Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6054

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
HD 200.082.978
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ0628, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incident ex art. 843a Rv, geen algemeen inzagerecht, cumulatieve vereisten

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.082.978

arrest van de achtste kamer van 14 februari 2012

gewezen in het incident ex art. 843a Rv in de zaak van

1. [Appellante sub 1.],

2. [Appellant sub 2.],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in (deels voorwaardelijk) incidenteel appel,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. M.W. Minnaard,

tegen:

Stichting Pensioenfonds Smurfit Kappa Nederland,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in (deels voorwaardelijk) incidenteel appel,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. G.R. Derksen,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 februari 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnis van 18 november 2010 tussen appellanten in het principaal appel en geïntimeerden in het (deels voorwaardelijk) incidenteel appel - hierna gezamenlijk [appellanten] c.s. genoemd - als eisers en geïntimeerde in het principaal appel en eiseres in het (deels voorwaardelijk) incidenteel appel - hierna het Pensioenfonds genoemd - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 616291/09/3056)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [appellanten] c.s., onder overlegging van één productie, zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van haar vorderingen inzake het nabestaandenpensioen en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van deze vorderingen onder oplegging van een dwangsom met veroordeling van het Pensioenfonds tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten in beide instanties.

2.2. Het Pensioenfonds heeft een memorie van antwoord tevens (deels voorwaardelijk) incidenteel appel tevens eis in het incident ex artikel 843a Rv genomen. In het incidenteel appel heeft het Pensioenfonds geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor wat betreft de veroordeling van het Pensioenfonds tot betaling van de gevorderde arbeidsongeschiktheidspensioenrechten en tot het alsnog afwijzen van deze vorderingen met veroordeling van [appellante sub 1.] in de proceskosten in beide instanties, nakosten inbegrepen en tot terugbetaling van de proceskosten die het Pensioenfonds ter uitvoering van het vonnis aan [appellante sub 1.] heeft voldaan, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van betaling tot aan volledige voldoening. In het incident ex art. 843a Rv heeft het Pensioenfonds geconcludeerd tot - kort gezegd - enerzijds afgifte of inzage in de inkomensstromen van [appellante sub 1.] door overlegging van kopieën van bankafschriften over de periode vanaf 5 september 2009 en over de periode van 1 januari 2007 tot 5 september 2009 en anderzijds inzage of afgifte in afspraken tussen Eska Graphic Board B.V. (hierna: Eska) en [appellanten] c.s. omtrent het recht op, aanspraak op, of uitbetaling van de gevorderde arbeidsongeschiktheidspensioenrechten en/of de nabestaandenpensioenrechten afdwingbaar van Eska. Een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [appellanten] c.s. in de kosten van het incident inclusief nakosten.

2.3. [appellante sub 1.] heeft een memorie van antwoord in het incident genomen.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd voor uitspraak in het incident. Het Pensioenfonds heeft alleen de gedingstukken van de eerste aanleg overgelegd.

3. De beoordeling

3.1. De oorspronkelijk eiser in de onderhavige zaak was [partner van appellante sub 1.], de partner van eiseres sub 1, [appellante sub 1.] en de vader van eiser sub 2, [appellant sub 2.]. Na het overlijden van [partner van appellante sub 1.] hebben [appellanten] c.s. als zijn enig erfgenamen de onderhavige zaak voortgezet en de oorspronkelijke eis gewijzigd. De vorderingen van [appellanten] c.s. hebben - kort gezegd - betrekking op de arbeidsongeschiktheidspensioenrechten van [partner van appellante sub 1.] en de nabestaandenpensioenrechten van [appellanten] c.s. De kantonrechter heeft de vordering inzake arbeidsongeschiktheidspensioenrechten toegewezen en de vordering inzake de nabestaandenpensioenrechten afgewezen. Tegen deze laatste afwijzing is door [appellante sub 1.] principaal appel ingesteld en tegen de toewijzing van de arbeidsongeschiktheidspensioenrechten is door het Pensioenfonds (deel voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld. Voor de duiding van de zaak zal het hof, zeer in het kort, enkele relevante feiten in de onderhavige zaak weergeven.

3.1.1. [partner van appellante sub 1.] is vanaf 5 september 1977 in dienst geweest van Eska. Hij heeft gedurende zijn dienstverband deelgenomen aan de pensioenregeling van Eska.

