop een eerste keer gericht op de benen van het slachtoffer met de bedoeling om het slachtoffer te raken.

• Het slachtoffer werd niet door de kogel geraakt. Het slachtoffer deinsde toen nog meer terug en zette zijn rechtervoet een halve stap naar achter.

• De verdachte strekte zijn arm in nagenoeg één beweging langzaam verder uit. Zijn houding was onbewogen en hij schoot direct een tweede keer; ditmaal richting de romp van het slachtoffer.

• Het slachtoffer werd in de borst geraakt en riep “Ik ben geraakt, ik ben geraakt”. De verdachte zag het slachtoffer naar zijn borst grijpen en in elkaar zakken.

• De verdachte liep vervolgens onbewogen en met versnelde pas naar zijn auto toe, keek niet meer om naar het slachtoffer en reed met piepende banden weg.

Het hof stelt vast dat uit deze omstandigheden naar voren komt dat de verdachte - in elk geval naar de uiterlijke verschijningsvorm - in het conflict relatief rustig is gebleven en niet met extreme emoties lijkt te hebben gekampt. Ook nadat het slachtoffer in de borst werd geraakt en in elkaar zakte, is de verdachte direct teruggelopen naar zijn auto en heeft in die loop naar zijn auto niet meer naar het slachtoffer omgekeken. Dat past bij een verdachte die niet in een opwelling heeft gehandeld. Weliswaar schiet het voorhanden bewijs tekort voor de vaststelling dat de verdachte voorafgaand aan het naar zijn auto toelopen om het pistool te pakken reeds het besluit had genomen om een (potentiële) dodingshandeling te verrichten, maar dat is ook niet vereist: ook de gelegenheid hebben zich te bezinnen op een te nemen besluit, levert voorbedachte raad op en daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake. Daaraan doet niet af dat de verdachte het slachtoffer met het eerste schot in de benen wilde raken, nu hij direct daarop - zonder de controle over het wapen te verliezen - bewust nogmaals, maar dan op borsthoogte, heeft geschoten. De verdachte heeft zich op dat te nemen besluit op meerdere momenten kunnen bezinnen, namelijk niet alleen op de momenten tussen het naar de auto lopen en met het daar gepakte wapen teruglopen naar het slachtoffer, maar ook nog op het moment van het op zeer korte afstand van het slachtoffer (1,5 tot 2 meter) eenmaal doorladen en de momenten van het richten van het wapen voor het afvuren van de beide schoten; bovendien zag hij voor het eerste schot dat het slachtoffer geen wapen had. Immers, hij zag dat het slachtoffer zijn handen omhooghield. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een zodanige gemoedstoestand bij de verdachte dat hij zich niet kon beraden. Zo heeft de verdachte meermalen verklaard dat hij “niet in paniek” was.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus voldoende gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De overigens door de raadsman aangevoerde argumenten, brengen het hof niet tot een ander oordeel.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 1 maart 2010 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, op 1 maart 2010 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen in de borst van die [A] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [A] op 2 maart 2010 is overleden.

2.

hij op 1 maart 2010 te 's-Hertogenbosch een wapen van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk Ruger, type P85 MK II), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld in artikel 55, derde lid, onder a van die wet.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde leveren de volgende kwalificaties op.

1. Moord.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

De rechtbank heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

De advocaat-generaal heeft zich achter dat oordeel geschaard.

De raadsman heeft in uiterst subsidiaire zin bepleit dat gelet op vergelijkbare zaken en de jonge leeftijd van de verdachte maximaal een gevangenisstraf voor de duur van 7 à 8 jaren kan worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt in dat verband dat bij moord in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Aan dat uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als het ernstigste commune delict, nu het opzettelijk en met voorbedachten raden benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

Het hof neemt voorts de volgende omstandigheden in aanmerking.

