Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BY1194

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
25-10-2012
Zaaknummer
HV 200.058.754
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV2364
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV2364
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rekening en verantwoording bewindvoerder meerderjarigenbewind. Zie ook LJN BV2364.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer: HV 200.058.754/01

zaaknummer eerste aanleg: 528126-OV-269/2009

beschikking van de zevende kamer van 22 februari 2011

in de zaak van

[X.],

bewindvoerder in het meerderjarigenbewind over geïntimeerde dat heeft geduurd van 27 juni 2005 tot 30 oktober 2008 (schorsing), althans 1 december 2009 (ontslag),

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.T. Austen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.J. Folkeringa.

In het appelschrift worden als belanghebbenden mede genoemd de heren [belanghebbende sub 1.] en [belanghebbende sub 2.], opvolgende (tijdelijke) bewindvoerders in het meerderjarigenbewind over [geïntimeerde]. De heer [belanghebbende sub 1.] is overleden. Aan de heer [belanghebbende sub 2.] is ontslag verleend. Hun positie is in hoger beroep niet in geding.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen ex artikel 1:445 jo. artikel 1:374 BW van de kantonrechter Tilburg van 16 februari en 1 december 2009. Tegen deze beschikkingen is hoger beroep ingesteld voor zover daarin de door [appellant] afgelegde eindafrekening over het door hem gevoerde bewind is afgekeurd.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 maart 2010, heeft [appellant] onder aanvoering van 18 grieven verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juni 2010, heeft [geïntimeerde] het beroep bestreden en onder aanvoering van één grief incidenteel appel ingesteld.

2.3. Het verweerschrift in incidenteel beroep van [appellant] is ter griffie ingekomen op 22 juli 2010.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 november 2010 alwaar [appellant] vergezeld van mr. S.J.M. Peters (kantoorgenoot van mr. Austen) en [geïntimeerde] vergezeld van mr. Folkeringa zijn verschenen. Mr. Peters heeft een pleitnota met bijlagen overgelegd.

2.5. De uitspraak is, na een aantal malen te zijn aangehouden, bepaald op heden.

3. De beoordeling

3.1. Het geschil

3.1.1. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het verzoek van [appellant] tot goedkeuring van de rekening en verantwoording over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van [geïntimeerde]. De kantonrechter heeft deze goedkeuring onthouden.

3.1.2. [geïntimeerde] is onder bewind gesteld omdat zij wegens een ernstige (lichamelijke) ziekte in het ziekenhuis verbleef.

3.1.2. Alleen grief 1 keert zich tegen de tussenbeschikking. Waar hierna naar een rechtsoverweging wordt verwezen, is dit een overweging uit de eindbeschikking van 1 december 2009.

3.1.3. Tegen het feitenrelaas opgenomen onder ‘1. Het verloop van het bewind’ in de beschikking van 16 februari 2009 zijn geen grieven gericht. Het hof neemt de daar gerelateerde feiten tot uitgangspunt.

Het principaal appel

3.2. Grief 1

3.2.1. In deze grief keert [appellant] zich tegen het gebruik door de kantonrechter van wat hij noemt kenmerken of karaktereigenschappen. [appellant] acht het onjuist als niet-coöperatief en eigenzinnig te worden beschreven. Voorts verzet hij zich tegen de kwalificatie van mevrouw [Z.] als medium.

3.2.2. Bij deze grief heeft [appellant] geen belang nu gegrondbevinding niet leidt tot een andere beslissing.

3.3. Grief 2 (rov. 2.12)

3.3.1. Ten tijde van het bewind zijn ten laste van [geïntimeerde] bungalows gekocht. De kantonrechter overwoog in de bestreden rechtsoverweging dat voor de aankoop, inclusief kosten, € 280.535,72 is gebruikt, van welk bedrag € 251.400,- ziet op de werkelijke totaalkoopprijs van de onroerende zaken (en derhalve het verschil ad € 29.135,72 op kosten).

3.3.2. In punt 10 van het beroepschrift stelt [appellant] dat het bedrag van € 251.400,- onjuist is omdat daarbij geen rekening is gehouden met de kosten.

3.3.3. Deze grief berust in zoverre echter op een verkeerde lezing van de betreffende rechtsoverweging. Het bedrag van € 251.400,- is het bedrag exclusief deze kosten.

3.3.4. Het hof is het volgende gebleken.

Kosten kale koopprijs incl. roerende zaken en btw koopprijs incl. k.k. bungalows 1-2 € 82.900 € 90.000,- € 95.677,70

bungalows 6-9 € 97.500,- € 125.500,- € 133.335,72

[vestigingsplaats] € 43.000,- € 50.000,- € 57.200,-

Totaal: € 223.400,- € 265.500,- € 286.213,42

Zie resp. prod. 4 bij beroepschrift, punt 12 beroepschrift en prod. 7 bij de brief van mr. Austen van 26 augustus 2009.

Het totaal van de kale koopprijs vermeerderd met de kosten koper, derhalve exclusief roerende zaken en de btw daarover, beloopt € 244.113.42.

Het totaal van de roerende zaken en btw beloopt € 42.100,-.

