Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV7602

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
11-00332
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rentekosten komen in 2006 ten laste van de winst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 552
FutD 2012-0610
V-N Vandaag 2012/628
V-N 2012/18.17.6

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00332

Uitspraak op het hoger beroep van

X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 april 2011, nummer AWB 10/3251, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg,

hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2006 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en zorgverzekeringswet opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.537, respectievelijk uit sparen en beleggen van € 3.226, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in een geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende geen griffierecht geheven.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende geen griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 5 oktober 2011 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord

de Inspecteur.

Belanghebbende noch zijn gemachtigde is, met kennisgeving aan het Hof, verschenen.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende dreef tot en met 31 december 2006 een eenmanszaak onder de naam A. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 geeft belanghebbende een verlies aan van € 43.695. Uit de aangifte blijkt dat de balansposten naar privé zijn geboekt.

2.2. Op 10 februari 2010 vindt er een gesprek plaats tussen belanghebbende, zijn gemachtigde en de Inspecteur, waarbij wordt afgesproken dat de gehele onderneming per 31 december 2006 is gestaakt. Een oninbare vordering op B wordt ten laste van de winst 2006 afgeboekt, hetgeen een verlies vormt van € 45.852. De in 2005 gevormde herinvesteringsreserve (hierna: de HIR) zal in 2006 vrijvallen voor een bedrag van € 87.000 en een stakingsaftrek van € 3.630 zal op de winst in mindering worden gebracht. Ten slotte zal een bedrag van € 20.145 aan rente in het onderhavige jaar een zakelijke post vormen, omdat deze rente te maken heeft met de stamrechtverplichting jegens belanghebbendes broer die in het verleden uit de firma is getreden, de geldlening van de broer, en de rekening-courantschuld aan de C. Deze aftrekpost was al verwerkt in het resultaat. De aanslag wordt met dagtekening 3 april 2010 als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar bedrag 2006 € 43.695-/-

Correctie HIR € 87.000

Stakingsaftrek € 3.630-/-

Vastgesteld belastbaar bedrag € 39.675

2.3. De tot het ondernemingsvermogen behorende schulden zijn na staking overgegaan naar privé en afgelost. De rentebetalingen hebben nog plaatsgevonden in de jaren 2007, 2008 en 2009.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Zijn de genoemde rentekosten in de jaren 2007, 2008 en 2009 aftrekbaar, respectievelijk kan ter zake op de balans per

31 december 2006 een voorziening worden getroffen?

2. Kan de FOR vrijvallen in 2009 in plaats van in 2006?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Hij verzoekt om vergoeding van - naar het Hof verstaat - werkelijke proceskosten.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. Vaststaat dat belanghebbende de onderneming in 2006 heeft gestaakt. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel, dat partijen er terecht van uit zijn gegaan dat per 31 december 2006 ten aanzien van de onderneming moet worden afgerekend voor de inkomstenbelasting. In geschil kan dan enkel zijn het antwoord op de vraag of de schulden respectievelijk verplichtingen aan de C en aan belanghebbendes broer ook na de staking als verplicht ondernemingsvermogen dienen te worden aangemerkt.

Nu de daarop betrekking hebbende rentelasten in 2006 ten laste van de winst zijn gebracht, heeft de beantwoording van de eerste in geschil zijnde vraag voor het onderhavige jaar geen gevolgen. Deze vraag behoeft daarom - gelijk de Rechtbank heeft overwogen - geen beantwoording.

4.2. Met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag overweegt het Hof als volgt. Uit de stukken van het geding blijkt niet van enige stand van de fiscale oudedagsreserve per 1 januari 2006 respectievelijk 31 december 2006, noch van enige toevoeging of afneming in dat jaar. De tweede in geschil zijnde vraag behoeft derhalve evenmin beantwoording.

4.3. Het vorenoverwogene brengt met zich dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond moet worden verklaard.

4.4. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 18 november 2011 door J. Swinkels, voorzitter, M. van Dun en A.C. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van M.M.R. Richardson, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.