Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2485

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
20-001845-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigerende observandus. Hof veroordeelt verdachte voor poging tot moord op en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht jegens zijn stiefbroer tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001845-11

Uitspraak : 14 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-825003-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Vught PPC te Vught,

waarbij verdachte ter zake van “poging tot moord” en “bedreiging met zware mishandeling” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor de onder 1. subsidiair en 2. (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) ten laste gelegde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen.

De verdediging heeft:

- zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof;

- bepleit dat aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd;

- bepleit dat aan verdachte een kortere gevangenisstraf dan de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging

– en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 31 december 2009 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg (op korte afstand) met een mes een of meer stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van en/of in de buikstreek, althans het lichaam, van die

[slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 31 december 2009 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (op korte afstand) met een mes een of meer stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van en/of in de buikstreek, althans het lichaam, van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2009 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een klauwhamer ter hand genomen en opgeheven in de richting van die [slachtoffer] en/of die opgeheven klauwhamer dreigend in de richting van die [slachtoffer] gehouden, althans die opgeheven klauwhamer aan die [slachtoffer] getoond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het bewijs

1. De aangifte van [slachtoffer], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 31 december 2009 omstreeks 19.45 uur bevond ik mij in de Koninkrijkszaal van de Jehovagetuigen te Gemert. Op dat moment zag ik dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) de algemene ruimte binnen kwam. [verdachte], [betrokkene 1] en ik zijn naar buiten gegaan.

Ik zag dat [verdachte] op een zeker moment aan zijn kleding begon te frotten, net alsof hij iets uit zijn jaszak wilde pakken. Op een gegeven moment stond hij kort bij mij en toen zag ik dat hij vanuit zijn jaszak of vanuit zijn mouw een mes trok. Hij had het mes onderhands vast en ik stond op dat moment kort schuin voor hem. Ik zag dat hij met het mes in de hand een stekende beweging maakte in de richting van mijn buikstreek of de linkerzijde van mijn buikstreek. Ik voelde dat hij mij raakte met dat mes, maar door op dat moment opzij te springen kon hij mij niet echt in mijn lichaam steken. Ik voelde het wel en nadien bleek ook dat mijn blouse door de messteek stuk was. Ik zag dat hij weer in zijn kleding greep en daaruit een klauwhamer te voorschijn haalde. Wij stonden op dat moment kort bij elkaar. Ik zag dat hij deze klauwhamer in zijn linkerhand ophief en daarmee dreigde in mijn richting. Ik ben toen meteen terug uit gelopen om afstand te creëren. Ik voelde mij ernstig door hem bedreigd. Ik moet er niet aan denken wat er gebeurd zou zijn als hij mij met die hamer echt had kunnen slaan of die naar mij gegooid had.

2. De verklaring van [slachtoffer], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: Wij willen graag weten of je ook een verwonding op je huid hebt en willen deze graag zien. Mogen wij een foto maken van dit letsel?

A: Ja hoor, dat vind ik goed.

Noot verbalisanten:

Aangever wijst de plaats aan waar hij een klein wondje op zijn huid had aangetroffen. Deze verwonding is door ons vastgelegd met een digitale camera.

3. De eigen waarneming van het hof van de in bewijsmiddel 2 genoemde foto’s, opgenomen op dossierpagina 33, dat de verwonding zich hoog in de buikstreek van

[slachtoffer] bevond.

4. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Gisteren (het hof begrijpt: op 31 december 2009) ben ik naar de Koninkrijkszaal te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, gegaan.

De schrik zit er nu wel in bij [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]).

Ik ging daar naar toe om hem kapot te steken. Ik ben er met een aardappelschilmes naar toe gegaan en ik had een hamer bij me. Dit was een plan waar ik over had nagedacht. Ik wist precies dat hij daar zou zijn en hoe laat. Ik baal dat het niet gelukt is.

U vraag me of ik hem had willen neersteken of dood willen maken. Nee, neersteken. Zij mogen geen bloedtransfusie.

Ik stak [slachtoffer] scheef, waardoor het mes afbrak. Toen dit afbrak liep hij van me af. Daarop heb ik van onder mijn trui een klauwhamer gepakt, die onder mijn broeksband zat. Deze hief ik omhoog.

