Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV2675

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
HD 200.078.327
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7927, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heropening vereffening.

Art. 2:23c BW.

Vertegenwoordiging BV.

Totstandkoming overeenkomst.

Herroepelijk aanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2012-0203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.078.327

arrest van de tweede kamer van 31 januari 2012

in de zaak van

1. [Appellant sub 1.],

wonende te [woonplaats],

2. BEHEERSMAATSCHAPPIJ DE OLIEMOLEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

advocaat: mr. R.P.H.W. Haas,

en

3. [Appellante sub 3.],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. E.J.A. Roeleven,

appellanten,

tegen:

1. [Geintimeerde sub 1.],

2. [Geintimeerde sub 2.]

beiden wonende te [woonplaats],

3. [X.] NAAIMACHINEHANDEL B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.A.M.F. Spera,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 november 2010 en het herstelexploot van 1 december 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 27 oktober 2010 tussen appellanten – gezamenlijk [appellant sub 1.] c.s. en afzonderlijk respectievelijk [appellant sub 1.] , De Oliemolen en [appellante sub 3.] – als gedaagden in conventie / eisers in reconventie en geïntimeerden – gezamenlijk [geintimeerde sub 1.] c.s. en afzonderlijk respectievelijk [geintimeerde sub 1.], [geintimeerde sub 2.] en [X.] Naaimachinehandel – als eisers in conventie / verweerders in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 142112 / HA ZA 09-831)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane comparitievonnis van 21 oktober 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [appellant sub 1.] c.s. vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot, uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen in conventie en het toewijzen van de vorderingen in reconventie, en veroordeling van [geintimeerde sub 1.] c.s. in de kosten van beide instanties, inclusief (na)salaris (proces)advocaat.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geintimeerde sub 1.] c.s. de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben vervolgens hun zaak doen bepleiten, [geintimeerde sub 1.] c.s. door mr. G.A.M.F. Spera, [appellant sub 1.] en De Oliemolen door mr. R.P.H.W. Haas. Voor [appellante sub 3.] is ten pleidooie verschenen mr. K.G.J. Verbong. De twee eerstgenoemde advocaten hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Bij gelegenheid van het pleidooi zijn aan de zijde van [geintimeerde sub 1.] c.s., met instemming van [appellant sub 1.] c.s., in het geding gebracht de producties 15 en 16 (op voorhand aan het hof gezonden bij brieven d.d. 31 oktober 2011 en 1 november 2011). Aan de zijde van [appellant sub 1.] en De Oliemolen is, met instemming van [geintimeerde sub 1.] c.s., een productie in het geding gebracht die is gehecht aan de pleitnotitie van mr. Haas. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof recht doet op de ten behoeve van het pleidooi overgelegde gedingstukken.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende:

a. [appellant sub 1.] en [appellante sub 3.] zijn gehuwd op 13 maart 1964.

b. Tot de tussen deze echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen behoorden alle aandelen in het kapitaal van De Oliemolen.

c. Bij notariële akte van 4 juni 1998 hebben [appellant sub 1.] c.s. aan [geintimeerde sub 1.] c.s. een eerste recht van koop verleend met betrekking tot een tweetal aan [appellant sub 1.] c.s. in eigendom toebehorende percelen weiland in Heerlen (hierna: “de percelen”).

d. De Oliemolen is op een zeker moment ontbonden en is vervolgens, blijkens een opgave uit het handelsregister, op 30 april 2003 opgehouden te bestaan omdat geen baten meer aanwezig waren.

e. Het huwelijk van [appellant sub 1.] en [appellante sub 3.] is op 17 november 2005 geëindigd door echtscheiding. Bij de echtscheidingsbeschikking is notaris P.J.N.T. Zeestraten benoemd tot boedelnotaris.

f. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap is de boedelnotaris gebleken dat De Oliemolen eigenaar was van de percelen en dat die niet in de vereffening van het vermogen van De Oliemolen betrokken waren.

g. Op verzoek van [appellant sub 1.] en [appellante sub 3.] heeft de rechtbank Maastricht bij beschikking d.d. 10 juli 2007 de vereffening van het vermogen van De Oliemolen heropend met gelijktijdige benoeming van mr. C.G.M. Gillissen tot vereffenaar.

h. Bij schrijven d.d. 22 november 2007 heeft Gillissen, als vereffenaar van het vermogen van De Oliemolen, [geintimeerde sub 1.] c.s. verzocht kenbaar te maken of zij hun recht van eerste koop van de percelen wilden uitoefenen.

i. [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben bij schrijven d.d. 29 november 2007 aan Gillissen medegedeeld dat zij gebruik wensten te maken van hun recht van eerste koop, voor een nog nader overeen te komen koopprijs.

