Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2486

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
11/00325
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn achtertuin in 2001/2002 een fotostudio gebouwd en daarbij de omzetbelasting in aftrek gebracht. Per 1 januari is de fotostudio naar privé overgebracht en de inspecteur heeft ter gelegenheid daarvan de in aftrek gebrachte omzetbelasting gedeeltelijk herzien, op grond van artikel 15, lid 6 Wet OB 1968. Of deze herziening terecht is hangt af van het antwoord op de vraag of er in 2002 een zelfstandige zaak is vervaardigd. De studio beschikt over een eigen ingang, nutsvoorzieningen en een kleine keuken. Op grond van deze feiten oordeelt het Hof dat de studio zich voor zelfstandig gebruik leent, waarbij dit zelfstandig gebruik zich niet beperkt tot gebruik als studio. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/341
V-N 2012/12.27.23
Belastingadvies 2012/6.10
FutD 2012-0320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00325

Uitspraak op het hoger beroep van

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 april 2011, nummer AWB 10/5112 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 1 over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.045 aan belasting en is een beschikking heffingsrente vastgesteld ten bedrage van € 324. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 2.874 aan belasting en is de beschikking heffingsrente verminderd tot een bedrag van € 306.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 150. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 227. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 27 september 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, belanghebbende alsmede, namens de Inspecteur, A.

1.5. Belanghebbende en de Inspecteur hebben voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota's met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de twee bij de pleitnota van belanghebbende behorende bijlagen.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

"2.1. Belanghebbende heeft tussen eind 2001 en begin 2002 een fotografiestudio (hierna: de studio) gebouwd. De studio is in 2002 in gebruik genomen. Ter zake van de bouw van de studio is in een totaalbedrag aan omzetbelasting in aftrek gebracht van € 5.748.

2.2. De studio is in de achtertuin aan het woonhuis gebouwd. Via de inrit en tuinbestrating is de studio ook met een auto te bereiken. De studio heeft één deur. Een doorgang tussen woonhuis en studio is niet aanwezig. De studio beschikt over een kleine keuken en verwarming, maar niet over een eigen watermeter, verwarmingsketel of riolering. Ter zitting heeft belanghebbende onbestreden gesteld dat in de studio geen gas en sanitairvoorzieningen aanwezig zijn.

2.3. Per 1 januari 2007 heeft belanghebbende de studio overgebracht naar privé, zodat geen sprake meer is van een bedrijfspand. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur op 29 oktober 2010 de in aftrek gebrachte omzetbelasting deels gecorrigeerd tot een bedrag van € 3.045. Bij uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag omzetbelasting verminderd tot een bedrag van € 2.874, oftewel 5/10e-deel van de in aftrek gebrachte omzetbelasting (hierna: de naheffingsaanslag). Dit betreft de herzieningsperiode 1 januari 2007 tot 1 januari 2012. De inspecteur heeft gelijktijdig met de naheffingsaanslag de heffingsrente bij beschikking vastgesteld op € 324 en deze bij uitspraak op bezwaar verminderd tot een bedrag van € 306."

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.2. Tussen de studio en de woning bevindt zich een drietal schuren die volgens belanghebbende als archief, doka en opslag dienst doen. Volgens een verzoek om inlichtingen van belanghebbende d.d. 29 maart 2010 aan de Inspecteur is eind 2001 en begin 2002 een "separate compacte maar wel complete studio, inclusief vide voor fotografie van boven af, gebouwd op de grond van de A-straat 1".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de onttrekking van de studio aan het bedrijf leidt tot een herziening van de in 2002 in aftrek gebrachte voorbelasting. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Belanghebbende verklaart dat de studio met de auto moeilijk bereikbaar is, met name door het hek dat is geplaatst en dat eerst moet worden opgetild. Als het hek er niet zou staan, zou je in principe wel met de auto naar beneden kunnen rijden.