U vraagt me of ik bewust naar zijn buikstreek stak. Ja, dat klopt. Ik ben daar destijds ook gestoken. Ik stond dichtbij, zodat ik hem ook kon steken.

Gisteravond is een weloverwogen daad, wat ik van te voren heb uitgedacht. Niet het tijdstip, maar wel de manier waarop.

4. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van

28 maart 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik ben op 31 december 2009 naar [slachtoffer] te Gemert gegaan. Ik had een aardappelschilmes en een klauwhamer bij me. Ik liep naar die zaal toe. Ik wist dat mijn stiefbroer [slachtoffer] daar was. Ik wilde hem in ieder geval iets aan doen en had daarom ook het mes meegenomen.

Ik probeerde [slachtoffer] met het mesje in zijn buik te steken. Dat was ik ook van plan. Ik had [slachtoffer] in ieder geval één keer raak willen steken. Ik stak met het mis in zijn richting. Toen brak het mes af. Ik heb zeker stilgestaan bij de risico’s dat ik hem zou raken, waardoor hij zwaar verwond zou raken of erger.

De rechter vraagt mij wat als [slachtoffer] nu ten gevolge van de steek dood zou zijn gegaan. Ja, dan was het ernstig. Ik wist dat daar kans op was. Ik heb zeker stilgestaan bij de risico’s dat ik hem zou raken, waardoor hij zwaar verwond zou raken of erger.

Na het afbreken van het mes heb ik de klauwhamer getoond aan [slachtoffer].

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot vrijspraak van het onder 1. primair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet kan worden bewezen dat verdachtes handelen gericht was op het van het leven beroven van [slachtoffer], terwijl niet kan worden gesteld dat de kans op het overlijden van [slachtoffer] als gevolg van verdachts handelen aanmerkelijk was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof vast dat verdachte opzettelijk – in voorwaardelijke zin – [slachtoffer] van het leven heeft willen beroven. Immers, verdachte heeft opzettelijk met een mes een stekende beweging gemaakt in de richting van de buikstreek van die [slachtoffer], waarbij hoog in de buikstreek, door omstandigheden van zijn wil onafhankelijk slechts een klein wondje is toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand als gevolg van een messteek hoog in de buikstreek – in de nabijheid van vitale organen, waarbij in geval van letsel binnen korte tijd sprake kan zijn van groot bloedverlies – de aanmerkelijke kans loopt zodanig ernstig letsel te bekomen, dat hij als gevolg daarvan het leven kan verliezen. De gedraging van verdachte was dan ook geëigend om [slachtoffer] te doden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte daarvan op de hoogte is geweest.

De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het doden van [slachtoffer], dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Het hof acht het onder 1. primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

C.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de onder 2. ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het bedreigen met een klauwhamer bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht oplevert, aangezien dat de bedoeling was van verdachte en een klauwhamer geschikt is om er iemand mee van het leven te beroven.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar het oordeel van het hof schiet het bewijs ervoor tekort dat de gedragingen van verdachte van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Wel is het hof van oordeel dat de gedragingen van verdachte van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden hebben plaatsgevonden dat bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen. Het hof zal dan ook bedreiging met zware mishandeling bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 31 december 2009 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg op korte afstand met een mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van de buikstreek van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 31 december 2009 te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend een klauwhamer ter hand genomen en opgeheven in de richting van die [slachtoffer] en die opgeheven klauwhamer aan die [slachtoffer] getoond.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

A.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op en bedreiging met zware mishandeling jegens [slachtoffer].

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van die feiten een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan verdachte voor de onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat aan verdachte niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- niet is gebleken dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

- voor zover uit hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie zou kunnen worden geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een psychische stoornis, blijkt niet van een causaal verband tussen deze stoornis en de ten laste gelegde feiten.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat aan verdachte een kortere gevangenisstraf dan de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf zal worden opgelegd, omdat bij de strafoplegging geen rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

B.1

Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd, eventueel in combinatie met een straf. Daarbij stelt het hof voorop dat verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, ter terechtzitting in hoger beroep, tegenover de deskundigen Van Toorn en Huisman alsmede in het Pieter Baan Centrum heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn geestvermogens. Het hof ziet daarin aanleiding om bij de beantwoording van voormelde vraag acht te slaan op (in een andere strafzaak) opgemaakte rapporten die langer dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting zijn gedagtekend.

