Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BW2245

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
11-00042
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BP0118, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk dat belanghebbende in Thailand woonachtig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1028
V-N 2012/27.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00042

Uitspraak op het hoger beroep van

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 december 2010, nummer AWB 10/783, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland, hierna: de Inspecteur,

betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006, aanslagnummer 0000.00.000.H67.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag), met aanslagnummer 0000.00.000.H67, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.493, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.497 opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete ten bedrage van € 14.744, en bij beschikking heffingsrente ten bedrage van € 4.473. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur de navorderingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de beschikking vergrijpboete gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op

21 september 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.6. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 december 2011 te 's-Hertogenbosch, waarbij de onderhavige zaak tezamen met de zaak nummer 11/00531 gevoegd is behandeld. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Bij aanvang van de zitting zijn partijen erop gewezen, dat zoals reeds aangekondigd op de eerste zitting van het Hof de Vierde meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 21 september 2011 was samengesteld uit J. Swinkels, M. van Dun en F. Sonneveldt, dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling door J. Swinkels, M. van Dun en D.M. Weber, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, lid 3, van de Awb, in de stand waarin zij zich op 21 september 2011 bevond.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8. Van de zittingen van 21 september 2011 en van 7 december 2011 zijn processen-verbaal opgemaakt, die in afschrift aan partijen zijn verzonden.

1.9. Het Hof heeft in deze zaak op 21 december 2011 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 21 december 2011 aan partijen verzonden.

Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 15 februari 2012 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, geboren op 00-00-1942, is op 00-00-1977 in het huwelijk getreden met A (hierna ook: mevrouw A). Sinds 00-00-1987 zijn belanghebbende en mevrouw A gescheiden van tafel en bed.

2.2. In 2006 was belanghebbende eigenaar van een woning aan de A-straat 1 te Y, gemeente B (hierna: de woning).

2.3. Volgens gegevens in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente B is belanghebbende op 31 december 2004 geëmigreerd naar Thailand. Op 22 september 2006 heeft belanghebbende bij de Inspecteur een Verzoek vrijstelling inhouding loonbelasting/premie volksverzekeringen ingediend.

2.4. In 2006 genoot belanghebbende een uitkering van C ten bedrage van € 41.073, waarop geen loonheffing is ingehouden, en een uitkering op grond van de WAO/AWW ten bedrage van € 32.420, waarop € 1.764 aan loonheffing is ingehouden. Belanghebbendes spaartegoeden in Nederland bedragen per 1 januari 2006 € 1.016 en per 31 december 2006

€ 113.859.

2.5. Op 14 maart 2008 heeft de Inspecteur een anonieme klikbrief ontvangen, waarin de schrijver onder meer stelt dat belanghebbende om geen belasting in Nederland te betalen zogenaamd in Thailand verblijft.

2.6. Aan belanghebbende is een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 (hierna: het aangiftebiljet) uitgereikt. Het aangiftebiljet is door belanghebbende niet ingediend.

2.7. Met dagtekening 15 november 2008 is aan belanghebbende voor het jaar 2006 ambtshalve de primitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, onder aanslagnummer 0000.00.000.H66, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.420, alsmede bij beschikking de heffingsrente ten bedrage van € 68.

2.8. Met dagtekening 10 oktober 2009 is aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, waarbij met het bezit van de woning geen rekening is gehouden. De navorderingsaanslag is als volgt gespecificeerd:

Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens de primitieve aanslag € 32.420- Bij: correctie uitkering C € 41.073+Belastbaar inkomen uit werk en woning€ 73.493Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen€ 7.497

2.9. Na daartegen gemaakt bezwaar zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 13 januari 2010 de navorderingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de beschikking vergrijpboete gehandhaafd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar het Hof verstaat, het antwoord op de volgende vragen:

I. Beschikt de Inspecteur over een navordering rechtvaardigend nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR)?

II. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

had belanghebbende in het onderhavige jaar zijn woonplaats in Thailand?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend beantwoord dient te worden.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur, en tot vernietiging van de navorderingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. In hoger beroep is, naar belanghebbende desgevraagd ter zitting van het Hof nadrukkelijk heeft bevestigd, uitsluitend in geschil de vraag of de Inspecteur over een navordering rechtvaardigend nieuw feit beschikt als bedoeld in artikel 16 van de AWR en, zo ja, de vraag of belanghebbende in het onderhavige jaar zijn woonplaats in Thailand had.

4.2. De Inspecteur heeft ter tweede zitting van het Hof verklaard, dat de boete van € 14.744 alsnog dient te worden vernietigd, zodat het hoger beroep voor wat betreft de boete gegrond is.

4.3. Met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag overweegt het Hof als volgt. Aan belanghebbende is met dagtekening 15 november 2008 ambtshalve de primitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 (hierna: de aanslag) opgelegd. Deze aanslag is vastgesteld op basis van het Belastingverdrag gesloten tussen Nederland en Thailand. De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag op basis van de toen aan hem bekende gegevens - belanghebbende heeft zich per 31 december 2004 uit laten schrijven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en een adres in Thailand opgegeven als zijn woonadres - vanuit gegaan dat belanghebbende in het onderhavige jaar woonachtig was in Thailand.

4.4. De Inspecteur is op 24 april 2008 naar aanleiding van een anonieme klikbrief een onderzoek gestart naar belanghebbendes woonplaats (hierna: het onderzoek), welk onderzoek hij - anders dan belanghebbende stelt in zijn pleitnota voor de zitting van het Hof van 7 december 2011 - niet eind 2008 doch pas in augustus 2009 heeft afgerond. Op basis van dat onderzoek is gebleken dat belanghebbendes woonplaats in 2006 niet in Thailand lag, maar in Nederland.