In punt 12 van het beroepschrift wordt bij het bedrag van € 97.500,- opgeteld € 4.470,59 in plaats van € 7.835,72 kosten koper. De berekeningen van het hof verschillen daarom van die van [appellant].

De conclusie is dat de totale investeringskosten (exclusief verbouwing) zelfs nog meer beliepen dan waar de kantonrechter vanuit ging, namelijk € 286.213,42.

3.3.5. Het hof zal rov. 2.12 verbeterd lezen. Deze vaststelling kan evenwel niet leiden tot een ander dictum.

3.4. Grief 3 (rov. 2.13)

3.4.1. In deze overweging oordeelt de kantonrechter dat [appellant] uit de verkregen machtiging om tot aankoop van bungalows over te gaan niet mocht afleiden dat hij tevens toestemming had de hypotheekovereenkomst aan te gaan.

3.4.2. [appellant] meent dat de verleende toestemming voor aankoop ook zag op het aangaan van de hypotheekovereenkomst omdat in het verzoek voor de machtiging financiering middels een hypotheek werd aangekondigd en hij daarom geen reden had te twijfelen. Het had op de weg van de kantonrechter gelegen om naar de feitelijke gegevens met betrekking tot de hypotheek te vragen.

3.4.3. In zijn brief van 4 maart 2005 heeft [appellant] aan de kantonrechter toestemming gevraagd om ‘in het kader van het beheren van het vermogen van [geïntimeerde]’ bungalows te kopen, te renoveren en te verkopen. Dat is mogelijk te maken, aldus de brief, door een hypotheek aan te vragen en vandaar uit ‘deze case’ te financieren. De aankoopprijzen zijn gebaseerd op de waardering van een makelaar. Toestemming is verleend op 13 maart 2006.

3.4.4. Bij brief van 10 mei 2006 stelt [appellant] de kantonrechter op de hoogte van de stand van zaken. Daarin wordt aangekondigd dat de financiering plaats vindt door BLG Hypotheken N.V., een onderdeel van SNS Reaal. Details, zoals rentepercentages worden niet gegeven.

3.4.5. De hypotheekovereenkomst is gesloten op 13 juli 2006. De hoofdsom bedroeg € 215.000,-; als onderpand diende de woning van [geïntimeerde]. De lening was aflossingsvrij. De rentevaste periode was kort.

3.4.6. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van [appellant] had gelegen de kantonrechter (tijdig) nader te informeren, niet alleen over de uiteindelijke aankoopprijzen, maar ook over de hypotheekvoorwaarden. Kennelijk zag [appellant] dit ook zo toen hij de kantonrechter nader informeerde bij brief van 10 mei 2006. Niet wordt duidelijk waarom [appellant] de kantonrechter niet nader op de hoogte heeft gebracht toen meer financiële gegevens bekend werden. De grief faalt.

3.4.7. Het hof merkt overigens op dat de kantonrechter de gewraakte passage vervolgt met op te merken dat niet gezegd kan worden dat [appellant] niet te goeder trouw zou zijn geweest.

3.5. Grief 4 (rov. 2.18)

3.5.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passages uit deze overweging:

Voor het terugbrengen van deze bungalows in verhuurbare staat is door [A.] berekend dat daarmee in totaal een bedrag gemoeid is van € 267.000,- een bedrag dat aanmerkelijk hoger ligt dan het bedrag waarvoor de zes bungalows zijn aangekocht, namelijk (€ 82.900,- + € 125.500,- =) € 208.400,-.

en

Het ontbreken van duidelijkheid omtrent die waarde kan op het conto van [appellant] worden geschreven.

3.5.2. [appellant] voert eerst aan dat het aankoopbedrag € 180.400,- is. Niet valt in te zien welk belang [appellant] heeft bij deze klacht. De totale investeringskosten, en daar moet rekening mee worden gehouden nu het gaat om een beleggingsproject, bedroegen, zoals hiervoor berekend, € 95.667,70 + € 133.335,72 = € 228.993,42.

3.5.3. De tweede geciteerde passage heeft betrekking op een schatting van de waarde van de bungalows per 30 oktober 2008, de dag waarop [appellant] als bewindvoerder werd geschorst. De kantonrechter gaat, bij gebreke van een deugdelijke taxatie, uit van een waarde van € 110.000,-, het bedrag waarvoor de bungalows kunnen worden verkocht.

3.5.4. [appellant] meent dat hem geen verwijt treft omdat de opvolgend bewindvoerders de opdracht hadden een taxatierapport in het geding te brengen. Bovendien zou een door hem, [appellant], aan een makelaar verstrekte opdracht zijn gefrustreerd door de parkmanager.

3.5.5. Het hof stelt vast dat het in het onderhavige geding gaat om de door [appellant] af te leggen rekening en verantwoording. Het is dus aan [appellant] om toereikend inzicht te verschaffen. Hij kan zich te dier zaken niet beroepen op onvoldoende inspanningen van de opvolgend bewindvoerders of van zijn eigen taxateur. De onzekerheid over de waarde is derhalve wel degelijk [appellant] aan te rekenen en de grief faalt.

