Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BV1450

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-01-2012
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
20-000550-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:1556, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 261, lid 2 Sr; smaadschrift meermalen gepleegd; sprake van het openlijk tentoonstellen (dmv het laten zien van filmpje op mobiele telefoon) en het verspreiden (dmv bluetooth van mobiele telefoon naar andere mobiele telefoon) van een filmpje met daarop seksuele gedragingen van een vrouwelijk persoon; ruchtbaarheid geven; ter kennis van het publiek brengen; uitgebreide, diverse en willekeurige samenstelling van personen aan wie filmpje is verzonden en getoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000550-11

Uitspraak : 20 januari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 februari 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-821390-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij akte rechtsmiddel d.d. 10 februari 2011 heeft de officier van justitie beroep ingesteld tegen het gehele eindvonnis. Bij latere akte rechtsmiddel d.d. 27 september 2011 heeft de officier van justitie dit hoger beroep ingetrokken voor zover ingesteld tegen de vrijspraak van het ten laste gelegde onder 1. van het eindvonnis en het hoger beroep aldus uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk. Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij zich op het standpunt gesteld dat deze vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen en tot dit toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

De verdediging heeft bepleit:

• primair tot vrijspraak;

• subsidiair, mocht het hof tot een bewezenverklaring komen, tot het opleggen van een voorwaardelijke geldboete, zonder dat daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht wordt gesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met

25 maart 2009 te [Y] opzettelijk, door middel van het verspreiden en/of openlijk tentoonstellen van afbeeldingen, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 1] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel een of meer afbeelding(en), te weten een film, waarop seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij een persoon was betrokken die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, terwijl dit filmpje de titel [slachtoffer 1] heeft, waardoor de suggestie wordt gewekt dat die persoon [slachtoffer 1] betreft, tentoongesteld en/of verspreid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

1. De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken aangezien verdachte niet opzettelijk het bestand, bevattende de in de tenlastelegging bedoelde film, onder de naam ["slachtoffer + woonplaats slachtoffer"], heeft opgeslagen met de bedoeling deze film onder deze naam te verspreiden, doch hij bij ontvangst van dit bestand dit alleen een naam heeft gegeven om het op zijn telefoon op te slaan en vervolgens terug te kunnen vinden. De naam [slachtoffer 1] was de naam die aan verdachte is genoemd toen hij het bestand op zijn telefoon ontving.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

2. Blijkens de verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg , verkeerde verdachte op het moment dat hij het filmpje ontving in de overtuiging dat de persoon die op het filmpje was afgebeeld daadwerkelijk [slachtoffer 1] was. Hij heeft bij ontvangst van dit filmpje de naam van het bestand veranderd in ["slachtoffer+ woonplaats slachtoffer"] en heeft vervolgens tijdens dezelfde pauze dat hij het bestand ontving het filmpje aan een aantal persoon doorgestuurd.

3. Gelet op het feit dat verdachte er aanvankelijk van overtuigd was dat de persoon op het filmpje daadwerkelijk [slachtoffer 1] was en de vrijwel directe doorzending daarvan aan een aantal personen, is het hof van oordeel dat verdachte wél de bedoeling heeft gehad om het bestand onder de naam ["slachtoffer+ woonplaats slachtoffer"] te verspreiden, daarmee suggererende dat de op het filmpje zichtbare persoon [slachtoffer 1] was.

Het hof verwerpt het verweer.

4. Op 25 maart 2009 heeft [De vader van het slachtoffer] namens zijn dochter, [slachtoffer 1], aangifte gedaan van het plegen van smaad. Deze aangifte ziet op een filmpje met de naam ["slachtoffer+ woonplaats slachtoffer"] waarmee de indruk wordt gewekt dat het meisje dat zichtbaar is op het filmpje [slachtoffer 1] betreft. [De vader van het slachtoffer] heeft dit filmpje waargenomen op de GSM van [betrokkene 1].

Op dit filmpje zijn seksuele gedragingen zichtbaar uitgevoerd door een vrouwelijk persoon. Verdachte heeft verklaard dat hij dit filmpje, dat door hem van de naam ["slachtoffer + woonplaats slachtoffer"] was voorzien, aan ongeveer 10 personen via bluetooth heeft verzonden en het tevens aan een aantal personen, zijnde minder dan 10 personen, direct had laten zien, waaronder zijn moeder en [betrokkene 2], zijnde de baas van verdachte bij [Bedrijf X].

Voorts heeft verdachte verklaard, zoals hiervoor onder 2. reeds weergegeven, dat dit filmpje door hem na ontvangst in dezelfde pauze op school in de aula aan meerdere personen is doorgezonden en dat het fimpje ‘snel rond ging’.

5. Blijkens de verklaringen van [getuige] , heeft verdachte dit filmpje in maart 2009 op een middag na schooltijd vlak bij [Scholengemeenschap X] (het hof begrijpt: de school waar [slachtoffer 1] destijds onderwijs genoot, te weten [Scholengemeenschap X] te [Y]) in ieder geval via zijn telefoon verzonden aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] Blijkens de verklaring van [betrokkene 1] heeft verdachte dit filmpje op 14 maart 2009 ook aan hem verzonden. Blijkens de verklaring van [betrokkene 5] heeft verdachte dit filmpje tevens aan [betrokkene 6] verzonden.

Voorts heeft verdachte blijkens de verklaring van [getuige] dit filmpje in maart 2009 in ieder geval ook getoond aan [getuige], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 7]

[betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10].