4.5. De Inspecteur was gerechtigd om een onderzoek naar belanghebbendes woonplaats in te stellen. Wat de aanleiding tot het instellen van het onderzoek was, is rechtens niet relevant. Voor zover belanghebbende er over klaagt dat de Inspecteur de uitkomsten van het onderzoek niet in een onderzoeksrapport heeft vastgelegd, kan die klacht niet slagen. Geen rechtsregel verplicht de Inspecteur een dergelijk rapport op te stellen.

4.6. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen, dat de Inspecteur misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden tijdens het onderzoek, kan het Hof hem daarin niet volgen. Het Hof is niet gebleken van enig misbruik van bevoegdheden zijdens de Inspecteur.

4.7. Voor zover belanghebbende een beroep doet op het ontbreken van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de AWR, kan hem dat niet baten. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof onder punt 2.16.6 van haar uitspraak terecht geoordeeld, dat belanghebbende reeds voor het moment waarop de primitieve aanslag is opgelegd, bewust heeft verzwegen dat hij in Nederland woonachtig was. Het Hof acht belanghebbende met de Rechtbank te kwader trouw. De navorderingsaanslag is derhalve terecht opgelegd.

4.8. Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep ter zake in wezen zijn grieven geuit bij de Rechtbank. Hij staaft zijn blote stelling dat hij in 2006 in Thailand woonachtig was, echter ook in hoger beroep met geen enkel bewijsstuk. Hij heeft ook in hoger beroep geen huurcontract noch een ander document overgelegd, waaruit zou blijken dat hij in 2006 in Thailand een duurzaam tehuis tot zijn beschikking had en dat in dat land het duurzame middelpunt van zijn levensbelangen lag. Met uitzondering van drie weken vakantie in augustus 2006 heeft hij niet aantoonbaar Thailand bezocht en hebben er ook geen financiële transacties in Thailand plaatsgevonden in 2006. Zoals Inspecteur het in zijn pleitnota tijdens de tweede zitting van het Hof heeft verwoord:

"Zelfs belanghebbende kan niet leven van alleen zon en zee."

Het Hof is - met uitzondering van de vakantie in augustus 2006 - niet gebleken van enige - laat staan duurzame - banden van belanghebbende met Thailand.

4.9. Voor zover belanghebbende stelt dat uit de door hem overgelegde kopieën van Attestaties de Vitae, welke volgens hem ondertekend zijn door de Nederlandse Ambassade te Bangkok, zou blijken dat hij in 2006 in Thailand woonde, kan het Hof die stelling niet volgen. Ook al zouden de Attestaties, anders dan de Rechtbank - naar het oordeel van het Hof terecht - heeft geoordeeld, niet vervalst zijn, dan nog zou uit die stukken in elk geval niet blijken dat belanghebbende in het onderhavige jaar in Thailand woonachtig was. Immers in de Attestaties wordt slechts verklaard dat belanghebbende op een bepaalde datum in leven was en in enkele van die Attestaties staat dat hij verklaarde in Thailand woonachtig te zijn.

De Attestaties bevatten geen oordeel over de laatstgenoemde verklaring.

4.10. De stellingen van belanghebbende dat zijn zoon en echtgenote (van haar zou hij in 2006 gescheiden hebben geleefd), de enige personen waren die toegang hadden tot zijn bankrekeningen, acht het Hof ongeloofwaardig. In eerdere fasen van de procedure stelde belanghebbende dat zijn meerderjarige zoon in het onderhavige jaar zelfstandig was en niet van hem afhankelijk was. Daarmee valt niet te rijmen de verklaring van belanghebbendes zoon, overgelegd in hoger beroep als bijlage bij de nadere stukken van 26 oktober 2011 met als opschrift "Volmacht", waarin belanghebbendes zoon verklaart dat hij in de jaren 2005 tot en met 2008 de - onbeperkte - beschikking had over belanghebbendes bankpassen en creditcards omdat hij niet over een zelfstandige bron van inkomen beschikte.

Tevens verklaart belanghebbendes zoon in de "Volmacht" dat hij in 2006 tijdens de Sneekweek van 6 augustus tot 13 augustus de bankpassen mocht gebruiken, terwijl in die week de bankpassen volgens de tot de stukken van het geding behorende kopieën van de bankrekeningen gebruikt zijn in Thailand. Tenslotte zou een en ander betekenen, dat zowel belanghebbendes echtgenote als zijn zoon beschikking hadden over al het belanghebbendes inkomen, zonder dat belanghebbende in zijn levensonderhoud aantoonbaar kon voorzien.

4.11. Nu belanghebbende in hoger beroep geen bewijsstukken heeft overgelegd ter staving van zijn stelling dat hij in Thailand woonde, terwijl hij in Nederland over een eigen woning beschikte en uit de stukken van het geding blijkt van een druk bankverkeer in Nederland via belanghebbendes bankrekeningen, waarop al zijn - Nederlandse - inkomsten werden gestort, heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende in 2006 zijn woonplaats in Nederland had. De bewijslast is door de Rechtbank juist verdeeld.

4.12. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond moet worden verklaard voor wat betreft de boete en voor het overige ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft gesteld brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 111 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Niet gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank.

4.15. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 874.

Het Hof ziet geen reden af te wijken van het bepaalde in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- handhaaft de navorderingsaanslag;

- vernietigt de boetebeschikking;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 152 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 874; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door J. Swinkels, voorzitter, M. van Dun en

D.M. Weber, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.M.R. Richardson, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 19 maart 2012

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage.