Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:2947

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
HD 200.086.468
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA0731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van (onder)aanneming betreffende stukadoorswerkzaamheden. Cessie van de vordering tot betaling van de desbetreffende factuur. Evenals de rechtbank oordeelt het hof dat de (onder)aannemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het werk niet naar behoren is uitgevoerd. Op juiste wijze in gebreke gesteld. De vordering is door de rechtbank derhalve terecht afgewezen. Het hof bekrachtigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.086.468

arrest van de tweede kamer van 10 juli 2012

in de zaak van

[de man] ,

handelende onder de naam [Pensioen] Pensioen B.V.,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. U. Santi,

tegen:

[de man] ,

handelende onder de naam Stucadoorsbedrijf [Stucadoorsbedrijf],

gevestigd en zaakdoende te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. den Hartog,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 juni 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder nummer 223760/HA ZA 10-1609 gewezen vonnis van 2 februari 2011.

5 Het tussenarrest van 14 juni 2011

Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6 Het verdere verloop van de procedure

6.1.

De comparitie heeft op 25 juli 2011 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben geen schikking bereikt en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven.

6.2.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van 14 producties drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van zijn vordering.

6.3.

Bij memorie van antwoord heeft [Stucadoorsbedrijf] de grieven bestreden.

6.4.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

8 De verdere beoordeling

8.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

8.1.1.

[Stucadoorsbedrijf] heeft in 2006 opdracht van Bovero BV gekregen om stukadoorswerkzaamheden te verrichten in een vestiging van Ikea in [vestigingsplaats]. [Stucadoorsbedrijf] heeft de opdracht uitbesteed aan [Straaltechniek] Straaltechniek BV (hierna: [Straaltechniek]). Laatstgenoemde heeft de werkzaamheden op haar beurt in onderaanneming uitbesteed aan EWA Holding BV (hierna: EWA).

8.1.2.

Op 1 juni 2006 (productie 2 bij conclusie van antwoord) schrijft [Stucadoorsbedrijf] aan [Straaltechniek] en EWA:

"Heden om 10.00 ben ik ten kantoren van mijn opdrachtgever

De fa bovero ter verantwoording geroepen betreffende de kwaliteit van de geleverde

werkzaamheden op het werk ikea te [vestigingsplaats]

Daarom stel ik u bij deze in gebreke ten aanzien van de geleverde werkzaamheden

Deze zouden klasse B opgeleverd worden

Mijn opdrachtgever is van mening dat deze klasse niet geleverd zal worden

Na inspectie door mijzelf deel ik de zelfde mening als mijn opdrachtgever

Op de proefwand waar wij met z,n alle vorige week hebben bij zijn geweest is de complete Bovenkanten maar 1 maal gevuld en niet geschuurd

Ik heb met rinus afgesproken dat ik met mijn opdrachtgever a.s. dinsdag om 10.00 een kwaliteitsinspectie zullen houden en waneer deze niet voldoet aan de door de opdrachtgever Gestelde eisen zal de opdrachtgever mij en dus ook jullie de toegang tot de bouwplaats ontzeggen

Waneer ons de toegang wordt ontzegd zal er geen betaling van de geleverde werkzaamheden volgen (…)"

8.1.3.

Op 20 november 2006 schrijft [Stucadoorsbedrijf] aan [Straaltechniek] (productie 2 bij inleidende dagvaarding:

"(…) Zoals eerder met u en uw medewerker dhr [medewerker EWA] besproken zal faktuur 200633

Niet eerder worden uitbetaald vooraleer er duidelijkheid is betreffende het financiële afhandelen van het werk

daar door nalatigheid van uw personeel en het niet nakomen van de door u gemaakte afspraken met mijn opdrachtgever bovero uw personeel de toegang tot het bouwterrein ontzegd is en de werkzaamheden door een ander stucadoorsbedrijf dan ik is afgemaakt

(…)

tevens wijs ik u er op dat alle eventuele schadeclaims (o.a. boetes wegens te laat opleveren en/of meerprijs wegens het door anderen afmaken van de werkzaamheden) van de firma Bovero ten uwen laste zullen komen daar u verantwoordelijk bent voor de technische uitvoering van de werkzaamheden."

8.1.4.

Op 2 september 2009 stuurt [appellant] [Stucadoorsbedrijf] een factuur voor een bedrag van € 59.250,-. [Stucadoorsbedrijf] heeft die factuur niet voldaan.

8.2.1.

[appellant] betrekt [Stucadoorsbedrijf] in rechte en vordert veroordeling van [Stucadoorsbedrijf] tot betaling van € 59.250,-, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf 23 september 2009 (primair), dan wel vanaf 20 augustus 2010 (subsidiair), tot de dag van voldoening, en vermeerderd met € 1.500,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.