3.6. Grief 5 (rov. 2.19)

3.6.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passage uit deze rechtsoverweging:

Uitgaande van een huurprijs van € 500,- per maand en de gestarte bewoning door [B.] in januari 2007 zou [geïntimeerde] per 30 oktober 2008 recht kunnen doen gelden op 19 x € 500,- = € 9.500,- aan huurpenningen. Het niet vermelden van deze vordering van [geïntimeerde] op [B.] maakt de eindrekening op dit punt onvoldoende moet worden geoordeeld.

3.6.2. [appellant] voert, kort gezegd, aan dat niet hij, maar [geïntimeerde] het gebruik van de bungalow in [vestigingsplaats] aan [B.] heeft aangeboden.

3.6.3. De kantonrechter heeft – onbetwist door [appellant] – vastgesteld dat [appellant] een prominente rol heeft gespeeld bij de aankoop van de bungalow en de bewoning daarvan door [B.]. Ten aanzien van de gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van de overeenkomst met [B.], en de inhoud daarvan, stelt de kantonrechter vast dat er onduidelijkheid bestaat. Tegen deze achtergrond heeft de kantonrechter de schade voor [geïntimeerde] voorshands geschat op € 9.500,-.

3.6.4. Met de kantonrechter, en op de door hem aangevoerde gronden, is het hof van oordeel dat [appellant] een verwijt kan worden gemaakt van de bestaande onduidelijkheden. De rekening en verantwoording is op dit punt dan ook ondeugdelijk. Voor de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] voor de gang van zaken verantwoordelijk is, heeft het hof geen aanwijzing gevonden. Het was aan [appellant], als bewindvoerder, toereikend toezicht te houden en de belangen van [geïntimeerde] te dienen. Het verweer is bovendien niet ter zake doende, omdat de handelwijze van [geïntimeerde] [appellant] niet ontslaat uit zijn eigen verplichtingen.

3.7. Grief 6 (rov. 2.21)

3.7.1. De grief keert zich tegen de volgende passages uit deze overweging:

Wat [appellant] wel kan worden verweten is dat hij de kantonrechter niet heeft geïnformeerd over het feit dat de renovatie van de bungalows van [geïntimeerde] in een project is gestopt waarbinnen met andere eigenaren aan de renovatie van 14 bungalows werd gewerkt omdat daarmee het vermogen van [geïntimeerde] niet meer alleen werd gebruikt voor de bekostiging van de renovatie van haar eigen bungalows maar ook voor die van anderen. Dat zou immers reden kunnen hebben gevormd voor de kantonrechter om in te grijpen en, indien destijds al goedkeuring daarvoor zou zijn verleend, afspraken te maken over een strikte(re) financiële rapportage.

en

Dat [appellant] de kantonrechter relevante informatie heeft onthouden is ook gebleken uit de door [geïntimeerde] voorafgaande aan de beschikking van 30 oktober 2008 overgelegde bescheiden waaronder een aantal, ook in het bezit van [appellant] zijnde, notulen van de algemene ledenvergadering van de Coöperatie Vakantie Schin op Geul U.A.

3.7.2. [appellant] voert eerst aan dat hij de kantonrechter wel heeft geïnformeerd, namelijk op de zitting van 27 maart 2007, waar melding zou zijn gemaakt van een renovatie middels een ‘renovatiegroep’. Nu een PV ontbreekt kan het hof thans niet nagaan of deze mededeling is gedaan. Maar wat daar ook van zij, genoemde mededeling bevat onvoldoende informatie. Uit deze kennelijk terloopse opmerking valt niet af te leiden dat sprake zou zijn van de financiële verstrengeling, waarop de kantonrechter doelt. Bovendien gaat het om een mededeling achteraf: de bungalows waren al gekocht.

3.7.3. [appellant] ‘ziet niet in’, zo stelt hij, dat hij naast de verleende toestemming voor renovatie, ook toestemming voor de wijze van uitvoering nodig had. Het gaat, naar het oordeel van het hof, bij het doen van verantwoording niet om de vraag of er al dan niet toestemming nodig was. Waar het om gaat is dat vastgesteld moet worden dat [appellant] de kantonrechter vooraf en gedurende de uitvoering onvoldoende heeft geïnformeerd over de financiële consequenties van het project, zodat de kantonrechter zich er niet tijdig op heeft kunnen beraden. Door deze informatieverschaffing achterwege te laten kan [appellant] zich niet beroepen op de oorspronkelijk verleende toestemming en dient te worden onderzocht of en in hoeverre de ontstane situatie, die voor [geïntimeerde] financieel desastreus is, aan [appellant] kan worden toegerekend. Tegen deze achtergrond is de stelling van [appellant], dat hij betwist dat er gelden van [geïntimeerde] zijn aangewend ter renovatie van bungalows van anderen, niet relevant. De onderhavige procedure is niet-geëigend om naar deze stelling een onderzoek in te stellen. [appellant] stelt nog wel dat [geïntimeerde] evenredig (naar het door haar in eigendom toekomende aantal huisjes) is belast en dat dit voor [geïntimeerde] voordelig was, maar of een zodanige verdeelsleutel gerechtvaardigd is en of dit voor [geïntimeerde] voordelig was, kan thans niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. Juist daarom had deze veronderstelling vooraf aan de kantonrechter ter toetsing voorgelegd dienen te worden.

