Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:3870

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
20-003018-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3045
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003018-10

Uitspraak : 27 juni 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

2 augustus 2010 in de strafzaak met parketnummer 03-700696-08 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1986,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en

- opnieuw rechtdoende - verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal vrijspreken en ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingenomen is geweest, en met teruggave van de in beslag genomen GSM.

Namens verdachte is vrijspraak voor het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. Indien het hof komt tot een veroordeling verzoekt de raadsman bij de oplegging van de straf rekening te houden met bijzondere omstandigheden van het geval en verdachte een werkstraf al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 november 2008 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met (zeer) hoge snelheid, althans met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid, ingereden op voornoemde [slachtoffer] , terwijl deze [slachtoffer] optrad als bestuurster van een bromfiets, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


hij op of omstreeks 3 november 2008 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N2, gaande in de richting van België en gekomen bij de oversteekplaats ter hoogte van de Regentesselaan/Prinsenlaan, welke N2 ter plaatse bestaat uit twee rijbanen welke rijbanen elk zijn onderverdeeld in twee rijstroken, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na gebruik van alcoholhoudende drank-

- met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid-

met het door hem, verdachte, bestuurde, motorrijtuig voornoemde oversteekplaats te naderen en/of (vervolgens) een op de rechterrijstrook van voornoemde N2 stilstaande personenauto links te passeren en/of (vervolgens) zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, die oversteekplaats op te rijden op het moment dat de bestuurster van een bromfiets, doende was gezien zijn, verdachtes rijrichting, de rijbaan van de N2 over te steken van rechts naar links, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met de bestuurster van die bromfiets,

door welk verkeersongeval [slachtoffer] , zijnde de bestuurster van die bromfiets, werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn adem 450 microgram, in ieder geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Uit dat onderzoek is immers niet gebleken dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] , en evenmin dat hij door zijn rijgedrag willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een zwakke verkeerdeelnemer dodelijk zou aanrijden.

Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 november 2008 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N2, gaande in de richting van België en gekomen bij de oversteekplaats ter hoogte van de Regentesselaan/Prinsenlaan, welke N2 ter plaatse bestaat uit twee rijbanen welke rijbanen elk zijn onderverdeeld in twee rijstroken, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- na gebruik van alcoholhoudende drank -

- met een voor de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid -

met het door hem, verdachte, bestuurde, motorrijtuig voornoemde oversteekplaats te naderen en vervolgens een op de rechterrijstrook van voornoemde N2 stilstaande personenauto links te passeren en vervolgens zonder gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, bestaande verplichting te stoppen, ingevolge een in zijn, verdachtes, richting gekeerd staand rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht, die oversteekplaats op te rijden op het moment dat de bestuurster van een bromfiets, doende was gezien zijn, verdachtes rijrichting, de rijbaan van de N2 over te steken van rechts naar links, tengevolge waarvan hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig in botsing is gekomen met de bestuurster van die bromfiets,

door welk verkeersongeval [slachtoffer] , zijnde de bestuurster van die bromfiets, werd gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daarbij merkt het hof nog in het bijzonder op dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte ten tijde van het verkeersongeval verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994. Hoewel na onderzoek bleek dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 450 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, is dit onderzoek niet uitgevoerd conform artikel 6 van het Besluit Alcoholonderzoeken. Het onderzoek is immers verricht binnen twintig minuten nadat de vordering tot medewerking aan een voorlopig ademonderzoek aan verdachte was gedaan.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

1.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

2.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het hof is van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos.

Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest, omdat verdachte in aanzienlijke mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden door met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur een oversteekplaats voor (brom)fietsers te benaderen en toen hij dicht bij die oversteekplaats was zijn snelheid te verhogen tot ongeveer 90 kilometer per uur en vervolgens met onverminderde snelheid die oversteekplaats op te rijden, dit terwijl:

- verdachte ter plaatse bekend was en wist dat er aldaar een oversteekplaats voor (brom)fietsers was;

- verdachte heeft gezien dat er op de rechter rijstrook een personenauto stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats werd belemmerd door die personenauto;

- het voor hem geldende verkeerslicht op rood stond;

- verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank, immers hij had drie volle glazen Pasoa gedronken tijdens zijn bezoek aan een discotheek kort voorafgaand aan het ongeval. Dat het hof – nu het onderzoek naar het alcoholgehalte van de adem van verdachte niet overeenkomstig de daarvoor geldende regels heeft plaatsgevonden- niet kan vaststellen hoe hoog het alcoholpromillage precies is geweest maakt dit niet anders. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte een beginnend bestuurder was.