Het pand wordt nu af en toe gebruikt als logeerruimte of als werkplek voor het verder ontwikkelen van de inrichting van de bedrijfsauto die als mobiele fotostudio voor het maken van opnames door geheel Europa wordt gebruikt.

Belanghebbende verklaart voorts dat hij geen zelfstandige grieven tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft.

De Inspecteur:

Ik heb geen bezwaar tegen overlegging van de twee bij de (eerste) pleitnota van belanghebbende behorende bijlagen. Verder volsta ik met te verwijzen naar de inhoud van de van mij afkomstige stukken, waarbij ik volledig persisteer.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en vernietiging van de naheffingsaanslag en de daarbij behorende heffingsrentebeschikking. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. Belanghebbende heeft met ingang van 1 januari 2007 de in 2001/2002 gebouwde studio niet langer bedrijfsmatig aangewend. De studio is vervolgens onttrokken aan het bedrijf van belanghebbende. Deze onttrekking wordt op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) met een levering gelijkgesteld. Deze levering is op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB 1968 vrijgesteld. Dit roept de vraag op of de in 2002 in aftrek gebrachte voorbelasting ter zake van de bouw van de studio moet worden herzien.

4.2. Herziening van de in aftrek gebrachte voorbelasting is afhankelijk van het antwoord op de vraag of in 2002 een zelfstandige onroerende zaak is vervaardigd.

4.3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 14 mei 1985, nr. 139/84, BNB 1985/335*, beslist dat het woord 'vervaardigd' alleen kan worden uitgelegd door te rade te gaan bij het spraakgebruik en dat volgens het spraakgebruik vervaardigen inhoudt: het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond. Het Hof van Justitie heeft daaraan toegevoegd dat van vervaardiging slechts sprake kan zijn als een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden en dat het aan de nationale rechter is om, gelet op het gebruik dat van het goed kan worden gemaakt, te beoordelen of er een nieuw goed is vervaardigd.

4.4. Fysiek gescheiden (bouw)werken dienen voor de heffing van omzetbelasting in beginsel als afzonderlijke goederen in aanmerking te worden genomen. Voor een uitzondering op die regel is slechts plaats ten aanzien van (bouw)werken die zich niet voor zelfstandig gebruik lenen (Hoge Raad 14 oktober 2005, nr. 41 015, BNB 2006/65*).

4.5. De studio is gebouwd aan de aan het woonhuis gebouwde bijgebouwen, maar is niet toegankelijk via de woning of de bijgebouwen. De studio beschikt over een eigen ingang. De studio beschikt over nutsvoorzieningen, zoals elektra, verwarming en (koud) water, zij het dat de elektriciteitsmeter en de verwarmingsketel zich in de bewoning bevinden. In de studio is een klein keukentje gebouwd. De studio is via een op palen gefundeerde gewapend betonnen inrit tussen de A-straat nrs. 1 en 2 bereikbaar.

4.6. Op grond van het in 4.5 overwogene, is het Hof van oordeel dat de studio zich voor zelfstandig gebruik leent. Daaraan doet niet af dat de studio niet beschikt over een toiletgelegenheid en dat de studio niet beschikt over een eigen elektriciteitsmeter of verwarmingsketel. Het is immers zeer wel denkbaar dat bij verhuur een bedrag voor gebruik van elektra en verwarming in de huursom wordt opgenomen. Anders dan belanghebbende meent, is het niet relevant of de studio geschikt is voor gebruik door andere fotografen. Beoordeeld dient te worden of de studio zelfstandig kan worden gebruikt en dat beperkt zich niet tot het gebruik als foto-studio.

4.7. Het vorenstaande brengt mee dat de in 2002 in aftrek gebrachte voorbelasting op grond van artikel 15, zesde lid, van de Wet OB 1968 jo. artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 moet worden herzien. Tussen partijen is de omvang van dit bedrag niet in geschil.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 28 oktober 2011 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, G.J. van Muijen en H.A. Wiggers, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.