3.7.4. Ook de stellingen van [appellant] ten aanzien van de tweede passage treffen geen doel. Terecht overwoog de kantonrechter in vervolg op die passage:

Nadat [appellant] ter zitting van 29 maart 2007 zijn problemen met het parkbestuur had toegelicht – (…) – is er op 14 april 2007 een algehele ledenvergadering geweest waarin het optreden van [appellant] uitvoerig aan de orde is gesteld en zorg is geuit met betrekking tot de gang van zaken bij de renovaties van al de bungalows waar [appellant] bij betrokken was. (…)

Het handelt hier derhalve om relevante informatie die rechtstreeks [appellant] als bewindvoerder en uitvoerder van de renovatie betrof, waarvan de kantonrechter op de hoogte gesteld had moeten worden.

3.7.5. Ten slotte, uit de brief van de kantonrechter van 27 december 2007 valt niet op te maken dat de kantonrechter volledig en ter zake dienende was geïnformeerd.

3.7.6. De grief faalt.

3.8. Grief 7 (rov. 2.24)

3.8.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passage uit deze rechtsoverweging:

Hoe klein deze post ook is – [appellant] stelt € 356,36 - in het licht van de overige posten waar onduidelijkheid over bestond, vastgesteld moet worden dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarop deze betaling (precies) betrekking heeft zodat op dit punt de eindrekening niet kan worden goedgekeurd.

3.8.2. Voorafgaande aan deze passage overwoog de kantonrechter dat de afschrijving ter zake ‘herve’ betrekking heeft op een factuur van de gemeente Herve aan [geïntimeerde]. Anderzijds is de betaling geschied ter zake van ‘contributie’. De onderliggende factuur ontbreekt.

3.8.3. Het hof stelt vast dat de betreffende factuur nog immer ontbreekt, zodat de juistheid van dit deel van de rekening en verantwoording niet kan worden vastgesteld. De grief faalt mitsdien.

3.9. Grief 8 (rov. 2.27)

3.9.1. In deze rechtsoverweging gaat het over de rekening en verantwoording ten aanzien van facturen die [geïntimeerde] in verband met de renovatie zijn gestuurd. Het betreft facturen van de onderneming Cataract, de vennootschap onder firma waarvan [appellant] zelf vennoot is. [appellant] beroept zich erop dat de administratie voor hem niet beschikbaar is. Hij vermoedt dat deze administratie door de heren [medewerker 1.] en [medewerker 2.], werkzaam bij het bungalowpark, zijn meegenomen. Voorts stelt hij dat een deel van de administratie bij de opvolgend bewindvoerders is. Hij meent dat dit beroep (op overmacht) terecht is.

3.9.2. Naar het oordeel van het hof kan [appellant] zich niet beroepen op het ontbreken of verdwijnen van relevante informatie. Het behoort tot de primaire taak van een bewindvoerder om een volledige en deugdelijke financiële administratie van het vermogen van onderbewindgestelde te voeren en deze op verlangen van de kantonrechter over te leggen. Als een deel van de administratie zich bij derden bevindt, dan is het de taak van de bewindvoerder die terug te halen. Hij kan niet volstaan met verwijzing naar die derden. Dat [appellant] zich toereikend heeft ingespannen om de administratie terug te krijgen, is het hof niet gebleken.

3.9.3. [appellant], althans zijn advocaat, beklaagt zich verder over de volgende passage

De door mr. Austen namens [appellant] gegeven uitleg over de reden daarvan, namelijk dat het onmogelijk is die facturering wegens het missen van bescheiden te verzorgen, staat echter haaks op wat mr. Haastert namens [appellant] in haar brief van 12 mei 2009 heeft verklaard, namelijk dat Cataract geen verdere facturen heeft verzonden aan [geïntimeerde] vanwege het feit dat [geïntimeerde] telkens aangaf dat haar financiële situatie dat niet toeliet en dat Cataract daarom de verdere – en andere – kosten uit eigen vermogen heeft voorgefinancierd en dat die kosten nog aan [geïntimeerde] in rekening zullen worden gebracht.

3.9.4. [appellant] beklaagt zich erover dat het hem een raadsel is hoe de kantonrechter erbij komt dat uit een opmerking van mr. Austen zou kunnen worden afgeleid dat er niets meer aan [geïntimeerde] zou worden gefactureerd (…). Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een raadsel want de kantonrechter heeft dat niet overwogen.

3.9.5. De kantonrechter heeft ook nog overwogen:

De kantonrechter merkt daarbij op dat, indien dat juist is, van [appellant] als bewindvoerder had mogen worden verwacht dat hij de kantonrechter daarover zou hebben geïnformeerd zodat de verslechterde financiële situatie van [geïntimeerde] eerder in beeld zou zijn gekomen.

3.9.6. Naar het oordeel van het hof is het verwijt van de kantonrechter juist. [appellant] stelt wel dat het vermogen van [geïntimeerde] eerst zou gaan groeien na verkoop van de bungalows, maar dit kan hem niet baten. De kantonrechter en het hof verwijten [appellant] dat hij de kantonrechter niet heeft geïnformeerd over het feit dat [geïntimeerde] de facturen met betrekking tot de verbouwing niet meer kon betalen en het deswege achterwege laten van verdere facturering. De kantonrechter heeft zodoende zijn controlerende taak niet kunnen uitvoeren. De grief faalt.

