Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV3507

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
HV 200.098.902
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

r.o. 3.6.5. Hoewel de gronden voor een uithuisplaatsing ex artikel 1:261 BW op zich genomen aanwezig zijn, beoordeelt het hof een uithuisplaatsing onder de hierboven vermelde omstandigheden als disproportioneel en derhalve thans niet aangewezen

Op dit moment is de minderjarige er niet bij gebaat om uit zijn vertrouwde omgeving te worden gehaald en zal een behandeling buiten de thuissituatie, mede gelet op de massieve weerstand van de minderjarige ten aanzien van een uithuisplaatsing, een contraproductieve uitwerking kunnen hebben.

Het hof spreekt daarbij de verwachting uit, dat de wekelijkse gesprekken van de minderjarige met de orthopedagoge voortgang zullen vinden en dat de moeder en stiefvader de door hen gedane toezegging om alsnog de gesprekken bij “Mentaal Beter” in gang te zetten zullen nakomen.

Het is de taak van de stichting om samen met de moeder en de stiefvader - in het kader van de nog lopende ondertoezichtstelling - die hulpverlening te bewerkstelligen, die voor de groei naar volwassenheid van de minderjarige essentieel is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 7 februari 2012

Zaaknummer: HV 200.098.902/01

Zaaknummer eerste aanleg: 241956 JE RK 11-1958

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellante sub 1.],

en

[Appellant sub 2.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de moeder en de stiefvader,

advocaat: mr. R.E. Temmen,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en mede kantoorhoudende te Roosendaal,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 1 december 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 december 2011, hebben de moeder en de stiefvader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog de aanvraag machtiging uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarige [zoon A.] af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 januari 2012, heeft de stichting verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2012.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de stiefvader, bijgestaan door mr. Temmen;

- de stichting vertegenwoordigd door mevrouw M.C. van den Heijkant.

2.3.1. Hoewel behoorlijk opgeroepen zijn niet ter zitting verschenen:

- de moeder;

- de heer [X.], de vader van [zoon A.], (hierna: de vader),

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

2.3.2. Het hof heeft de minderjarige [zoon A.] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord.

Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlage van de advocaat van de moeder en de stiefvader d.d. 12 januari 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is, voor zover hier van belang, geboren:

- [Y.] (hierna: [zoon A.]), op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats].

3.2. [zoon A.] staat sinds 2 september 2008 onder toezicht van de stichting.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 2 maart 2012.

3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de stichting om [zoon A.] met ingang van 2 december 2011 tot uiterlijk 2 maart 2012 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder.

3.3. De moeder en de stiefvader kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De moeder en de stiefvader voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder en de stiefvader stellen, in tegenstelling tot wat de stichting heeft verklaard, wel degelijk actie te hebben ondernomen ten aanzien van de door de stichting noodzakelijk geachte hulpverlening van [zoon A.]. Zij geven aan dat er juist door hun toedoen de REC-4 indicatie tot stand is gekomen.

Het bezoek aan de organisatie “Mentaal Beter” heeft uitgewezen dat indien [zoon A.] zelf niet aangeeft over de bewuste gebeurtenissen in het verleden te willen spreken, verdere behandeling zinloos is. Aangegeven is dat pas indien er een hulpvraag vanuit [zoon A.] wordt geuit, die hulpverlening adequaat kan worden verricht. Dwang zal slechts averechts werken.

Zij betwisten voorts dat er regelmatig contact plaatsvindt tussen hen en de stichting.

De moeder en de stiefvader zijn bereid tot het maken van afspraken voor gesprekken, onder de voorwaarde dat deze niet enkel zijn gericht op het seksueel misbruik. Tot slot is de stelling van de stichting dat er onvoldoende contacten zouden plaatsvinden tussen de vader en [zoon B.] onjuist.

3.5. De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De stichting heeft niet de wens om [zoon A.] te dwingen om te praten en zou het liefst de hulp voor [zoon A.] in de thuissituatie bieden. Dit laatste is echter onmogelijk nu de moeder en de stiefvader daarvoor geen medewerking verlenen. De stichting heeft vanaf januari 2011 de moeder, stiefvader en [zoon A.] in de gelegenheid gesteld om hulpverlening op te starten bij “Mentaal Beter”, hetgeen door hen niet is opgepakt.

De stelling van de stichting is dat het onverwerkte trauma dat [zoon A.] (waarschijnlijk) heeft opgedaan als gevolg van seksueel misbruik in 2009 kan leiden tot ernstige gedragsproblemen. Het feit dat [zoon A.] zijn problemen zelf wil oplossen is, mede gelet op zijn leeftijd, zorgelijk. De stichting vindt dan ook dat [zoon A.] hiervoor behandeld dient te worden.

Ten aanzien van de REC-4 indicatie voor [zoon A.] stelt de stichting wel degelijk actie te hebben ondernomen. Hoewel de stichting erkent dat er weinig kwalitatief contact is geweest met stiefvader en de moeder hebben zij wel getracht met hen een afspraak te maken. De moeder en de stiefvader staan echter niet open voor hulpverlening.

De stichting stelt zich op het standpunt dat de stiefvader en de moeder het contact tussen [zoon A.] en zijn vader niet stimuleren. De stichting vindt het zorgelijk dat [zoon A.] weinig contact heeft met zijn vader. Dit is geen reden voor een uithuisplaatsing, maar wel een ontwikkelingsbedreiging voor [zoon A.].

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.6.2. Uit de stukken en ter zitting van het hof is naar voren gekomen dat hulpverlening voor [zoon A.] noodzakelijk is om het seksueel misbruik, dat zich in het verleden heeft voorgedaan, te kunnen verwerken. Hoewel [zoon A.], de moeder en de stiefvader er de voorkeur aan geven naar de toekomst te kijken acht het hof, gelijk de stichting, het van belang dat [zoon A.] de gebeurtenissen uit het verleden verwerkt. Temeer nu het onverwerkte trauma dat [zoon A.] (waarschijnlijk) heeft opgedaan als gevolg van het genoemde seksueel misbruik kan leiden tot ernstige gedragsproblemen.

3.6.3. De machtiging tot uithuisplaatsing is tot heden niet geëffectueerd. Anders dan bij de rechtbank is thans gebleken dat [zoon A.] het naar zijn zin heeft op het Aventurijncollege, hij daar vrienden heeft en er zich sinds de overplaatsing na de zomervakantie van 2011 geen incidenten hebben voorgedaan. Bovendien heeft hij wekelijks gesprekken met een aan de school verbonden orthopedagoge, mevrouw [orthopedagoge]. Ook is de thuissituatie verbeterd en heeft [zoon A.], in tegenstelling tot eerder, een goede relatie met alle familieleden zodat er geen constante strijd is binnen het gezin.

3.6.4. Zowel [zoon A.], de moeder en de stiefvader hebben aangegeven voor hulp open te staan, mits deze niet enkel is gericht op het seksueel misbruik en vanuit de thuissituatie kan plaatsvinden. Ook staan de stiefvader en de moeder – anders dan voorheen - niet afwijzend tegenover de ondertoezichtstelling.

3.6.5. Hoewel de gronden voor een uithuisplaatsing ex artikel 1:261 BW op zich genomen aanwezig zijn, beoordeelt het hof een uithuisplaatsing onder de hierboven vermelde omstandigheden als disproportioneel en derhalve thans niet aangewezen.

Op dit moment is [zoon A.] er niet bij gebaat om uit zijn vertrouwde omgeving te worden gehaald en zal een behandeling buiten de thuissituatie, mede gelet op de massieve weerstand van [zoon A.] ten aanzien van een uithuisplaatsing, een contraproductieve uitwerking kunnen hebben.

Het hof spreekt daarbij de verwachting uit, dat de wekelijkse gesprekken van [zoon A.] met de orthopedagoge voortgang zullen vinden en dat de moeder en stiefvader de door hen gedane toezegging om alsnog de gesprekken bij “Mentaal Beter” in gang te zetten zullen nakomen.

Het is de taak van de stichting om samen met de moeder en de stiefvader - in het kader van de nog lopende ondertoezichtstelling - die hulpverlening te bewerkstelligen, die voor de groei naar volwassenheid van [zoon A.] essentieel is.

3.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het verzoek van de stichting alsnog dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 1 december 2011;

en opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de stichting ter zake van de machtiging uithuisplaatsing;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, C.D.M. Lamers, P.C.G. Brants en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2012.