Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BX5828

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
HD 200.045.168 T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BK6973, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX5905, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Was erflaatster compos mentis? Na deskundigenbericht wordt de belanghebbende partij toegelaten tot tegenbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.045.168/01

arrest van de zevende kamer van 13 december 2011 (bij vervroeging)

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. M.L.A. van Opstal,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geintimeerde],

advocaat: mr. L.J.E. van Ierssel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 oktober 2010, de daarop volgende rolbeschikking van 19 oktober 2010 en de tussenarresten van 3 mei 2011 en 27 september 2011 in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder nummer 198383/HA ZA 09-35 gewezen vonnissen van 3 juni 2009 en 2 september 2009 tussen [geintimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde.

20. Het tussenarrest van 5 oktober 2010, de rolbeschikking van 19 oktober 2010 en de tussenarresten van 3 mei 2011 en 27 september 2011

Bij eerstgenoemd arrest is een deskundigenonderzoek bevolen en is iedere verdere beslissing aangehouden. In de rolbeschikking is dr. G.W. van Dijk, neuroloog, tot deskundige benoemd. In de tussenarresten van 3 mei 2011 en 27 september 2011 zijn aanvullende voorschotten op het honorarium van de deskundige bepaald.

21. Het verdere verloop van de procedure

21.1. De deskundige heeft zijn rapport ter griffie van het hof ingediend op 17 augustus 2011.

21.2. [appellante] heeft een memorie na deskundigenbericht met één productie genomen; [geintimeerde] heeft een antwoordmemorie na deskundigenbericht genomen.

21.3. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

22. De verdere beoordeling

22.1. Het hof volhardt bij hetgeen werd overwogen en beslist in de tussenarresten en de rolbeschikking.

22.2. In deze zaak gaat het kort gezegd om de vraag of het testament van mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), opgemaakt op 26 augustus 2008, nietig is omdat het tot stand is gekomen onder invloed van een geestelijke stoornis (als gevolg van een herseninfarct). In dit testament heeft erflaatster haar kinderen onterfd en [appellante], de zus van erflaatster, tot enig erfgenaam benoemd. [geintimeerde] is de dochter van erflaatster. Erflaatster is op 83-jarige leeftijd overleden op 2 november 2008 (volgens dr. [revalidatie-arts] in zijn rapport van 26 juni 2009 is erflaatster aan de gevolgen van het herseninfarct overleden).

22.3. In het (eind)vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de door [geintimeerde] verlangde verklaring voor recht, dat het testament nietig is, afgegeven en nevenvoorzieningen gegeven. [appellante] is daarvan in hoger beroep gekomen. In het tussenarrest van 5 oktober 2010 heeft het hof, alvorens op de grieven te beslissen, een deskundigenonderzoek gelast.

22.4. In rov. 4.6 van het tussenarrest van 5 oktober 2010 heeft het hof de volgende opdracht geformuleerd:

De deskundige krijgt de opdracht om, aan de hand van medische rapporten, de stukken die in het geding zijn gebracht en eventueel uit gesprekken met direct betrokkenen (bijvoorbeeld de verpleeghuisarts en de verpleegkundigen) zich een (medisch) beeld te vormen over de aard en omvang van het herseninfarct dat erflaatster had getroffen (en dat in zijn rapport te vermelden) en of er aanwijzingen bestaan dat dit infarct gevolgen heeft gehad voor de wilsvorming van erflaatster, alsmede om – op grond van hetgeen bekend is uit de medische literatuur en op grond zijn eigen (medische) kennis, ervaring en intuïtie – advies uit te brengen over de vraag of, en in hoeverre, die gevolgen erflaatster op 26 augustus 2008 (kunnen) hebben belet in een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen.