3.10. Grief 9 (rov. 2.28)

3.10.1. De grief keert zich tegen de volgende passage:

Maar indien vraagtekens geplaatst worden bij bepaalde kosten en daarop geen reactie komt moet worden vastgesteld dat [appellant] als bewindvoerder in zijn informatieplicht tekort schiet en niet de moeite heeft genomen om het vermoede privégebruik ten laste van [geïntimeerde] te ontzenuwen. Omdat bij gebreke van inlichtingen niet eenvoudig is vast te stellen wat eventueel ten onrechte in rekening is gebracht acht de kantonrechter het redelijk en billijk dat bedrag schattenderwijs vast te stellen op (…) € 22.554,81. (…)

3.10.2. [appellant] meent dat de kantonrechter ‘zijn boekje’ te buiten is gegaan omdat het zou gaan over de toelaatbaarheid van hetgeen door Cataract in rekening is gebracht en dit geen verband houdt met de bewindvoering.

3.10.3. Het hof merkt eerst op dat de kantonrechter het aspect Cataract niet heeft miskend. Hij overweegt expliciet [appellant] niet tot terugbetaling te kunnen veroordelen omdat de omstandigheid dat die kosten in rekening zijn gebracht door Cataract aan terugbetaling door [appellant] persoonlijk in de weg staat.

3.10.4. Bovendien heeft de kantonrechter het over het privégebruik van een bungalow door [appellant], niet door Cataract.

3.10.5. In de toelichting op de grief gaat [appellant] verder in op de hoogte van het geschatte bedrag. Bij behandeling daarvan heeft [appellant] geen belang. Vast staat dat de rekening en verantwoording niet deugdelijk is (hetgeen werd overwogen in de eerste zin van de geciteerde passage wordt niet betwist), zodat het dictum niet vernietigd kan worden.

3.10.6. [appellant] voert in de toelichting op de grief nog aan dat hetgeen door de kantonrechter aan de orde is gesteld buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de door [appellant] af te leggen rekening en verantwoording. Dit standpunt deelt het hof niet. Als, zoals hier, de af te leggen rekening en verantwoording niet deugt, staat het de kantonrechter vrij overwegingen te wijden en een aanwijzing te geven omtrent de omvang van financiële consequenties daarvan. Het is dan aan [appellant] om met [geïntimeerde], of haar opvolgende bewindvoerders een regeling te treffen die als grondslag kan dienen voor een goedkeuring van de eindrekening.

3.11. Grief 10 (rov. 2.29)

3.11.1. De grief keert zich tegen de volgende passage:

Rechtvaardiger is, ook indien het [geïntimeerde] om fysieke of geestelijke redenen niet mogelijk was aanwezig te zijn, om haar met 1/7e deel van de kosten te belasten. [appellant] had hier in zijn hoedanigheid van bewindvoerder en als gedeeltelijk beheerder van haar vermogensrechtelijke belangen attent op moeten zijn. De kantonrechter is dan ook van mening dat over de periode juli 2006 tot en met 2008 door Cataract althans Adviesburo Nefertem een veel te hoog bedrag aan cateringkosten in rekening is gebracht. (…) het verschil ten nadele van [geïntimeerde] bedraagt dan (…) € 2.553,16. (…)

3.11.2. [appellant] stelt dat de kantonrechter ook hier zijn boekje te buiten is gegaan. Voorts betwist hij de berekening. Voor deze grief geldt hetzelfde als voor de vorige grief.

3.11.3. [appellant] is van oordeel dat [geïntimeerde] wel degelijk 3/7e deel van de kosten in rekening mag worden gebracht omdat zij eigenaar was van 6 van 14 te renoveren bungalows, al erkent hij wel dat het onwaarschijnlijk is dat [geïntimeerde] voor 3/7-de deel van de gehele catering eet en drinkt.

3.11.4. Daarmee is, naar het oordeel van het hof, het verwijt dat de kantonrechter [appellant] maakt terecht. [appellant] had moeten waken voor de belangen van [geïntimeerde]. Hij is daarin tekortgeschoten. Het had op de weg van [appellant] gelegen tijdig in overleg met Cataract en de andere bungaloweigenaren te bewerkstelligen dat [geïntimeerde] voor een lager percentage in de catering zou worden aangeslagen dan haar aandeel in de het aantal huisjes. De grief kan mitsdien niet leiden tot een ander dictum.

3.12. Grief 11 (rov. 2.32)

3.12.1. De kantonrechter overwoog:

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat [appellant] althans Cataract ten onrechte de (financiële) gevolgen van de vervolgens ontstane patstelling geheel op het conto van de bewindvoerders schrijft.

3.12.2. [appellant] stelt dat deze patstelling doelt op de situatie dat de gereedschappen en materialen, zich bevindende in de bungalows van [geïntimeerde], niet meer door [appellant] c.q. Cataract konden worden gebruikt. De kantonrechter heeft de opvolgend bewindvoerders toestemming gegeven een regeling te treffen waarbij de opgeslagen spullen konden worden teruggegeven. Dat deze regeling niet tot stand is gekomen komt omdat de bewindvoerders tevens, maar, volgens [appellant], ten onrechte als eis stelden dat [appellant] en [Z.] uit bungalow 1 van [geïntimeerde] zouden vertrekken.