Verdachte heeft door aldus te handelen onaanvaardbare risico’s genomen.

3.

Eigen schuld van het slachtoffer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat bij de beoordeling van de mate van schuld van verdachte rekening moet worden gehouden met de eigen schuld van het slachtoffer. Het hof begrijpt de kern van het verweer van de raadsman aldus dat de eigen schuld van het slachtoffer [slachtoffer] hieruit bestaat dat zij niet voldoende heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat, ondanks dat het verkeerslicht voor haar groen uitstraalde, de weg nog niet vrij was.

Naar het oordeel van het hof treft het slachtoffer [slachtoffer] geen rechtens relevant verwijt inzake het ongeval, nu het verkeerslicht voor haar groen licht uitstraalde en zij mocht verwachten dat zij ongehinderd zou kunnen oversteken. Voorts had haar bromfiets deugdelijke verlichting en droeg zij een helm die met een band afgesloten was.

Nu ook overigens aan het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzingen zijn te ontlenen voor enige rechtens relevante mate van eigen schuld van het slachtoffer aan het ongeval wordt het verweer verworpen.

4.

Causaal verband/redelijke toerekening

Het hof stelt vast dat de raadsman zowel ter terechtzitting in hoger beroep als in zijn pleitnota het causaal verband tussen het verkeersongeval en de dood van het slachtoffer, [slachtoffer] , ter sprake heeft gebracht. Het hof ziet hierin aanleiding (ambtshalve) dat causaal verband en de redelijke toerekening van de dood van het slachtoffer aan de verdachte te bespreken.

Het hof stelt vast dat op 3 november 2008 een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij het slachtoffer [slachtoffer] is aangereden door de door verdachte bestuurde auto. [slachtoffer] is per ambulance naar het ziekenhuis, het AZM te Maastricht, vervoerd, alwaar zij op 5 januari 2009 is overleden.

Naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] heeft arts en patholoog Soerdjbalie-Maikoe van het NFI een deskundigenrapport (13 mei 2009) opgesteld. Uit dit rapport volgt dat [slachtoffer] kort na het verkeersongeval in het ziekenhuis is opgenomen, waarbij vele traumatische letsels werden gezien, waaronder meerdere kneuzingen in de hersenen met bloedingen. Bij sectie werd nog een deel van deze traumatische letsels vastgesteld, qua ouderdom passend bij het ontstaan zijn tijdens het ongeval. Het intreden van de dood van [slachtoffer] wordt verklaard door longontsteking en bloedvergiftiging, opgetreden als verwikkelingen van de opgelopen traumatische letsels, waaronder de hersenschade. Aldus Soerdjbalie-Maikoe. Het hof stelt vast dat Soerdjbalie-Makoe op vragen van de raadsman bij haar conclusie is gebleven.

Het hof ziet geen enkele aanleiding te twijfelen aan de inhoud van voornoemd rapport en de daarin weergegeven conclusie. Het hof is van oordeel dat [slachtoffer] is overleden, kort gezegd, aan complicaties die zijn ontstaan als gevolg van een (diepe) coma, waarin zij terecht is gekomen als gevolg van een door verdachte veroorzaakt verkeersongeval. De dood van het slachtoffer [slachtoffer] is dan ook redelijkerwijs toe te rekenen aan het handelen van verdachte.

De door de raadsman gestelde omstandigheden, te weten: het niet intuberen van [slachtoffer] ter plaatse van het ongeval en het toepassen van een abstinentiebeleid kort voor het overlijden van [slachtoffer] alsmede de wellicht niet juist bevestigde helm en de mogelijk aanwezige eigen schuld van het slachtoffer, voor welke twee laatste omstandigheden het hof overigens in het dossier noch in het verhandelde ter terechtzitting een begin van aannemelijkheid heeft aangetroffen, doorbreken de causaliteitsketen niet in die zin dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid niet meer aan verdachte is toe te rekenen.