j. Partijen konden het niet eens worden over de koopprijs, waarna zij in overleg hebben besloten de kantonrechter te Heerlen te verzoeken een taxateur te benoemen.

k. Op 29 september 2008 vond de mondelinge behandeling van dit verzoek plaats.

l. Tijdens een schorsing van de zitting hebben [appellant sub 1.] , de boedelnotaris, de vereffenaar, [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] afgesproken dat zij (nogmaals) overleg zouden plegen over een minnelijke regeling.

m. In dit overleg heeft [appellant sub 1.] aan [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] verzocht een bod uit te brengen.

n. Na beraad hebben [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] een bod kenbaar gemaakt van € 170.000,-.

o. [appellant sub 1.] heeft zich akkoord verklaard met dit bod.

p. De boedelnotaris heeft daarop, nog steeds tijdens het genoemde overleg op 29 september 2008, medegedeeld dat de instemming van [appellante sub 3.] ook noodzakelijk was. Hij zou zich inspannen daarover met [appellante sub 3.] te spreken.

q. In een e-mail d.d. 30 september 2008 hebben [geintimeerde sub 1.] c.s. te kennen gegeven het aanbod van € 170.000,- niet gestand te doen en het bod te verlagen tot € 120.000,-.

r. Bij schrijven d.d. 21 november 2008 is [appellante sub 3.] akkoord gegaan met het op 29 september 2008 door [geintimeerde sub 1.] c.s. uitgebrachte bod van € 170.000,-.

s. Op vordering van [appellant sub 1.] c.s. heeft de Voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] bij vonnis van 21 april 2009 veroordeeld tot nakoming van de, in kort geding aangenomen, koopovereenkomst terzake van de percelen en bepaald dat het vonnis in de plaats zou treden van de vereiste medewerking van [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] bij het notarieel transport. Dit hof heeft [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen dit vonnis, kort gezegd omdat zij hadden verzuimd het rechtsmiddel binnen de in art. 3:301 lid 2 BW genoemde termijn in te schrijven in de openbare registers.

4.2. [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben [appellant sub 1.] c.s. in een bodemprocedure betrokken en, samengevat, gevorderd te verklaren voor recht dat geen rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [geintimeerde sub 1.] c.s. en [appellant sub 1.] c.s., en [appellant sub 1.] c.s. te veroordelen in de proceskosten.

In reconventie hebben [appellant sub 1.] c.s. gevorderd te verklaren voor recht dat tussen partijen, met uitzondering van [X.] Naaimachinehandel, een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. Voorts hebben zij gevorderd, samengevat, [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] te veroordelen tot nakoming van die overeenkomst en tot betaling van de proceskosten.

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie toegewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.

4.3.1. Met de grieven 1-3 komen [appellant sub 1.] c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat er tussen [geintimeerde sub 1.] c.s. en [appellant sub 1.] c.s. geen koopovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van de percelen.

4.3.2. Ter onderbouwing van hun grieven voeren [appellant sub 1.] c.s. aan dat er op 29 september 2008 een koopovereenkomst tot stand is gekomen onder de opschortende voorwaarde van instemming van [appellante sub 3.] . De boedelnotaris heeft dit vóór het uiteengaan van het overleg (waarover r.o. 4.1.l-p) bevestigd door op te merken dat vanwege de afwezigheid van [appellante sub 3.] bij het overleg, sprake was van een koopovereenkomst onder de opschortende voorwaarde van haar instemming, aldus [appellant sub 1.] c.s. Vervolgens, is door haar aanvaarding van het bedoelde bod op 21 november 2008 ook [appellante sub 3.] – naast [appellant sub 1.] zelf – partij geworden bij die overeenkomst.

4.3.3. [geintimeerde sub 1.] c.s. betrekken thans in hoger beroep de “prealabele” stelling dat De Oliemolen op het gepretendeerde moment van totstandkoming van de overeenkomst niet (rechtsgeldig) was vertegenwoordigd, zodat er alleen al om die reden geen koopovereenkomst ten aanzien van de percelen tot stand is gekomen tussen [appellant sub 1.] c.s. (d.w.z. met inbegrip van De Oliemolen) als verkopende partijen en [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] als kopers.