22.5. In zijn rapport concludeert de deskundige als volgt (pag. 12 en 13):

Een patiënt is volledig wilsbekwaam als hij voldoet aan de volgende 4 criteria:

1. Kenbaar kunnen maken van een keuze

2. Begrijpen van relevante informatie

3. Het beseffen en waarderen van de betekenis van de informatie voor de eigen situatie

4. Het logisch redeneren en betrekken van de informatie in het overwegen van behandelopties

(…) Op grond van de bestudering van het medisch dossier van mw. [erflaatster], geb. [geboortedatum]1925 moet worden geconcludeerd dat betrokkene aan geen van de 4 hierboven genoemde criteria voor wilsbewaamheid voldoet. Op grond van haar afasie was het voor haar niet mogelijk een keuze te maken. Op grond van haar afasie, waarbij ook het taalbegrip gestoord was, kon zij relevante nieuwe informatie niet begrijpen. Op grond van mijn ervaring met patiënten met soortgelijk hersenletsel, ben ik van mening dat criterium 3 (…), voor mw. [erflaatster], ook gestoord was. Ook blijkt uit het medisch dossier dat ten aanzien van punt 4 (…) gestoord was. Dit blijkt onder meer uit (…)

Samengevat is wijlen mw. [erflaatster], geb. [geboortedatum]1925, op 23 juli 2008 door een dermate omvangrijk herseninfarct in de linker hersenhelft getroffen, dat er ernstige neurologische uitvalverschijnselen zijn ontstaan (…). Betrokkene was mijns inziens op 26-8-2008 wilsonbekwaam.

22.6. [geintimeerde] kan zich met (de conclusies van) dit rapport verenigen; [appellante] niet.

De bezwaren van [appellante] spitsen zich toe op de volgende kwesties:

het medisch dossier dat de deskundige tot zijn beschikking had, was onvolledig en niet eenduidig;

de deskundige heeft geen getuigen gehoord.

[appellante] concludeert, primair, dat de deskundige niet heeft kunnen vaststellen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid, en verzoekt op die grond het (eind)vonnis te vernietigen. Subsidiair verzoekt [appellante] de deskundige een aanvullende opdracht te verstrekken in het kader waarvan de getuigen alsnog moeten worden gehoord, althans haar toe te laten tot het leveren van tegenbewijs door het horen van de door haar genoemde getuige.

22.7. [appellante] voert voor haar stellingen eerst aan dat de deskundige niet heeft beschikt over het patiëntendossier dat in beheer is bij het Amphia Ziekenhuis te [vestigingsplaats]. Dat dossier bevat een weergave van het verblijf van erflaatster aldaar van 23 juli 2008 tot en met 7 augustus 2008. Tot dat dossier behoort onder andere een CT-scan en een ECG van de hersenactiviteiten van erflaatster.

De deskundige heeft aangegeven dat het ziekenhuis afgifte weigert met een beroep op een geheimhoudingsplicht.

De deskundige heeft in zijn rapport vermeld dat hij wel beschikt over de ontslagbrief van de behandelend neuroloog waarin onder meer de bevindingen bij het neurologisch onderzoek staan opgenomen. Voorts beschikte de deskundige over het complete medische dossier van het verpleeghuis waar erflaatster verbleef. De deskundige heeft daarnaast over nog andere stukken beschikt, waarvan hij melding heeft gemaakt in zijn rapport.

22.8. Naar het oordeel van het hof leidt het feit dat de deskundige niet over alle medische gegevens heeft beschikt niet tot de conclusie dat dit rapport niet kan bijdragen aan de door het hof te maken beoordeling van de wils(on)bekwaamheid van erflaatster op 26 augustus 2008. De deskundige heeft de wel verkregen informatie toereikend beoordeeld. Dit op kennis, intuïtie en ervaring gegronde oordeel van de deskundige kan door het hof worden aanvaard. Uiteraard is het spijtig dat niet meer informatie van Amphia Ziekenhuis bekend is dan de ontslagbrief, maar het enkele feit dat die informatie ontbreekt brengt nog niet mee dat de wel bekende informatie ontoereikend zou zijn of dat de beoordeling van de deskundige onverantwoord zou zijn. Daarbij komt dat niet kan worden vastgesteld of de bij Amphia berustende informatie een andere kijk op de zaak zou opleveren. Een CT-scan en een ECG geven weliswaar informatie, maar deze behoeft niet doorslaggevend te zijn.

22.9. In de tweede plaats noemt [appellante] het IQ-rapport van 8 september 2008 en de indicatiestelling van 9 september 2008. Naar het hof begrijpt doelt [appellante] op hetgeen in het rapport van de deskundige is vermeld onder het kopje Processtukken onder A en op pagina 9 laatste alinea (waar wordt gesproken van een IO31 rapport).