• De verdachte heeft een semi-automatisch pistool - geladen met patronen - voorhanden gehad. Hij heeft dat, na een woordenwisseling en een handgemeen met het slachtoffer, bestaande uit het over en weer duwen en trekken, gebruikt om het slachtoffer, op zeer korte afstand - op klaarlichte dag op een parkeerterrein van een bouwmarkt - dood te schieten. Dit terwijl het slachtoffer hem had getoond zelf geen wapen te hebben. Immers, hij had zijn handen omhooggehouden. Het slachtoffer, een goede bekende van hem, maakte geen schijn van kans.

• De verdachte heeft met zijn handelen de familie en naaste omgeving van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. In het bijzonder voor de minderjarige zoon van het slachtoffer is het een niet te bevatten gebeurtenis. Dat maakt de opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring duidelijk. Het gemis van zijn vader en de impact van diens gewelddadige dood blijft voor de minderjarige zoon enorm. Aan hem is de mogelijkheid ontnomen om verder met zijn vader op te groeien.

• Daarnaast heeft het feit een grote invloed op de algemene gevoelens van veiligheid in de samenleving. Ten slotte heeft het feit grote impact gehad op de ter plaatse aanwezige getuige [D]. Hij was doende met zijn werkzaamheden en werd ongewild getuige van een levensdelict.

Het hof zijn geen omstandigheden gebleken die een mitigerend effect op de strafmaat zouden moeten hebben. De verdachte is blijkens het door psycholoog drs. L. van Rens opgemaakt pro justitia rapport d.d. 29 oktober 2010 als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen, terwijl uit het justitieel documentatieregister d.d. 10 januari 2012 valt op te maken dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Naar het oordeel van het hof gaat ook van de jeugdige leeftijd van de verdachte geen strafverminderende werking uit, zoals door de raadsman is bepleit. De verdachte was ten tijde van de moord (ruim) 21 jaar; op die leeftijd heeft hij de volledige last van zijn crimineel gedrag te dragen.

Het hof deelt evenmin het standpunt van de raadsman dat een consistente straftoemeting met zich brengt dat aan de verdachte een lagere gevangenisstraf moet worden opgelegd dan die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Integendeel zelfs, het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden van het geval daarin nog onvoldoende tot uitdrukking komt en concludeert, alles in ogenschouw genomen, dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren passend en geboden is. Het hof zal de verdachte daartoe dan ook veroordelen.

Beslag

Het hof zal ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan respectievelijk de verdachte, [E] en [C] dan wel de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, een en ander zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [BP] (nabestaande van [A]) als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 9.280,85.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen dat bedrag ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat te betalen.

Vordering benadeelde partij [BP] (nabestaande van [A])

De benadeelde partij [BP] (nabestaande van [A]) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 9.480,85. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

De rechtbank heeft bij de toewijzing van de vordering naar het oordeel van het hof miskend dat de kosten van rechtsbijstand ten belope van EUR 200,00 niet aan te merken zijn als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Om die reden heeft het hof deze kosten ook niet in aanmerking genomen bij de oplegging van de hiervoor genoemde schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is wel komen vast te staan dat de overige kosten, te weten een bedrag van EUR 9.280,85, een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

Dit betekent overigens niet dat de kosten van rechtsbijstand niet zullen worden vergoed. Deze kosten worden namelijk als proceskosten van de benadeelde partij ten laste van de verdachte gebracht.

Overweging betreffende de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen als vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers 176344 en 165507.

Gelast de teruggave aan [E] van de in beslag genomen voorwerpen als vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers 164007, 164008, 164009, 164010, 164011, 164013, 164016, 164021, 164022 en 164023.

Gelast de teruggave aan [C] van de in beslag genomen voorwerpen als vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers 164102, 16409, 164118 en 164120.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de overige in beslag genomen voorwerpen vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [BP] (nabestaande van [A]) aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 9.280,85 (negenduizend tweehonderd tachtig euro en vijfentachtig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 81 (eenentachtig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [BP] (nabestaande van [A]) voor een bedrag van EUR 9.280,85 (negenduizend tweehonderd tachtig euro en vijfentachtig cent en veroordeelt de verdachte om dit bedrag aan hem tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 200,00 (tweehonderd euro).

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Aldus gewezen door

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. M. Rutgers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 21 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Rutgers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.