3.1.2. Tot 1 januari 2007 werd de pensioenregeling van Eska uitgevoerd door het Pensioenfonds.

3.1.3. In augustus 2006 heeft er een overdracht van aandelen in Eska plaatsgevonden. In dat kader is met het Pensioenfonds overeengekomen dat de werknemers van Eska tot en met 31 december 2006 deelnemers konden blijven in het Pensioenfonds.

3.1.4. Vanaf 1 januari 2007 is Zwitserleven de nieuwe pensioenuitvoerder geworden van de pensioenregeling van Eska. Per die datum heeft er een collectieve waardeoverdracht plaatsgevonden van de tot 1 januari 2007 opgebouwde pensioenaanspraken van alle werknemers van Eska. De werknemers van Eska die op 31 december 2006 en 1 januari 2007 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt waren in de zin van de WAO of WIA zouden voor het gedeelte dat ze arbeidsongeschikt waren achterblijven bij het Pensioenfonds. Aan deze werknemers werd voor dat gedeelte geen toestemming gevraagd voor waardeoverdracht aan Zwitserleven.

3.1.5. [partner van appellante sub 1.] was vanaf 21 maart 2006 ziek gemeld bij Eska. Op 15 maart 2007 hebben [partner van appellante sub 1.] en zijn partner [appellante sub 1.] schriftelijke toestemming verleend voor de waardeoverdracht van zijn opgebouwde pensioenaanspraken aan Zwitserleven.

In het incident

3.2. In het incident vordert het Pensioenfonds afgifte dan wel inzage in:

1. de inkomensstromen van [appellanten] c.s. door overlegging van kopieën van bankafschriften (van de bank waarop [appellanten] c.s. hun inkomsten ontvangen) over de periode van 5 september 2009 tot en met heden en om inzage in de inkomensstromen van [partner van appellante sub 1.] door overlegging van bankafschriften (van de bank waarop wijlen [partner van appellante sub 1.] zijn inkomsten ontving) over de periode van 1 januari 2007 tot 5 september 2009;

2. a) schriftelijke stukken waarin de afspraken tussen Eska en [partner van appellante sub 1.] zijn vastgelegd in de ruimste zin van het woord omtrent het recht op en/of aanspraak op en/of de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidspensioenrechten (zoals gevorderd door [appellanten] c.s. in eerste aanleg en toegewezen door de kantonrechter) of aanspraken gelijksoortig hieraan en/of de nabestaandenpensioenrechten (zoals gevorderd door [appellanten] c.s. en afgewezen door de kantonrechter) althans aanspraken gelijksoortig hieraan die (direct of indirect) door [partner van appellante sub 1.] en/of [appellanten] c.s. konden of kunnen worden afgedwongen van Eska;

b) schriftelijke stukken waarin de afspraken tussen Eska en [appellanten] c.s. zijn vastgelegd in de ruimste zin van het woord omtrent het recht op en/of aanspraak op en/of de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidspensioenrechten (zoals gevorderd door [appellanten] c.s. in eerste aanleg en toegewezen door de kantonrechter) of aanspraken gelijksoortig hieraan en/of de nabestaandenpensioenrechten (zoals gevorderd door [appellanten] c.s. en afgewezen door de kantonrechter) althans aanspraken gelijksoortig hieraan die (direct of indirect) door [appellanten] c.s. konden of kunnen worden afgedwongen van Eska;

Een en ander op straffe van een dwangsom.

3.2.1. Het Pensioenfonds stelt dat het van belang is om kennis te nemen van de inhoud van de gevorderde stukken, omdat daaruit kan worden afgeleid of [appellanten] c.s. betaling hebben ontvangen of zullen ontvangen van Eska. Het Pensioenfonds stelt daarbij dat indien [appellanten] c.s. reeds (gedeeltelijke) betaling hebben ontvangen of deze zullen ontvangen op grond van de pensioenovereenkomst tussen [partner van appellante sub 1.] en Eska, zij geen belang hebben bij de onderhavige procedure. Aan de eisen van art. 843a Rv is volgens het Pensioenfonds voldaan, omdat het een rechtmatig belang heeft bij de vordering, het om specifieke stukken gaat en de rechtsbetrekking volgt uit het feit dat [appellanten] c.s. nabestaanden zijn van [partner van appellante sub 1.] en het Pensioenfonds de pensioenuitvoerder was van [partner van appellante sub 1.] op grond van de pensioenovereenkomst tussen [partner van appellante sub 1.] en Eska.

