Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BX2355

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
23-07-2012
Zaaknummer
HD 200.093.049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Aanleiding voor een vordering tot ontruiming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.093.049

arrest van de zevende kamer van 20 december 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.J. van de Laar,

tegen:

STICHTING TRUDO,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. B. Poort,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 augustus 2011 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis in kort geding van 27 juli 2011 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde

- Trudo - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 232468/KG ZA 11-435)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij appeldagvaarding heeft [appellant] onder overlegging van een productie drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van Trudo.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft Trudo de grieven bestreden.

2.3 [appellant] heeft daarna nog een akte genomen en Trudo een antwoordakte.

2.4 Ten slotte hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier van Trudo ontbreekt de productie bij appeldagvaarding.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Kortheidshalve verwijst het hof naar deze uitvoerige weergave van de feiten.

4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a) [appellant] huurt sinds 1982 de woning aan de [staatnaam] [huisnummer] te [woonplaats] van (de rechtsvoorgangster van) Trudo.

b) Sinds 2006 heeft Trudo van omwonenden, eveneens huurders van Trudo, klachten ontvangen over geluidsoverlast en fysiek geweld van de kant van [appellant] . In het bestreden vonnis zijn de desbetreffende aangiftes en verklaringen samengevat weergegeven.

c) In 2007 is [appellant] vanwege mishandeling van een omwonende op 10 oktober 2006, door dit hof veroordeeld tot een geldboete van € 750,= voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

d) De buurtbrigadier van de wijk waarin de [straatnaam] is gelegen, [buurtbrigadier] , heeft in een sfeerrapportage van 16 juni 2011 zijn bevindingen sinds zijn aantreden in 2007 neergelegd met betrekking tot de problemen die zich rond [appellant] voordeden. Deze verklaring houdt onder meer in dat [appellant] sinds 2008 tot op heden betrokken is geweest of als verdachte is aangemerkt in een 8-tal verscheidene zaken als bedreiging, burenruzie, eenvoudige mishandeling, ruzie/twist en overlast van verward/overspannen persoon.

e) Tussen partijen is sinds begin 2010 correspondentie geweest over de situatie rond de woning van [appellant] . Op 4 mei 2011 heeft op het kantoor van Trudo een incident met een van haar medewerkers plaatsgevonden naar aanleiding waarvan Trudo aan [appellant] een kantoorverbod heeft opgelegd.

f) Trudo heeft voor de periode van augustus tot en met december 2011 voor een aantal woningen in de [straatnaam] , waaronder de door [appellant] gehuurde, groot onderhoud en renovatie voorzien. [appellant] heeft op 26 mei 2011 tegenover de uitvoerder van die werkzaamheden laten weten daarvoor voorlopig geen toestemming te verlenen vanwege de verstoorde relatie met Trudo.

4.3 Op 24 juni 2011 heeft Trudo [appellant] in kort geding gedagvaard. Volgens Trudo heeft [appellant] zich jegens andere huurders en een medewerkster van Trudo misdragen. [appellant] is daardoor tekortgeschoten in zijn verplichting jegens Trudo om omwonenden geen overlast en hinder te bezorgen. Daar komt voor Trudo bij dat hij geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan de renovatiewerkzaamheden. Op grond hiervan vordert Trudo, samengevat, primair veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de woning en subsidiair veroordeling van [appellant] om de overlast te staken en gestaakt te houden en een gebod om mee te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden, op verbeurte van een dwangsom. [appellant] heeft de vorderingen van Trudo gemotiveerd bestreden.

4.4 In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat Trudo een spoedeisend belang heeft bij haar vordering omdat deze ertoe strekt de gestelde voortdurende overlastsituatie te beëindigen (r.o. 4.1). De voorzieningenrechter heeft als vaststaand aangenomen dat [appellant] overlast heeft veroorzaakt door het stelselmatig uiten van verbale bedreigingen en het gebruiken van fysiek geweld (r.o. 4.7). Ook een bodemrechter zal naar de verwachting van de voorzieningenrechter tot de conclusie komen dat daardoor sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst die de ontbinding ervan rechtvaardigt (r.o. 4.8). Ook een afweging van belangen brengt de voorzieningenrechter niet tot een uitspraak ten gunste van [appellant] (r.o. 4.9). Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter de primaire vordering van Trudo met een termijn van één maand na betekening van het vonnis toegewezen.

4.5 Grief 1 van [appellant] betreft het oordeel van de voorzieningenrechter dat sprake is van een spoedeisend belang, grief 2 betreft diens conclusie dat sprake is van een zodanig ernstige tekortkoming door het veroorzaken van overlast en het gebruik van geweld dat de gevorderde ontruiming gerechtvaardigd is en grief 3 betreft de belangenafweging.

4.6 Bij de appeldagvaarding is één productie overgelegd, te weten een relaas van

18 augustus 2011 van [appellant] zelf dat is gericht aan zijn advocaat, welk relaas kennelijk bedoeld is als reactie op/aanvulling van een concept appeldagvaarding van enkele dagen daarvoor. In dit relaas wordt verwezen naar een aantal bijlagen, die evenwel niet zijn overgelegd zodat die niet in de beoordeling kunnen worden betrokken. Trudo merkt naar aanleiding van deze productie op dit stuk geen grieven kan bevatten naast de drie grieven die in de appeldagvaarding zijn opgenomen. Dat klopt; het hof gaat ook uit van de drie grieven die hiervoor onder 4.5 zijn vermeld. Voor het overige heeft Trudo geen processueel bezwaar gemaakt tegen de overlegging van het relaas; zij betwist wel de juistheid van de inhoud ervan.