Bezien tegen deze achtergrond ziet het hof dan ook geen enkele noodzaak om het onderzoek te heropenen teneinde deskundigen en/of getuigen (nader) te horen omtrent door de raadsman aangevoerde omstandigheden dan wel naar die omstandigheden nader onderzoek te laten doen. Voor zover de raadsman bedoeld heeft ter zake een verzoek te doen, wordt dit verzoek afgewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte wegens - kort gezegd - overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige onder invloed van alcohol was, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van dat feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof kan zich in beginsel verenigen met de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Evenals de rechtbank heeft het hof daarbij rekening gehouden met het onaanvaardbare rijgedrag van verdachte dat tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid en het ingrijpende en onherstelbare leed dat verdachte hiermee heeft veroorzaakt bij de nabestaanden van [slachtoffer] . Ook heeft het hof, evenals de rechtbank, daarbij in strafmatigende zin rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Het hof houdt voorts in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden:

  • -

    verdachte heeft ter terechtzitting laten zien inzicht te hebben in het laakbare van zijn handelen en heeft oprechte spijt getoond van dat handelen;

  • -

    verdachte en zijn strafzaak zijn, door verdachtes beroep als profvoetballer, een veelbesproken en bekritiseerd onderwerp in de Belgische media geweest en nog steeds ondervindt verdachte hiervan de negatieve gevolgen voor zijn carrière als profvoetballer;

  • -

    na het tijdstip waarop het ongeval heeft plaatsgevonden is inmiddels geruime tijd verstreken.

Het hof ziet in bovengenoemde omstandigheden aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het hof zal daarbij de hierna te melden proeftijd opleggen in combinatie met een bijzondere voorwaarde , bestaande in de storting van een geldbedrag ten behoeve van het Pieter van Vollenhoven Fonds te Den Haag.

Namens verdachte is een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft gesteld dat, in het geval van een veroordeling, de door het hof op te leggen straf dient te worden gematigd, gelet op de omstandigheden dat:

  • -

    het slachtoffer wellicht een niet juist bevestigde valhelm droeg;

  • -

    het slachtoffer niet ter plaatse is geïntubeerd, maar eerst in het ziekenhuis, hetgeen wellicht tot een ongunstiger prognose heeft geleid;

  • -

    er een abstinentiebeleid is gevoerd ten aanzien van het slachtoffer. Indien dit niet zou zijn gebeurd, zou [slachtoffer] mogelijk nog in leven zijn en

  • -

    het slachtoffer [slachtoffer] alvorens de oversteekplaats op te rijden niet heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat de weg niet vrij was.

De door de raadsman genoemde omstandigheden zijn in het kader van de causaliteit reeds besproken onder het kopje “Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs”. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen reden tot matiging van de op te leggen straf.

De raadsman heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, nu na het instellen van het hoger beroep door de verdediging d.d. 5 augustus 2010 eerst op 13 juni 2012 de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden en het strafproces aldus gedurende 21 maanden nagenoeg heeft stilgelegen. Er is dus sprake van een onaanvaardbare termijnoverschrijding, voornamelijk te wijten aan de houding van de gerechtelijke instanties gelegen in een periode van lange stilstand, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Voornoemde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn daarom worden gerekend vanaf 3 november 2008, zijnde de datum van zijn aanhouding.

De behandeling in eerste aanleg is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, te weten op 2 augustus 2010. Op 5 augustus 2010 is zijdens verdachte hoger beroep ingesteld en op 12 augustus 2010 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Blijkens de zich in het dossier bevindende aanbiedingsbrief van de rechtbank Maastricht is het dossier op 1 april 2011 aan de griffier van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzonden. Na raadpleging van het interne registratiesysteem van dit hof is gebleken dat daarin is aangetekend dat het dossier op

5 april 2011 ter griffie van het gerechtshof is ontvangen. Hieruit leidt het hof af dat het dossier binnen acht maanden na het instellen van het hoger beroep, derhalve tijdig, bij het hof is binnengekomen. Vervolgens doet het hof binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep uitspraak, te weten op 27 juni 2012.

Gelet op vorenstaande is, naar het oordeel van het hof, het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in onderhavige strafzaak niet geschonden. De termijn gedurende welke verdachte onder de dreiging van een strafvervolging heeft doorgebracht is weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk lang. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de proceshouding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief in detentie is gebleven en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het verweer wordt verworpen.

Bijkomende straf

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Beslag

Van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven GSM, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen 12 maanden na het ingaan van de proeftijd een bedrag van EUR 15.000,00 (vijftienduizend euro) zal storten op giro 6770 ten name van het Pieter van Vollenhoven Fonds te Den Haag, welk fonds zich ten doel stelt de belangen van slachtoffers van strafbare (verkeers)feiten te behartigen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.0

STK GSM, Kl: zwart, Nokia, voorzien van 2 megapixel camera.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,

en op 27 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.J.M. van Gink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.