3.3. [appellanten] c.s. concluderen tot afwijzing van de incidentele vordering ex art. 843a Rv en stellen daartoe dat het gevorderde onder 2 (a en b) niet toewijsbaar is omdat het Pensioenfonds afdwingbaarheid van Eska daarbij als voorwaarde stelt, terwijl de

arbeidsongeschiktheidspensioenrechten en de nabestaandenpensioenrechten niet van Eska afdwingbaar zijn, omdat Eska geen pensioenuitvoerder is. Daar voegen zij aan toe dat de relevante stukken reeds in het bezit zijn van het Pensioenfonds, zodat het geen belang heeft bij het opvragen van deze stukken. Daarnaast stelt [appellante sub 1.] dat de vordering niet voldoet aan de vereisten van art. 843a Rv, omdat het Pensioenfonds geen rechtmatig belang heeft bij het opvragen van deze stukken, de gevorderde stukken niet voldoende bepaald zijn en het Pensioenfonds ook geen partij is bij de door hem beweerde afspraken waar de vordering op is gebaseerd.

3.4. Het hof oordeelt als volgt. Zoals partijen ook aangeven, staat voorop dat een vordering ex art. 843a lid 1 Rv slechts kan worden toegewezen indien voldaan is aan de daarin genoemde cumulatieve voorwaarden, namelijk:

a) de eiser in het incident dient een rechtmatig belang te hebben bij het gevorderde afschrift of de gevorderde inzage;

b) het afschrift of de inzage moet betrekking hebben op bepaalde bescheiden;

c) de bescheiden waarvan afschrift of inzage wordt gevorderd moeten betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin de eiser in het incident of zijn rechtsvoorganger partij is.

3.4.1. Het hof overweegt dat art. 843a Rv geen algemeen inzagerecht verschaft. De bescheiden waarvan inzage wordt gevorderd dienen zodanig concreet te worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en waarom eiser een rechtmatig belang heeft bij inzage in die concrete bescheiden. Aan dit vereiste is niet voldaan. Het Pensioenfonds heeft onvoldoende concreet aangegeven op welke specifieke bankafschriften zij doelt en waarom zij een specifiek belang heeft bij deze bankafschriften. Ook de vordering betreffende de stukken inzake afspraken tussen Eska en [partner van appellante sub 1.] en/of [appellanten] c.s. zijn niet door het Pensioenfonds geconcretiseerd. Het Pensioenfonds heeft geen data genoemd of namen van personen die bij deze afspraken betrokken zouden zijn. Dat het Pensioenfonds geen concrete bescheiden op het oog heeft, blijkt ook uit zijn vordering, waarin tussen haken is toegevoegd ‘voor zover deze bestaan’. Art. 843a Rv biedt niet de mogelijkheid aan een partij om te achterhalen of er stukken zijn waarvan wordt vermoed dat deze zouden kunnen bestaan. Het bepaalbaarheidsvereiste van dit artikel verzet zich daartegen.

3.4.2. Het hof overweegt daarbij eveneens dat uit de memorie van eis ex art. 843a Rv volgt dat de bescheiden die door het Pensioenfonds worden gevorderd betrekking hebben op vermeende afspraken tussen Eska en [partner van appellante sub 1.] en/of [appellanten] c.s. en betalingen die volgens het Pensioenfonds door Eska aan [partner van appellante sub 1.] en/of [appellanten] c.s. zouden zijn verricht. Bij de rechtsbetrekking waar de gevorderde bescheiden betrekking op hebben is het Pensioenfonds dus geen partij. Dat het Pensioenfonds in het verleden de pensioenuitvoerder van [partner van appellante sub 1.] is geweest maakt het Pensioenfonds geen partij bij de rechtsbetrekking die volgens het Pensioenfonds ten grondslag ligt aan de gevorderde bescheiden.

3.4.3. Het voorgaande betekent dat niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van art. 843 a Rv. Gelet daarop zal het hof de vordering in het incident afwijzen. Het hof zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.5. De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in het incidenteel appel aan de zijde van [appellanten] c.s. Iedere verdere beoordeling of beslissing wordt aangehouden.

4. De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 28 februari 2012 voor memorie van antwoord in het incidenteel appel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 februari 2012.