Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV8351

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
09-03-2012
Zaaknummer
11-00199
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan juistheid van in aangifte vermelde gegevens: ambtelijk verzuim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/688
V-N 2012/28.22.1
FutD 2012-0752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00199

Uitspraak op het hoger beroep van

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 februari 2011, nummer AWB 10/2968, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor

's-Hertogenbosch,

hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 1 over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.197. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 278. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken

de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 30 september 2011 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur, de heer B.

1.5. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage A en de schermprints.

1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is zelfstandig ondernemer. Hij heeft op 8 april 2008 voor het jaar 2007 aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan door middel van het digitale aangifteprogramma voor ondernemers van de Belastingdienst. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.106. De Inspecteur heeft de aanslag, met dagtekening 2 juli 2009, conform de aangifte vastgesteld.

2.2. De winst uit onderneming is vastgesteld naar het ter zake aangegeven bedrag van negatief € 8.348. De aangegeven omzet was nihil. Onder de kosten staat in de aangifte een bedrag van € 5.000 wegens arbeidsbeloning fiscale partner vermeld en € 4.369 wegens overige bedrijfskosten. Het ondernemingsvermogen aan het begin van het boekjaar is aangegeven naar een bedrag van € 1.404 en het eindvermogen naar een bedrag van negatief € 7.964. De liquide middelen zijn per het einde van het boekjaar aangegeven naar een bedrag van negatief € 7.964.

2.3. Op 30 september 2009 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld over de jaren 2006 tot en met 2008. Hierbij is onder meer geconstateerd dat over 2007 ten onrechte een aftrek arbeidsbeloning fiscale partner is toegepast. Vervolgens heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag (zonder boete) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.197.

2.3 Belanghebbende is naar aanleiding van het door hem ingediende bezwaarschrift door de Inspecteur gehoord. Het hoorverslag behoort tot de stukken.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Inspecteur de regels omtrent de hoorplicht, vermeld in afdeling 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht, geschonden?

2. Levert de constatering van de Inspecteur zoals hiervoor vermeld in 2.3 een op de voet van artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen navordering rechtvaardigend (nieuw) feit op?

Belanghebbende is van mening dat de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken, de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen hieraan het volgende toegevoegd:

Belanghebbende:

Desgevraagd deel ik u mede geheel akkoord te zijn met het door de griffier, voorafgaande aan de zitting, aan de Inspecteur telefonisch gedane verzoek om ter zitting kopieën over te leggen van mijn aangifte en van schermprints betreffende de werking van de rubriek "arbeidsbeloning fiscale partner".

Ik blijf erbij dat de heer C van de Belastingdienst tijdens het hoorgesprek onzorgvuldig is geweest.

Ik heb met de belastingtelefoon contact opgenomen; men heeft mij geadviseerd een nul bij de rubriek "arbeidsbeloning fiscale partner" in te vullen. Toen ik dat probeerde kwam er steeds € 5.000 te staan. Uiteindelijk heb ik de aangifte maar verzonden.

De minnelijke schikking bij de Rechtbank is mislukt omdat de heer B aangaf dat dit probleem niet meer voor zou komen "omdat deze fout niet meer in het aangifteprogramma zit". Dit was een bevestiging voor mij dat ik het bij het juiste eind had.

De Inspecteur:

In aanvulling op mijn pleitnota merk ik op dat ik tijdens de schorsing bij de zitting van de Rechtbank heb aangegeven dat de aangifte anders is ingericht en dat iets als dit zich niet meer zal voordoen. Ik heb niet gesproken over een fout.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Het Hof zal eerst de onder punt 2 van het geschil geformuleerde vraag beantwoorden.

4.1. De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd op de voet van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ingevolge die bepaling kan de Inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag te laag is vastgesteld. Een feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2. In het arrest Hoge Raad, 16 april 2010, nr. 08/05088, LJN BJ9082, is geoordeeld dat in gevallen als de onderhavige voorop gesteld dient te worden dat de Inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in en bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is de Inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

4.3. Belanghebbende betoogt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij in zijn aangifte de rubriek "arbeidsbeloning aan fiscale partner" heeft geprobeerd juist in te vullen. Het feit dat de aangifte bij de invulling van deze rubriek met het cijfer 0 automatisch het bedrag 5.000 vermeldt, is een systeemfout die hem niet kan worden tegen geworpen, aldus belanghebbende. Naar het Hof verstaat stelt belanghebbende voorts dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door dit niet te corrigeren. Daar doet, in de visie van belanghebbende, niet aan af dat hij, naar de Inspecteur onweersproken heeft gesteld, heeft verzuimd het betreffende bedrag ad € 5.000 als arbeidsbeloning aan te geven in de rubriek "niet- of gedeeltelijk aftrekbare kosten en lasten".