3.12.3. De kantonrechter heeft evenwel – onbetwist – overwogen dat de bewindvoerders vermoedden dat alle spullen door [geïntimeerde] waren bekostigd, dat [appellant] aan de hand van administratie mocht aantonen dat de spullen zijn eigendom waren of van Cataract en dat [appellant] dat niet heeft gedaan.

3.12.4. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat deze patstelling, bestaande uit het weigeren inzage te geven in de eigendom van de spullen met als gevolg dat de bewindvoerders deze niet konden afgegeven, op het conto van [appellant] komt.

3.12.5. [appellant] wijst nog op het vonnis van de rechtbank Breda van 10 februari 2010, in de procedure tussen de bewindvoerders enerzijds en Cataract, [appellant] en [Z.] anderzijds, waarin is overwogen, volgens [appellant], dat het niet afgeven van de spullen in beginsel onrechtmatig is. Dit standpunt faalt. De rechtbank overwoog dat het niet afgeven van eigendommen van een ander in beginsel onrechtmatig is. Echter in dat geding was inzet van het debat wie als eigenaar moet worden aangemerkt. De vordering tot afgifte door Cataract is afgewezen door de rechtbank omdat niet was gebleken dat Cataract eigenaar was.

3.13. Grief 12 (rov. 2.39)

3.13.1. De grief keert zich tegen de volgende passage uit deze overweging:

Daarop zouden dan wel in mindering dienen te strekken de bedragen waarvan de kantonrechter eerder heeft geoordeeld dat deze ten onrechte aan [geïntimeerde] in rekening zijn gebracht, te weten € 2.553,16 aan cateringkosten en € 2.043,52 aan te veel berekende kosten zodat, los van de hierna nog te bespreken posten, tot en met oktober 2008 verschuldigd zou zijn een bedrag van € 10.190,30.

3.13.2. In de toelichting op de grief wordt verwezen naar de toelichting op grief 9. Voorts zou geen rekening zijn gehouden met een bedrag van € 1.900,-.

3.13.3. Bij deze grief heeft [appellant] geen belang omdat gegrondbevinding niet leidt tot een ander dictum. Het hof voegt hieraan toe dat de stelling van [appellant] dat de rechter in een afzonderlijke procedure over de hoogte van de bedragen moet oordelen inderdaad juist is. De kantonrechter heeft de bedragen dan ook niet in het dictum vastgelegd en [appellant] is derhalve ook niet veroordeeld om deze aan [geïntimeerde] te betalen. De betreffende passage heeft kennelijk de strekking van een voorlopig oordeel dat ertoe strekt een indicatie te geven van hetgeen [appellant] aan [geïntimeerde] moet betalen om alsnog goedkeuring te krijgen voor de eindrekening. Voor het overige faalt de grief op gronden uiteengezet onder grief 9. Bovendien heeft [appellant] deze kwestie zelf doen aanvoeren zodat het de kantonrechter vrij stond, en het hem zelfs verplicht was in het kader van de motiveringsplicht, daarop te responderen.

3.14. Grief 13 (rov. 2.40)

3.14.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passage uit deze overweging:

Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het bedrag van € 1.267,32 niet aan [geïntimeerde] in rekening kan worden gebracht.

3.14.2. Ook hier wordt in de toelichting verwezen naar grief 9. Daarvoor geldt hetzelfde als daar, en in de vorige grief, is overwogen.

3.14.3. Inhoudelijk gaat het om productie 25 bij de brief van mr. Austen van 26 augustus 2009, een lijst van aankopen specifiek voor bungalow 2 ten bedragen van € 1.267,32.

De kantonrechter overweegt dat op de kosten die [appellant] in rekening wil brengen een vaatwasser staat ad € 429,95, aangeschaft door Cataract in december 2005, dus ruim voor de aanschaf van de bungalow, terwijl bovendien niet vaststaat dat de betreffende bungalow al zodanig gereed was dat deze verhuurbaar was.

3.14.4. Het hof merkt op dat, zoals uit de betreffende factuur blijkt, het gaat om kosten voor de aanschaf van roerende zaken die Adviesburo Nefertem, onderdeel van de Cataract onderneming v.o.f., aan [geïntimeerde] in rekening wil brengen. Onder meer in grief 9 stelt [appellant] zich op het standpunt dat de kantonrechter zijn boekje te buiten gaat door te oordelen over de toelaatbaarheid van hetgeen Cataract in rekening is gebracht. Het is dan niet begrijpelijk dat [appellant] in deze grief aandringt op goedkeuring van hetgeen door Cataract aan [geïntimeerde] in rekening wordt gebracht.

3.14.5. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat in het kader van de rekening en verantwoording door de bewindvoerder geen goedkeuring kan worden gehecht aan betaling van de factuur van Cataract ten laste van [geïntimeerde] nu niet blijkt van de noodzaak om de betreffende zaken aan te schaffen of de kosten in rekening te brengen aan [geïntimeerde]. In dit verband wordt opgemerkt dat niet alleen de bungalow nog niet in verhuurbare staat was maar ook nog niet werd verhuurd.

