Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BW4209

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
10/00695
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BN4224, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende een coffeeshop exploiteert. Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat belanghebbende aan een rapport van de Inspecteur van een afgelegd bedrijfsbezoek het vertrouwen kan ontlenen dat belanghebbende voor de omzetbelasting een coffeeshop exploiteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1169
V-N 2012/27.13.15
FutD 2012-1227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00695

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 11 augustus 2010, nummer AWB 10/1373, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Zuidwest van die dienst, die met ingang van 1 januari 2011 te dezen bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur),

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor de tijdvakken 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagnummer 0000.00.000.F.01.7501.

Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 september 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbendes gemachtigde heeft het Hof schriftelijk bericht niet te zullen verschijnen.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof op 30 september 2011, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de kosten van bezwaar, proceskosten en het griffierecht;

- verklaart het bij de Rechtbank ingediende beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar,

- vernietigt de boetebeschikking,

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.250,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 224 vergoedt,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 437.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

I. Is het van de heer A ontvangen bedrag aan te merken als een vergoeding voor een - niet met omzetbelasting belaste - levering of voor een - wel met omzetbelasting belaste - dienst?

II. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel?

III. Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd op grond van een in rechte te honoreren bij belanghebbende opgewekt vertrouwen?

2. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende aan het rapport van 29 augustus 2002 van een afgelegd bedrijfsbezoek het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen, dat hij zich bezig hield met het exploiteren van een coffeeshop, zoals omschreven onder 2.2 van dat rapport en met de verkoop van hash en joints, zoals vermeld onder 4 van dat rapport.

3. Het bedrijfsbezoek van de Inspecteur had immers (mede) ten doel het waarnemen van actuele bedrijfsactiviteiten. Nu deze activiteiten door de Inspecteur zijn omschreven als het exploiteren van een coffeeshop mocht belanghebbende hieraan redelijkerwijs de conclusie verbinden, dat hij volgens de Inspecteur inderdaad een coffeeshop exploiteerde.

4. Het onder 3 vermelde geldt temeer nu de Inspecteur onder 4 van dat rapport vermeldt, dat van de verkoop van hash en joints slechts een geldlade aanwezig is. Indien de Inspecteur ten tijde van het opmaken van het rapport van oordeel zou zijn geweest dat belanghebbende geen leveringen verrichtte van hash en joints zou hij logischerwijs de desbetreffende zinsnede achterwege hebben gelaten. Nu de Inspecteur deze zinsnede wél heeft opgenomen, mocht belanghebbende redelijkerwijs dan ook aannemen, dat de Inspecteur met hem van mening was dat belanghebbende, en niet de heer A, de leveringen verrichtte van hash en joints. Ook aan de zinsnede onder 4 van het rapport, dat de kasstroom in een onderneming als dat van belanghebbende van wezenlijk belang is voor de omzetverantwoording, mocht belanghebbende redelijkerwijs de conclusie verbinden dat de verkoop van softdrugs aan hem werd toegerekend.

5. Aan het vorenstaande doet niet af, dat in het rapport het voorbehoud is gemaakt dat aan het bedrijfsbezoek geen vertrouwen kan worden ontleend betreffende de aanvaardbaarheid van enige fiscale aangifte. Immers, het doel van het bedrijfsbezoek en het opmaken van het rapport was nu juist vast te leggen wat wel de actuele bedrijfsactiviteiten van belanghebbende waren. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat het bedrijfsbezoek en het opmaken van een rapport daarvan enig fiscaal belang diende. Indien vorenbedoeld voorbehoud zo zou worden uitgelegd, dat bij een onjuiste vastlegging door de Inspecteur van de bedrijfsactiviteiten hij daaraan niet gebonden zou zijn, zou het bedrijfsbezoek en het opmaken van een rapport daarvan zinledig zijn. Afgezien van eerder bedoeld voorbehoud heeft de Inspecteur niet gesteld, noch is gebleken, dat en waarom belanghebbende aan de in het rapport gegeven beschrijving van de actuele bedrijfsactiviteiten van belanghebbende redelijkerwijs niet het vertrouwen mocht ontlenen dat die door de Inspecteur gegeven omschrijving juist was.

6. Vraag III dient bevestigend te worden beantwoord. Vragen I en II behoeven geen beantwoording meer.

Ten aanzien van het griffierecht

7. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 respectievelijk € 224 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

8. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar en tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij dit Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

9. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor wat betreft de procedure bij het Hof op 1 (punt) x € 437 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 437. De beslissing van de Rechtbank ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten zal het Hof in stand laten.

10. Gelet op al het vorenstaande moet beslist worden als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en P.A.M. Pijnenburg, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 september 2011.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 3 oktober 2011

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.