[Pensioen] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [Stucadoorsbedrijf] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen [Stucadoorsbedrijf] en [Straaltechniek] gesloten overeenkomst van aanneming, door het aan [Straaltechniek] nog verschuldigde bedrag van € 59.250,- ter zake van de door (toedoen van) [Straaltechniek] verrichte stukadoorswerkzaamheden onbetaald te laten, en dat [Straaltechniek] haar vordering op [Stucadoorsbedrijf] uit dien hoofde aan [Pensioen] heeft gecedeerd. Als productie 1 bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] een akte van cessie van 8 juni 2000 in het geding gebracht. Daarin worden als partijen vermeld: [Straaltechniek], alsmede [appellant] "handelend onder de naam [Pensioen] Pensioen B.V.". De akte is ondertekend namens [Straaltechniek] en door [appellant] "namens [Pensioen] Pensioen B.V.".

8.2.2.

[Stucadoorsbedrijf] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. In de eerste plaats heeft hij aangevoerd dat, indien en voor zover er sprake is van overdracht van de vordering, de vordering is gecedeerd aan [Pensioen] Pensioen BV, zodat aan [appellant], de directeur van die vennootschap, in ieder geval geen vordering toekomt (1). Voorts heeft [Stucadoorsbedrijf] aangevoerd dat de akte van cessie een titel ontbeert, zodat er geen sprake is van een rechtsgeldige overdracht van de vordering (2). Tenslotte heeft [Stucadoorsbedrijf] ten verwere aangevoerd (3), kort weergegeven, dat de aan [Straaltechniek] opgedragen werkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd (door [Straaltechniek] dan wel feitelijk door onderaannemer EWA), dat de kosten voor het herstel en het afmaken van het werk € 47.130,- bedroegen en dat tijdens een bespreking tussen Bovero BV, [Stucadoorsbedrijf] en EWA is afgesproken dat daarom het project zou worden afgedaan met een eindafrekening van € 12.120,- (€ 59.250,- -/- € 47.130,-). Na aftrek van het aan [Stucadoorsbedrijf] toekomende deel heeft hij het restantbedrag van € 10.917,50 rechtstreeks aan EWA uitbetaald, aldus [Stucadoorsbedrijf].

8.2.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de hiervoor met de nummers 1 en 2 geduide verweren gepasseerd. Volgens de rechtbank is weliswaar niet [appellant] maar [Pensioen] Pensioen BV partij bij de akte van cessie, maar is [appellant] (haar directeur ) toch ontvankelijk in zijn vordering omdat er vanuit kan worden gegaan dat [appellant] als lasthebber van [Pensioen] Pensioen BV in naam van zichzelf maar voor rekening van [Pensioen] Pensioen BV procedeert.

De rechtbank heeft voorts overwogen en beslist dat wel degelijk sprake is geweest van een geldige titel voor de cessie, omdat de partijen bij de cessie een tot werkelijke overdracht van de vordering strekkende afspraak hebben gemaakt en de akte van cessie die titel niet behoeft te vermelden. Volgens de rechtbank is daarom, anders dan [Stucadoorsbedrijf] heeft aangevoerd, sprake geweest van een rechtsgeldige overdracht van de vordering.

De rechtbank heeft vervolgens het hiervoor met het nummer 3 aangeduide verweer gehonoreerd. Samengevat heeft [appellant] volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat de stukadoorswerkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd. De rechtbank heeft de vordering vervolgens afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

8.3.

Met zijn grieven I en II betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de stukadoorswerkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd. Volgens [appellant] zijn de werkzaamheden wel degelijk naar behoren uitgevoerd en is nimmer een akkoord bereikt over een door [Stucadoorsbedrijf] (dan wel Bovero BV) nog te betalen bedrag van slechts € 12.120,-. Grief III houdt in dat de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte heeft overwogen en beslist dat [Straaltechniek] geen - inmiddels gecedeerde - vordering meer had op [Stucadoorsbedrijf] en dat de vordering van [appellant] daarom moet worden afgewezen. Eventuele afspraken tussen Bovero BV en [Stucadoorsbedrijf] regarderen [Straaltechniek] niet, aldus [appellant].

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als hierna volgt.

8.4.

[appellant] heeft niet betwist dat [Stucadoorsbedrijf] de hiervoor onder 8.1.2 geciteerde brief (of fax) van 1 juni 2006 aan [Straaltechniek] en aan EWA (in de persoon van de heer [medewerker EWA]) heeft gezonden. In die brief deelt [Stucadoorsbedrijf] mee, kort gezegd, dat Bovero BV hem ter verantwoording heeft geroepen over de kwaliteit van de verrichte stukadoorswerkzaamheden, dat [Stucadoorsbedrijf] [Straaltechniek] en EWA daarom in gebreke stelt, dat op de eerstvolgende dinsdag een kwaliteitscontrole zal plaatsvinden, dat Bovero aan [Stucadoorsbedrijf], [Straaltechniek] en EWA de toegang tot de bouwplaats zal ontzeggen indien de kwaliteit van de verrichte werkzaamheden dan niet aan de daaraan te stellen eisen zal blijken te voldoen en dat in dat geval betaling zal uitblijven.