4.3.4. [geintimeerde sub 1.] c.s. betwisten voorts de stelling van [appellant sub 1.] c.s. dat er op 29 september 2008 een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde (van instemming van [appellante sub 3.] ) tot stand is gekomen tussen [appellant sub 1.] zelf enerzijds en [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] anderzijds. De boedelnotaris heeft, anders dan [appellant sub 1.] c.s. betogen, niet een mondelinge opmerking van die strekking gemaakt. Integendeel, de boedelnotaris heeft in een naar eigen zeggen “feitelijk verslag van de gang van zaken” van het meergenoemde overleg (waarover r.o. 4.1.l-p), juist het volgende opgemerkt:

“Ik heb (…) duidelijk aangegeven richting uw cliënten [[geintimeerde sub 1.] c.s., hof] dat de eventuele acceptatie van een aanbod mede afhangt van het oordeel van de andere uiteindelijk belanghebbende, mevrouw [appellante sub 3.] ”;

en

“Vervolgens heb ik er als notaris nogmaals uitdrukkelijk op gewezen dat het akkoord van mevrouw [appellante sub 3.] ook noodzakelijk was en ik mij zou inspannen dit met haar en haar advocaat te bespreken.” (inl. dagv., prod. 5).

Het was derhalve duidelijk, aldus [geintimeerde sub 1.] c.s., dat zowel [appellant sub 1.] als [appellante sub 3.] apart moesten instemmen met het aanbod van [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] voordat een koopovereenkomst met hen tot stand kon komen.

Evenmin is op 21 november 2008, toen [appellante sub 3.] instemde met het aanbod van [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.], een koopovereenkomst tot stand gekomen (tussen [appellant sub 1.] en [appellante sub 3.] enerzijds en [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] anderzijds). Daarvóór, op 30 september 2008, hadden [geintimeerde sub 1.] en [geintimeerde sub 2.] het aanbod namelijk al herroepen.

4.3.5. Het hof oordeelt over de prealabele stelling als volgt. Voor de bekrachtiging van de koopovereenkomst door De Oliemolen, waarop [appellant sub 1.] c.s. zich hier beroepen, is in ieder geval vereist, gelet op het bepaalde in art. 3:69 lid 1 BW, dat de koopovereenkomst (ook) in naam van De Oliemolen is aangegaan. Dat daarvan in casu sprake was, is gesteld noch gebleken. De Oliemolen is bijgevolg in elk geval geen partij bij de koopovereenkomst, zo deze al tot stand is gekomen, zodat alleen al om die reden de gevorderde verklaring van recht niet kan worden toegewezen.

4.3.6. Daarnaast is naar het oordeel van het hof ook niet komen vast te staan dat er op 29 september 2008 een koopovereenkomst (met [appellant sub 1.] en [appellante sub 3.] ) tot stand is gekomen. Los van het feit dat de stelling dat er op 29 september 2008 een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde (van instemming van [appellante sub 3.] ) tot stand zou zijn gekomen, door de verklaring van de notaris niet wordt ondersteund, kan dat ook slechts een opschortende voorwaarde aan de zijde van [appellant sub 1.] zijn geweest. [appellante sub 3.] moest immers het litigieuze aanbod nog aanvaarden, zo blijkt uit de stellingen van partijen en uit de verklaring van de notaris. Zonder die aanvaarding was er geen overeenkomst.

Weliswaar heeft [appellante sub 3.] op 21 november 2008 het aanbod van [geintimeerde sub 1.] c.s. aanvaard, maar dat heeft ook niet geleid tot een koopovereenkomst tussen [appellant sub 1.] en [appellante sub 3.] enerzijds en [geintimeerde sub 1.] c.s. anderzijds. Laatstgenoemden hadden hun bod toen al rechtsgeldig herroepen, zoals de rechtbank terecht en op goede gronden – die het hof overneemt en tot de zijne maakt – heeft geoordeeld.

4.3.7. In het licht van het voorgaande passeert het hof het door [appellant sub 1.] c.s. in algemene bewoordingen gedane aanbod tot bewijslevering. De grieven 1-3 falen.

4.4. Nu grief 4 voortbouwt op de grieven 1-3, waar zij gebaseerd is op de stelling van [appellant sub 1.] c.s. dat tussen partijen een koopovereenkomst ten aanzien van de percelen tot stand is gekomen, faalt ook grief 4.

4.5. Grief 5 houdt in dat de rechtbank [appellant sub 1.] c.s. ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld. Deze grief faalt. De rechtbank heeft [appellant sub 1.] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij terecht in de proceskosten veroordeeld.

4.6. Het voorgaande heeft tot gevolg dat alle grieven falen. Het eindvonnis waarvan beroep zal onder aanvulling van de gronden waarop het berust, worden bekrachtigd. [appellant sub 1.] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen. Het hof zal, om dezelfde reden als de rechtbank, geen aanspraak op nasalaris toekennen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van de gronden waarop het berust;

veroordeelt [appellant sub 1.] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde sub 1.] c.s. worden begroot op € 280,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, G.J. Vossestein en T.H.M. van Wechem en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 januari 2012.