Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BX7347

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
HV 200.088.837
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV6484
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV6484
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing

HR 20-04-2012 LJN BV6484

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 8 september 2011

Zaaknummer: HV 200.088.837/01

Zaaknummer eerste aanleg: 234507 JE RK 11-738 en 234524 JE RK 11-742

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats] (België),

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.E. Swart,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, mede kantoorhoudende te Tilburg,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 31 mei 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juni 2011, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de stichting haar te machtigen de minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24 uur en een verblijf pleegouder 24 uur, alsnog af te wijzen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2011. Bij die gelegenheid is gehoord:

- mr. L.E. Swart, namens de moeder.

2.2.1. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de faxberichten van de advocaat van de moeder d.d. 15 juni 2011 en 16 juni 2011.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [Y.] (hierna: [zoon A.]), op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [Z.] (hierna: [zoon B.]), op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

De kinderen zijn onder toezicht gesteld sinds 22 september 2010.

3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de stichting om [zoon A.] en [zoon B.] met ingang van 27 mei 2011 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 22 juni 2011 uit huis te plaatsen in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24 uur.

3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. Het hof overweegt het volgende.

3.4.1. Het hof stelt vast dat de termijn waarvoor de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof reeds was verstreken. Derhalve staat allereerst ter beoordeling van het hof of het verzoek in hoger beroep moet worden afgewezen wegens gebrek aan belang.

3.4.2. Op voorhand is aan de advocaat van de moeder telefonisch meegedeeld dat het hof niet eerder dan heden in staat is uitspraak te doen en dat dit op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad leidt tot afwijzing van het beroep.

3.4.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hof is namens de moeder gesteld dat zij, ondanks het feit dat de termijn van de machtiging uithuisplaatsing reeds is verstreken, nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling door het hof.

De moeder heeft daartoe – kort samengevat – gesteld dat:

- het oordeel van het hof van belang is voor een eventuele nieuwe beslissing inzake het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [zoon A.] en [zoon B.] in verband met de discussie over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, gelet op het feit dat de Centrale Autoriteit en het Centrum voor Internationale Kinderontvoering op basis van het Haags kinderbeschermingsverdrag 1996 een geheel andere mening zijn toegedaan dan de rechtbank;

- het oordeel van het hof van belang is in verband met het gebruik van een geblokkeerde conceptrapportage;

- onrechtmatige uithuisplaatsing een grove schending is van de belangen van twee zeer jonge kinderen, alsook van artikel 8 EVRM.

3.4.4. Het hof is van oordeel dat de moeder geen belang meer heeft bij het ingestelde hoger beroep, nu de termijn waarvoor de machtiging uithuisplaatsing was verleend ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof reeds was verstreken.

Ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad leidt dit tot afwijzing van het verzoek in hoger beroep.

3.4.5. Het door de moeder gestelde belang bij een inhoudelijke uitspraak van het hof in verband met een eventuele opvolgende beslissing van de rechtbank levert naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen rechtens te respecteren belang op.

Hetzelfde heeft naar het oordeel van het hof te gelden voor het anderszins door de moeder in de onderhavige procedure gestelde belang bij een inhoudelijke beoordeling door het hof.

3.4.6 Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep afwijzen.

4. De beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 31 mei 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.C. van Dijkhuizen en W.Th.M. Raab en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2011.