Anders [appellant] in punt 12 van de memorie van grieven stelt, blijkt uit de brief niet dat op aangeven van Ikea alsnog een hogere afwerkingsklasse is overeengekomen (A in plaats van B) en dat daarmee het probleem was opgelost.

Gelet op de inhoud van de brief van 1 juni 2006 moet de stelling van [appellant] dat er in de periode tot het einde werk geen klachten zijn ontvangen, zoals gesteld in punt 14 van de memorie van grieven, worden verworpen. Uit de brief blijkt immers dat er wel degelijk klachten over de verrichte werkzaamheden waren en dat die klachten ook aan [Straaltechniek] zijn medegedeeld. Ook de stelling van [appellant] dat [Straaltechniek] nimmer in gebreke is gesteld (punt 25 en 37 van de memorie van grieven) wordt, gelet op de inhoud van de brief van 1 juni 2006, verworpen. Uit die brief blijkt immers onmiskenbaar dat [Straaltechniek] in gebreke is gesteld, dat [Straaltechniek] een termijn is gegund om alsnog aan haar verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen en dat [Stucadoorsbedrijf] niet zal betalen aan [Straaltechniek] als de opdrachtgever wegens de wanprestatie van [Straaltechniek] niet betaalt en dat dan ook eventuele boetes en meerprijzen voor rekening van [Straaltechniek] zullen worden gebracht.

8.5.

Voorts overweegt het hof dat [appellant] niet heeft betwist dat [Stucadoorsbedrijf] de hiervoor onder 8.1.3 geciteerde brief (of fax) aan [Straaltechniek] van 20 november 2006 heeft gezonden. Daarin deelt [Stucadoorsbedrijf] mee dat, als gevolg van nalatigheid van [Straaltechniek] en het niet nakomen van afspraken door [Straaltechniek], Bovero [Straaltechniek] de toegang tot het bouwterrein heeft ontzegd en dat de stukadoorswerkzaamheden door een ander bedrijf zijn afgerond. [Stucadoorsbedrijf] besluit de brief met: "tevens wijs ik u er op dat alle eventuele schadeclaims (o.a. boetes wegens te laat opleveren en/of meerprijs wegens het door anderen afmaken van de werkzaamheden) van de firma Bovero ten uwen laste zullen komen daar u verantwoordelijk bent voor de technische uitvoering van de werkzaamheden." Ook uit deze brief blijkt onmiskenbaar dat er klachten waren, dat [Straaltechniek] van die klachten op de hoogte was en dat [Stucadoorsbedrijf] aanspraak maakt op schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten door [Straaltechniek].

8.6.

Gesteld noch gebleken is dat [Straaltechniek] of EWA ooit heeft gereageerd op de brief van 1 juni 2006 en/of de brief van 22 november 2006. Ook in de verklaring van 22 december 2010 van de mede-eigenaar van EWA, de vennootschap die de onderhavige werkzaamheden feitelijk heeft verricht en daarom moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de wijze waarop de werkzaamheden door EWA zijn uitgevoerd, worden de aard en de omvang van de klachten niet betwist en wordt als zodanig evenmin, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat er afspraken zijn gemaakt omtrent het herstel van de door EWA verrichte werkzaamheden door een derde (productie 8 bij de brief van de advocaat van [appellant] aan de rechtbank van 31 december 2010). De mede-eigenaar stelt slechts dat hij niet op de hoogte is van (verdere) afspraken. Verder heeft [Pensioen] als zodanig niet betwist dat Bovero BV na 1 juni 2006 een derde heeft ingeschakeld om herstelwerkzaamheden ter verrichten ten aanzien van de door Bovero BV aan [Stucadoorsbedrijf] opgedragen stukadoorswerkzaamheden.

8.7.

Nu [Stucadoorsbedrijf] gemotiveerd heeft betwist dat [Straaltechniek] een opeisbare vordering op hem had als door [Straaltechniek] aan [appellant] gecedeerd, had het op de weg van [appellant] gelegen zijn andersluidende stelling nader te motiveren. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. De rechtbank heeft om die reden zijn vordering terecht afgewezen. De grieven kunnen daarom niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

8.8.

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

9 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Stucadoorsbedrijf] worden begroot op € 649,- aan griffierecht en op € 1631,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, S.M.A.M. Venhuizen en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2012.

sheer