3.15. Grief 14 (rov. 2.43)

3.15.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passage uit deze overweging:

Het gaat weliswaar om een beperkt bedrag (4 of 6 x € 833,-) maar waar nergens uit blijkt dat ook de andere eigenaren met deze kosten zijn belast lijkt op dit punt het vermoeden van de bewindvoerders te worden bevestigd dat [geïntimeerde] financieel is benadeeld.

3.15.2. Het gaat hier om door Cataract in rekening gebrachte kosten voor het ophalen van bouwmaterialen en de inzet van bouwmaterialen en -materieel. De kantonrechter heeft goedkeuring geweigerd omdat niet is gebleken dat de eigenaren van de andere bungalows deze kosten ook in rekening zijn gebracht.

3.15.3. Uit de enkele, summiere, stelling van [appellant] in de toelichting op de grief, in samenhang met productie 28 van de brief van mr. Austen van 26 augustus 2009, heeft het hof niet kunnen afleiden dat de andere eigenaren deze kosten in rekening zijn gebracht, of aan [geïntimeerde] € 833,- dan wel 3/7de (of 6/14e) deel in rekening wordt gebracht, of zij belast wordt met 6 dan wel 4 maal € 833,-. De rekening en verantwoording kan derhalve ook op dit punt niet worden goedgekeurd. Daar komt bij dat [geïntimeerde] betwist dat de betreffende kosten zijn gemaakt. De grief faalt.

3.16. Grief 15 (ro.v 2.44)

3.16.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passage uit de overweging:

Met name is zonder nadere toelichting volstrekt onduidelijk op basis waarvan Cataract over 2009 aan [geïntimeerde] 519 uren (ad € 26.248,43) in rekening brengt. Het gaat hier om ongeveer 13 werkweken van 40 uren terwijl er echter van mag worden uitgegaan dat er ten behoeve van de woning van [geïntimeerde] vanaf oktober 2008 geen werkzaamheden meer zijn verricht. Bij gebreke van enige toelichting kan daarom niet zonder meer van de juistheid van de gestelde arbeidsuren worden uitgegaan.

3.16.2. [appellant] stelt in de toelichting op de grief dat de kantonrechter zijn boekje te buiten gaat omdat het hier een geschil tussen [geïntimeerde] en Cataract betreft.

3.16.3. Deze grief faalt. In de brief van mr. Austen van 26 augustus 2009 worden deze kosten opgenomen. Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, heeft de kantonrechter deze post gelezen in het kader van de af te leggen rekening en verantwoording. Het stond hem daarom vrij daarop te reageren zoals hij deed.

3.17. Grief 16 (rov. 2.47 en 2.51).

3.17.1. Het gaat hier eerst om door mr. Austen in de brief van 26 augustus 2009 genoemde schadeposten ad € 35.937,50 wegens de, naar de mening van [appellant], onterechte uitzetting van hem en [Z.] uit bungalow 1. Het gaat in de tweede plaats om uit bungalow 7 gestolen fietsen. De kantonrechter heeft op deze punten niet beslist. [appellant] erkent thans dat deze punten in de onderhavige procedure niet besproken dienen te worden. [appellant] heeft mitsdien geen belang bij de grief. Dat de kantonrechter nog enkele opmerkingen over deze posten heeft gemaakt, doet dit niet anders zijn. De opmerkingen krijgen geen gezag van gewijsde. Bovendien kan het hof deze kwesties ook niet beoordelen, zodat niet kan worden vastgesteld of deze opmerkingen juist dan wel onjuist zijn.

3.17. Grief 17 (rov. 2.53 en 2.54)

3.17.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passages:

Wat uiteindelijk aan bescheiden in het geding is gebracht betreft een pak producties dat veel duidelijkheid heeft verschaft maar waarbij de kantonrechter heeft moeten puzzelen om te komen tot een beeld over de stand van zaken met betrekking tot het vermogen van [geïntimeerde] voor zover dat is beïnvloed door het renovatieproject terwijl op een aantal punten onduidelijkheid is blijven bestaan.

en

De eindrekening kan om voormelde reden niet worden goedgekeurd. De kantonrechter laat in het midden of, in de termen van mr. Austen te spreken, [appellant] bewust “roofbouw” op het vermogen van [appellant] (het hof leest: [geïntimeerde]) heeft gepleegd maar oordeelt wel dat hij als medevennoot van Cataract debet is aan de omstandigheid dat het ten behoeve van een beter rendement in bungalows omgezette vermogen van [geïntimeerde] sterk is verminderd doordat de renovatie, mede door conflicten van [appellant] met het parkbestuur, zelfs in oktober 2008 nog niet tot voleinding was gekomen. Voorts is [appellant] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder ernstig in gebreke gebleven met het informeren van de kantonrechter over het grootscheepse renovatieproject en de gevolgen daarvan voor [geïntimeerde].

3.17.2. [appellant] stelt eerst dat het feit dat het even heeft geduurd voordat de producties in het geding zijn gebracht geen grond oplevert voor afkeuring van de eindrekening. De kantonrechter heeft zulks ook niet beslist.

3.17.3. [appellant] stelt voorts dat er geen onduidelijkheden meer bestaan, in ieder geval in hoger beroep niet meer. Het hof deelt deze opvatting niet. Reeds het feit dat de geschillen met Cataract nog niet zijn opgelost, maakt dat onduidelijk is in hoeverre [appellant] aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die is ontstaan voor [geïntimeerde] als gevolg van het gehele project.

3.17.4. Naar het oordeel van het hof kan de eindrekening dan ook niet worden goedgekeurd. [appellant] betwist weliswaar dat hij als medevennoot van Cataract debet is aan het verminderde vermogen van [geïntimeerde], maar het hof acht het zeer wel denkbaar dat in een civiele procedure tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] en Cataract anderzijds [appellant] aansprakelijk zal worden gehouden voor het aanzienlijk verminderen van het vermogen van [geïntimeerde] tijdens het bewind van [appellant]. Nu nog niet vaststaat welk bedrag [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd zal zijn, en ook nog niet vaststaat dat [appellant] aan een eventuele betalingsverplichting heeft voldaan, kan geen goedkeuring worden verleend aan de eindafrekening.

3.17.5. Het verzoek van [appellant] tot aanhouding om hem in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen wordt afgewezen. Het is aan [appellant], als bewindvoerder en als medevennoot van Cataract om [geïntimeerde] een voorstel voor financiële afwikkeling en compensatie te doen. Het is aan de kantonrechter om dit voorstel te toetsen.

3.17.6. De grief faalt.

3.18. Grief 18 (rov. 2.55)

3.18.1. Deze grief keert zich tegen de volgende passage uit de overweging:

Nu de door [geïntimeerde] geleden schade met name is gelegen in het mede door [appellant] als vennoot van Cataract uitgevoerde renovatieproject en die schade niet zonder meer op grond van de huidige gegevens precies is vast te stellen, waarbij deze eveneens aan [appellant] in zijn functie van bewindvoerder moet worden toegerekend, kan in deze procedure ten laste van [appellant] geen concreet schadebedrag worden vastgesteld.

3.18.2. [appellant] stelt in zijn toelichting op deze grief dat de kantonrechter niet kan oordelen over [appellant] als vennoot van Cataract. Dit standpunt is onjuist. Wat niet kan is het vaststellen van een schadevergoedingsbedrag ten laste van Cataract. Er staat evenwel geen rechtsregel aan in de weg dat de kantonrechter bij de beoordeling van de vraag of de eindrekening kan worden goedgekeurd rekening houdt met de handelwijze van [appellant] in zijn hoedanigheid van vennoot. [appellant] heeft het immers in zijn macht om, als vennoot, de geschillen tussen Cataract en [geïntimeerde] tot een einde te brengen.

3.18.3. [appellant] betwist voorts dat hij als vennoot aansprakelijk kan worden gehouden voor enige schade. [appellant] miskent hier dat er financiële geschillen met [geïntimeerde] met betrekking tot de bewindvoering zijn gerezen en dat deze zodanig van aard zijn dat het niet onwaarschijnlijk, naar het oordeel van het hof zelfs zeer waarschijnlijk is, dat [appellant] door de burgerlijke rechter veroordeeld zal worden schade aan [geïntimeerde] te vergoeden, zowel in hoedanigheid van bewindvoerder als van medevennoot van Cataract. Zolang deze kwestie niet is opgelost kan geen goedkeuring worden verleend aan de eindrekening. Dat [appellant] ter zake geen verwijt treft, zoals hij stelt, heeft het hof niet kunnen vaststellen.

In incidenteel appel

3.19. Grief (rov. 2.48)

3.19.1. In deze grief keert [geïntimeerde] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat tussen partijen vaststaat dat het door [geïntimeerde] in januari 2007 betaalde bedrag van € 15.000,- betrekking had op de door haar verschuldigde parkbijdrage en dat die betaling niet ten behoeve van andere eigenaren is geschied. Aangevoerd wordt dat de betaling wel degelijk is aangewend om ook schulden van de andere eigenaren te voldoen.

3.19.2. Gelet op het door [appellant] gevoerde verweer kan thans niet worden vastgesteld aan wiens zijde het gelijk ligt. Deze procedure leent zich ook niet vaststelling zodat de grief gegrond is.

3.19.3. Bij de grief heeft [geïntimeerde] voor het overige geen belang omdat gegrondbevinding niet leidt tot een ander dictum.

3.20. Het hof ziet aanleiding om [appellant] in de kosten van het hoger beroep te veroordelen.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van 16 februari 2009 waarvan beroep;

vernietigt de beschikking van 1 december 2009 waarvan beroep, maar alleen voor zover daarin in rechtsoverweging 2.48 is geoordeeld wat tussen partijen vaststaat;

bekrachtigt de beschikking voor het overige onder verbetering van rechtsoverweging 2.12 van die beschikking als hiervoor uiteengezet in rechtsoverweging 3.3;

veroordeelt [appellant] de kosten van het hoger beroep tot op heden begroot op € 263,- voor vast recht en op € 1.788,- voor salaris advocaat en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Fikkers en Feddes en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011.