[appellante] vestigt er de aandacht op dat het IO31 rapport niet is ondertekend en de auteur niet bekend is. Bovendien zou er geen verband bestaan tussen dit rapport en de indicatiestelling.

22.10. Naar het oordeel van het hof staat de genoemde vaststellingen niet aan de aanvaardbaarheid van het deskundigenrapport in de weg. Dat de auteur van een rapport niet bekend is, is onvoldoende om het rapport buiten beschouwing te laten. De vraag of er al dan niet samenhang bestaat tussen het IO31 rapport en de indicatiestelling is door de deskundige kennelijk niet in zijn beoordeling betrokken. Daarvan blijkt niet.

22.11. [appellante] stelt voorts dat niet geconcludeerd kan worden of de conclusies uit het medisch dossiers van Aeneas en van verpleeghuis Oranje-Haeve juist zijn, dan wel overeenkomen met het patiëntendossier van erflaatster dat in beheer is van het Amphia Ziekenhuis te [vestigingsplaats].

[appellante] wijst op tegenstijdigheden. Zij concludeert dat vanwege de uiteenlopende constateringen over het welzijn van erflaatster kennisnemen van het medisch dossier in beheer bij Amphia onontbeerlijk is.

Het hof deelt deze opvatting niet. Het behoort immers tot de taak van de deskundige om alle verklaringen, ook die verklaringen die in tegengestelde richting wijzen, in de beoordeling te betrekken en rekening te houden met het feit dat er gegevens ontbreken of niet voor handen zijn. Dat is gebeurd. Naar het oordeel van de deskundige kon hij een verantwoorde beoordeling maken, ook zonder de medische gegevens in beheer bij Amphia. Het hof heeft geen aanleiding om aan dit oordeel, dat op kennis, intuïtie en ervaring is gebaseerd, te twijfelen. De omstandigheden dat er gegevens ontbreken en dat er tegenstijdige opvattingen bestaan, overigens inherent aan elk deskundigeonderzoek, staan aan het oordeel van de deskundige niet in de weg.

22.12. De deskundige is op grond van zijn bevindingen, uitvoerig, toereikend en aanvaardbaar beschreven in zijn rapport, tot zijn conclusie gekomen. Van zodanige bijzondere omstandigheden dat geoordeeld moet worden dat de deskundige niet tot zijn beoordeling kon komen, of dat de beoordeling onjuist zou zijn (voor zover het hof dat zelf kan beoordelen; het hof is niet medisch deskundig), is het hof niet gebleken. De conclusie van de deskundige dat het herseninfarct dat erflaatster is overkomen vergaande gevolgen voor haar wilsbekwaamheid heeft gehad, en wel zodanig dat zij wilsonbekwaam moet worden bevonden ten tijde van het ondertekenen van het testament, en dat die gevolgen dus niet beperkt zijn gebleven tot enkel haar taalgebruik, dient voorshands te worden aanvaard.

22.13. Voor het geval het hof de conclusies van de deskundige aanvaard, wat het geval is, wenst [appellante] de volgende getuigen te horen:

mevrouw [GZ-psycholoog en logopediste], GZ-psycholoog en logopediste in het Amphia Ziekenhuis

de logopedist uit het Amphia Ziekenhuis

de notaris en diens getuigen

dr. [revalidatie-arts], revalidatie-arts.

Nu tegenbewijs van rechtswege is toegelaten zal het hof een getuigenverhoor gelasten. [appellante] wordt toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen – mede in aanmerking nemen de overige omstandigheden van het geval – dat erflaatster niet wilsonbewaam was ten tijde van het ondertekenen van het testament op 26 augustus 2008. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

23. De uitspraak

Het hof:

laat [appellante] toe tot het leveren van het tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat erflaatster op 26 augustus 2008 wilsonbewaam was bij het ondertekenen van het testament;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. W.H.B. den Hartog Jager als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 10 januari 2012 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier (vanaf het arrest van 5 oktober 2010) zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen (anderen dan de hiervoor genoemden) zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en W.H.B. den Hartog Jager en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 december 2011.