4.4. Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde systeemfout overweegt het Hof als volgt. Uit de door de Inspecteur bij zijn pleitnotitie overgelegde schermprints van de elektronische aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 blijkt dat belanghebbende de rubriek "Arbeidsbeloning aan fiscale partner" had kunnen overslaan zonder dat het aangifteprogramma dit als een fout registreerde. Het vullen van de rubriek met het cijfer "0" was zoals de Inspecteur, heeft betoogd, een overbodige handeling. Het desalniettemin invullen van een "0", resulterend in een bedrag aan arbeidsbeloning van € 5.000, had vervolgens kunnen worden gecorrigeerd door in de aangifte in de rubriek "Niet- of gedeeltelijk aftrekbare kosten en lasten" een correctie aan te brengen tot een bedrag van € 5.000. In de helptekst van deze rubriek wordt deze mogelijkheid specifiek genoemd. Hoewel deze werkwijze bepaald niet als eenvoudig en gebruiksvriendelijk kan worden aangemerkt, concludeert het Hof dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat van een, door belanghebbende gestelde, systeemfout in de aangifte geen sprake is.

4.5. Met betrekking tot het niet corrigeren door de Inspecteur van de arbeidsbeloning aan de fiscale partner heeft belanghebbende voorts gesteld dat dit als een ambtelijk verzuim dient te worden gekwalificeerd waardoor navordering wordt verhinderd. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende, die niet boekhoudkundig is onderlegd, heeft geen balans opgemaakt voor het jaar 2006 en 2007. Het beginvermogen van € 1.404 zoals vermeld in de aangifte voor het jaar 2007, is een bedrag waarvan uit de stukken noch ter zitting kon worden vastgesteld of dit aansluit bij het in de aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 vermelde eindvermogen van dat jaar. Het eindvermogen voor het jaar 2007 bedraagt blijkens de aangifte negatief € 7.964. Het Hof constateert dat de in de aangifte voor het onderhavige jaar 2007 opgenomen kapitaalsvergelijking niet juist is. Door in de te vermelden balansgegevens een bedrag aan "overige liquide middelen" van negatief € 7.964 op te nemen, zijn de algemene kosten van € 4.369 alsmede het niet daadwerkelijk betaalde bedrag aan arbeidsvergoeding van € 5.000 voor de echtgenote boekhoudkundig rechtgetrokken. Het hof acht een negatief bedrag aan liquide middelen niet mogelijk. Indien de Inspecteur met een normale zorgvuldigheid kennis zou hebben genomen van de inhoud van de aangifte had hij in redelijkheid behoren te twijfelen aan de juistheid van de vermelding van dit negatieve bedrag aan liquide middelen. De onjuistheid van de vermelding van het begin- en het eindvermogen was dan gebleken evenals de vermelding van een bedrag van € 5.000 arbeidsbeloning aan de fiscale partner.

4.6. Nu de Inspecteur bij een normale zorg redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van het feit dat de arbeidsbeloning van € 5.000 niet aan de fiscale partner was betaald, ontbreekt een de navorderingsaanslag rechtvaardigend nieuw feit. Het gelijk ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag is aan belanghebbende, zodat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. Het Hof zal derhalve voorbij gaan aan de beantwoording van de eerste in geschil zijnde vraag.

4.7. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie HR 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907, BNB 2010/52). Nu de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd, is ook de heffingsrente ten onrechte in rekening gebracht. De beschikking heffingsrente moet worden vernietigd.

4.8. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof beslist als hierna vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 112 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Het Hof stelt deze tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting van het Hof, te becijferen op de kosten van het openbaar vervoer tweede klasse voor het traject Y -

's-Hertogenbosch van € 14,26. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- vernietigt de navorderingsaanslag,

- vernietigt de beschikking heffingsrente,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 153 vergoedt

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op

€ 14,26.

Aldus gedaan op 23 december 2011 door J.W.J. Huige, voorzitter, H.M.N. Schonis en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.