Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV2727

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
20-000612-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:306, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens eenvoudige belediging. Van een uitlating als bedoeld in artikel 266 Sr is niet alleen sprake als de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben maar ook, zoals in het onderhavige geval, indien op stotterende wijze wordt gesproken tegen een persoon die stottert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000612-11

Uitspraak : 3 februari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 februari 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-177872-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Namens verdachte is bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 01-177872-10:

hij op of omstreeks 22 februari 2010 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon

(te weten [slachtoffer 1]), heeft geslagen en/of geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Zaak met parketnummer 01-172808-10:

hij in of omstreeks de periode van 9 maart 2010 tot en met 6 april 2010 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer 2], in diens tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door op stotterende wijze tegen die [slachtoffer 2], die stottert, te praten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-177872-10 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn verklaring bij de politie, verklaard dat hij op 22 februari 2010 [slachtoffer 1] opzij heeft geduwd toen zij voor hem stond in het park en de weg voor hem versperde zodat hij niet verder kon lopen. Dat het zo is gegaan acht het hof, mede gelet op de verklaring van [getuige 1]dat verdachte [slachtoffer 1] aan de kant duwde, geloofwaardig. Het hof acht de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij een harde klap heeft gekregen van verdachte en hierdoor pijn in de nek en keel heeft ondervonden, onvoldoende aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 01-172808-10 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 9 maart 2010 tot en met 20 maart 2010 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer 2] in diens tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door op stotterende wijze tegen die [slachtoffer 2], die stottert, te praten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat het stotterend toespreken van [slachtoffer 2] door verdachte, gelet op de omstandigheden waarin het is gebeurd, niet als een belediging kan worden aangemerkt. De door verdachte gebruikte woorden waren een uiting van emotie, ontstaan als gevolg van een slepend conflict tussen verdachte en [slachtoffer 2] en waren bedoeld omdat verdachte wilde dat [slachtoffer 2] stopte met het toespreken van verdachte over de hinder die [slachtoffer 2] ondervond van (het geluid van) de auto van verdachte. Derhalve dient, aldus de raadsman, vrijspraak te volgen van het ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat verdachte, die zelf niet stottert, luid en duidelijk en verstaanbaar voor [slachtoffer 2] en enkele medebewoners van het flatgebouw waarin verdachte en [slachtoffer 2] wonen, [slachtoffer 2] stotterend heeft toegesproken terwijl verdachte en [slachtoffer 2] samen met enkele medebewoners van het flatgebouw, in de lift stonden. [slachtoffer 2] stottert en stond met dit gebrek ook bekend bij de medebewoners. Hij werd door hen ook wel “de stotteraar”genoemd.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [slachtoffer 2] bewust stotterend heeft toegesproken, in de hoop dat hij dat niet leuk zou vinden en dat hij hem daarmee zou kwetsen waardoor [slachtoffer 2] zou ophouden met het toespreken van verdachte over het geluid van verdachtes auto.

Een uitlating die jegens iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is gedaan, moet als beledigend als bedoeld in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht worden beschouwd, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is niet alleen sprake als de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben maar ook, zoals in het onderhavige geval, indien op stotterende wijze wordt gesproken tegen een persoon die stottert. Daaraan doet niet af dat verdachte met deze daad uiting zou hebben gegeven aan zijn emotie, ontstaan als gevolg van het slepende conflict tussen verdachte en [slachtoffer 2]. Gelet op de omstandigheden waaronder en de manier waarop verdachte deze [slachtoffer 2] heeft toegesproken, blijkt dat verdachte onmiskenbaar de bedoeling had om, hoorbaar voor anderen, een negatieve kwalificatie van het gedrag en/of de persoon van [slachtoffer 2] te geven en deze aldus te beledigen, en dat dit ook als zodanig is en redelijkerwijs kon worden opgevat door [slachtoffer 2].

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 266, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, en levert op:

Eenvoudige belediging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ten verweer betoogd dat de verdachte wegens psychische overmacht niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat verdachte, nadat hij eerst maandenlang getracht heeft [slachtoffer 2] te negeren en nadat hij meerdere keren door de woningbouwvereniging en een wijkagent was benaderd, ten einde raad was. Verdachte is hierdoor, aldus de raadsman, onder zodanige drang komen te staan dat toen hij opnieuw met [slachtoffer 2] in aanraking kwam, van verdachte redelijkerwijs, mede gelet op zijn persoon, niet kon worden verwacht dat hij hiertegen weerstand bood.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Krachtens artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen. De wetgever doelt hier op een van buiten komende dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is, doch redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Het hof is van oordeel dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachte onder een dusdanige psychische drang stond dat hij daaraan geen weerstand kon en behoefde te bieden. Hij is zelf degene geweest die het initiatief heeft genomen om

[slachtoffer 2] (stotterend) toe te spreken. Dat hij daarbij in een zodanige toestand verkeerde dat hij daaraan geen weerstand kon bieden, is het hof geenszins gebleken en blijkt ook niet uit de verklaringen van de getuigen die ook in de lift stonden toen verdachte [slachtoffer 2] stotterend toesprak.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Rekening houdend met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd zal het hof aan de verdachte een deels voorwaardelijke geldboete opleggen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder nog gelet op de omstandigheden dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld en dat sprake is van een slepend conflict tussen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 2], bovenbuurman van verdachte, in welk conflict [slachtoffer 2] ook een aandeel heeft gehad. Verdachte is met de beledigingen die door hem zijn geuit echter over de schreef gegaan in dit conflict en heeft [slachtoffer 2] gekleineerd en in zijn persoonlijke eer aangetast.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-177872-10 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-172808-10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 01-172808-10 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-172808-10 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 4 (vier) termijnen van 1 maand, elke termijn groot EUR 50,00 (vijftig euro).

Aldus gewezen door

mr. T.A. de Roos, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. A.R.O. Mooy, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 3 februari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.