4.7 De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Trudo heeft naar het voorlopig oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat sprake is van een conflictueuze situatie rond [appellant], maar niet dat daardoor toewijzing van de primaire vordering gerechtvaardigd is. Het hof overweegt hiertoe het volgende. [appellant] is jarenlang huurder van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer] te [woonplaats] geweest zonder dat zich daarbij problemen hebben voorgedaan. Gesteld noch gebleken is dat zich in de periode van 1982 tot 2006 feiten hebben voorgedaan die inhouden dat [appellant] zich niet aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst zou hebben gehouden. Daarin komt verandering met het incident op 10 oktober 2006 dat tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid. De incidenten die zich daarna hebben voorgedaan, concentreren zich vrijwel geheel op de verhouding tussen [appellant] enerzijds en de vier studenten die de aangrenzende woning op nummer [huisnummer] bewonen anderzijds. Andere incidenten, zoals ten aanzien van de medewerkster van Trudo op 4 mei 2011, lijken vooral een uitvloeisel te zijn van de escalatie die zich heeft voorgedaan in de verstandhouding tussen deze buren. Over de oorzaak van die kennelijk allengs verslechterende verstandhouding verschillen partijen grondig van mening. Trudo legt de schuld hiervoor volledig bij [appellant]. [appellant] betoogt dat hij door de studenten is getergd en geprovoceerd en dat hij vanaf het begin van de ongeregeldheden de zwartepiet toegespeeld heeft gekregen en dat vervolgens alle gebeurtenissen steeds in zijn nadeel zijn uitgelegd, met name door Trudo en de buurtbrigadier. In het bijzonder in hoger beroep heeft [appellant] naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat er niet zonder meer van uitgegaan kan worden dat het aandeel van [appellant] in de ongeregeldheden zodanig overheersend is geweest dat dit een ontruiming in kort geding rechtvaardigt. Een dergelijke voorziening dient naar het oordeel van het hof met terughoudendheid te worden toegepast. Wanneer sprake is van een structureel tekortschieten door een huurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit huurovereenkomst biedt in het algemeen een bodemprocedure bij de kantonrechter, waarbij zowel de ontbinding van die huurovereenkomst als de ontruiming van het gehuurde gevorderd kunnen worden, de meest gepaste procedure, ook al omdat in een bodemprocedure de feitelijke omstandigheden van het geval voldoende diepgaand onderzocht kunnen worden en een veroordeling tot ontruiming verstrekkende gevolgen heeft voor de betrokkene. Slechts onder omstandigheden die acuut een voorziening vergen en wanneer over de feitelijke toedracht weinig twijfel behoeft te bestaan, is er aanleiding voor een vordering tot ontruiming in kort geding. In het onderhavige geval doen dergelijke omstandigheden zich naar het oordeel van het hof niet voor, terwijl het gezien het verweer van [appellant] dat in ieder geval in hoger beroep als voldoende gemotiveerd moet worden aangemerkt, van belang is dat dit verweer nader onderzocht kan worden. Voor dergelijk onderzoek is in een kort geding als dit geen plaats. Het hof neemt hierbij nog in aanmerking dat in eerste aanleg weliswaar diverse aangiftes zijn overgelegd, maar dat gesteld noch gebleken is dat die (met uitzondering van de gebeurtenis op 10 oktober 2006) tot vervolging van [appellant] hebben geleid.

4.8 Een en ander voert het hof tot de conclusie dat de grieven slagen en dat de primaire vordering van Trudo niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.9 Gelet op de devolutieve werking van het appel dient nu de subsidiaire vordering ven Trudo aan de orde te komen. Voor het eerste onderdeel daarvan, een gebod tot het staken van overlast, geldt hetzelfde als hiervoor met betrekking tot de primaire vordering is geoordeeld, zodat dit onderdeel niet toewijsbaar is. Wat betreft het tweede onderdeel, het gebod tot medewerking aan de werkzaamheden, heeft [appellant] in eerste aanleg onder meer als verweer gevoerd dat Trudo de procedure had moeten volgen die is voorzien in artikel 7:220 BW, maar dit heeft nagelaten en dat reeds hierom deze vordering moet worden afgewezen. In hoger beroep heeft [appellant] dit verweer, met name in zijn persoonlijk relaas, nader onderbouwd. In dit verband is niet gebleken dat Trudo de desbetreffende procedure heeft gevolgd en evenmin dat en waarom Trudo zou menen dat deze niet behoefde te worden gevolgd en dat het verweer van [appellant] op dit punt niet zou opgaan. Bij deze stand van zaken betekent dit dat er voorshands voor gehouden moet worden dat dit verweer van [appellant] slaagt.

4.10 De conclusie is dat de vorderingen van Trudo afgewezen dienen te worden. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd met veroordeling van Trudo in de kosten van beide instanties.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Trudo af;

veroordeelt Trudo in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 258,= aan vast recht en op € 816,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 90,81 aan explootkosten, € 284,= aan vast recht en op € 1.341,= aan salaris advocaat in hoger beroep;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, W.H.B. den Hartog Jager en

I.B.N. Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 december 2011.