6. Gelet op de uitgebreide, diverse en willekeurige samenstelling van de personen aan wie verdachte het filmpje heeft verzonden en getoond, alsmede het feit dat het verzenden en het tonen van dit filmpje onder meer heeft plaatsgevonden binnen een schoolsetting waarbij, zoals verdachte heeft verklaard, dit filmpje ‘snel rond ging’, is naar het oordeel van het hof sprake van het ter kennis van het publiek brengen door verdachte. Daarmede acht het hof bewezen dat verdachte door het verzenden en tonen van dit filmpje ruchtbaarheid heeft gegeven als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 25 maart 2009 te [Y] opzettelijk, door middel van het verspreiden en openlijk tentoonstellen van afbeeldingen, de eer en de goede naam van [slachtoffer 1] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel een film, waarop seksuele gedragingen zichtbaar zijn, terwijl dit filmpje de titel [slachtoffer 1] heeft, waardoor de suggestie wordt gewekt dat die persoon [slachtoffer 1] betreft, tentoongesteld en verspreid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Smaadschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

A.1.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

A.2.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin de bewezen verklaarde feiten persoonlijk leed teweeg hebben gebracht bij het slachtoffer [slachtoffer 1];

- de mate waarin inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

5 december 2011;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

A.3.

Voor zover hier van belang is in het rapport Pro Justitia aangaande psychiatrisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 26 november 2010, opgemaakt door W.H. Braam, psychiater, in paragraaf XI het volgende opgenomen:

-Onderzochte is lijdende aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis en ondervindt hierdoor beperkingen op meerdere vlakken. Dit omvat onder andere problemen met plannen en organiseren, gebrekkige impulscontrole, het niet kunnen overzien van consequenties van handelen en het zich moeilijk kunnen verplaatsen in een ander.

-Ten tijde van het ten laste gelegde speelden deze beperkingen ook een rol. (…)

-De pervasieve ontwikkelingsstoornis van betrokkene is van invloed geweest op zijn handelen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

-(…) Er is derhalve een verband aan te wijzen tussen zijn beperkingen passend bij zijn pervasieve ontwikkelingsstoornis en zijn manier van handelen ten tijde van het ten laste gelegde en er is sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. (…)

-(…)

-Om betrokkene in de toekomst niet enkel vrij te houden van delicten maar ook te ondersteunen bij het behalen van een opleiding en te behoeden voor problemen in sociale situaties, zal hij inzicht moeten verwerven in de beperkingen van zijn pervasieve ontwikkelingsstoornis en vaardigheden moeten aanleren met betrekking tot zijn functioneren. Gezien de chroniciteit van zijn stoornis en bijbehorende beperkingen is een vorm van begeleiding zeker geïndiceerd. Een vorm van vaardigheidstraining waarin gericht wordt op probleemoplossende vaardigheden zou geschikt voor hem zijn. In overleg met betrokkene kan gekeken worden of dit in een vorm van thuisbegeleiding of een cursusvorm gebeurd. Zijn beperkte motivatie is hiertoe een nadelige factor. Echter zijn medewerking aan dit forensisch psychiatrisch onderzoek en motivatie om uit het forensische circuit te blijven zouden een dergelijke behandeling mogelijk moeten maken onder toezicht van reclassering. Wat betreft het juridisch kader wordt geadviseerd de behandeling plaats te laten vinden binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf waarbij betrokkene zich richt naar de aanwijzingen van de reclassering.

A.4.

Voor zover hier van belang is in het de verdachte betreffende reclasseringsadvies d.d.

29 december 2011, opgemaakt door H.M.G. Siemeling, reclasseringswerker, pagina 7 en 8 het volgende opgenomen:

De heer [verdachte] heeft een beperkt probleeminzicht, weinig oog voor de gevolgen voor zijn handelen en heeft een neiging tot impulsiviteit. Betrokkene is jarenlang onder behandeling geweest (bij TBA) in verband met zijn autisme. Eén en ander is in 2009, op verzoek van betrokkene, stopgezet. (…) er zijn zorgen bij zowel TBA, de reclassering, de rapporterend psychiater, betrokkenes ouders en de huidige opleiding van betrokkene dat hij momenteel niet toegerust is met voldoende vaardigheden om zonder grote problemen te leven.

(…) Voor het algeheel welbevinden en de toekomst van betrokkene (en zijn omgeving) is het (…) wenselijk dat betrokkene begeleid wordt. Hij zal inzicht moeten verwerven in zijn stoornis en vaardigheden moeten aanleren met betrekking tot zijn functioneren. Aangezien hij dit niet vrijwillig zal aangaan lijkt een strafrechtelijk kader waarbinnen meer bindende afspraken gemaakt kunnen worden, geïndiceerd. (…)

Op grond van een levensloopgerichte kijk op ontwikkeling van delictgedrag en het ontstaan

van crimineel gedrag, is een toezicht op bijzondere voorwaarden geïndiceerd.

A.5.

Het hof neemt deze conclusies van voornoemd deskundige en reclasseringswerker over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

A.6.

Gelet op al het vorenoverwogene acht het hof het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, een en ander zoals hierna bepaald, passend en geboden.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, die het hof heeft begroot op een bedrag van € 1.500,=.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.500,= te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Blijkens de bijlage bij het voegingsformulier verzoekt de benadeelde partij om de toekenning van een voorlopig voorschot ten bedrage van € 1.500,= in verband met geleden immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot € 1.500,=. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

En ten aanzien van evengenoemde schadevergoedingsmaatregel en civiele vordering:

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57 en 261 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 75 (vijfenzeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland te Roermond en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] terzake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. W.J. Kolkert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 20 januari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. K. van der Meijde en mr. W.J. Kolkert zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.