B.2

Het hof heeft het allereerst in aanmerking genomen de inhoud van het – in een eerdere strafzaak opgemaakte – de verdachte betreffend rapport, d.d. 18 november 2009, opgemaakt door drs. G.C.M. van den Broek, psychiater, onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudende als conclusies en adviezen van voornoemde deskundige:

“Inhoudelijk zijn er overwaardige ideeën met religieuze paranoïde en grootheidsideeën. Betrokkene heeft direct contact met Jehova en meent dat Jehova wel zijn invloed zal uitoefenen om degenen die betrokkene dwars zitten te straffen. Bij tijden hebben deze uitspraken ook een waanachtig karakter.

Persoonlijkheidskenmerken: gebrekkige gewetensfunctie, herhaaldelijk contact met justitie, gebrekkig inlevingsvermogen, ontbreken van spijt, zich niet kunnen conformeren naar maatschappelijke normen, impulsiviteit, onverantwoordelijk gedrag.

Een 25-jarige Nederlandse man met in de voorgeschiedenis verschillende contacten in de GGZ en verslavingszorg. In ieder geval is de diagnose A.D.H.D. gesteld. Daarnaast heeft hij in het verleden kortdurend antipsychotica gehad. Wat betreft zijn persoonlijkheid werd in eerdere stukken gesproken van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en paranoïde trekken.

Tijdens het onderzoek maakt betrokkene een ontremde indruk en laat hij zich (rand)psychotisch uit. Differentiaal diagnostisch denk ik aan een stemmingsstoornis met psychotische trekken of aan een (kortdurende) psychotische stoornis. Duidelijk is dat betrokkene in het dagelijks leven veelvuldig alcohol en cannabis gebruikt en (incidenteel) meerdere drugs en daaraan ook verslaafd is. Betrokkene is in het verleden bekend met de diagnose A.D.H.D.. Aangezien de levensloop van betrokkene zich kenmerkt door veelvuldig contact met justitie, een gebrekkig inlevingsvermogen, gebrek aan geweten, impulsiviteit en de onmogelijkheid om zich aan maatschappelijke normen te conformeren kan gesteld worden dat er naast een eventuele psychiatrische ziekte ook sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid.

Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Ja, bij betrokkene is sprake van middelenmisbruik en een gestoorde ontwikkeling van zijn persoonlijkheid te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is betrokkene bekend met A.D.H.D.. Ten tijde van het onderzoek was er tevens sprake van een manisch (rand)psychotisch toestandsbeeld.”

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen de de verdachte betreffende consultbrief, d.d.

11 januari 2010, opgemaakt door P.F. Eland, psychiater i.o., en J.L.M. Dinjens, justitieel forensisch psychiater, onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven – als conclusies en adviezen:

“Betrokkene is in 2009 enkelvoudig psychiatrisch gerapporteerd door G. van den Broek, psychiater.

Op dit moment is er bij betrokkene sprake van afhankelijkheid van alcohol en drugsmisbruik. Daarnaast is er mogelijk sprake van ADHD en zijn er duidelijke aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk antisociale kenmerken.

De huidige conclusies verschillen niet met die van in 2009.”

Tevens heeft het hof in aanmerking genomen het de verdachte betreffend rapport, d.d.

12 juli 2010, opgemaakt door C.G. Huisman, psychiater, onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven – als conclusies en adviezen:

“Vermoedelijke classificatie volgens de DSM-IV-TR, zoals deze ten tijde van de Pro Justitia rapportage gedateerd 18 oktober 2009 (het hof begrijpt uit de datum van de bespreking van het rapport met verdachte en uit de datum van de ondertekening, dat moet worden gelezen:

18 november 2009) is vastgesteld (waarbij onderzoekend psychiater toen nog ruimte liet voor mogelijk overige psychopathologie die nog diende te worden uitgesloten):

As 1: (klinische stoornissen of reden van zorg) 304.30 cannabis afhankelijkheid; 303.90 alcoholmisbruik; 314.01 ADHD;

As 2: persoonlijkheidsstoornissen en verstandelijke handicaps): 301.7 antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Op basis van deze eerder gestelde diagnostiek meent onderzoeker dat er ook in het heden aanwijzingen zijn voor nog aanwezige psychopathologie. Bijvoorbeeld beperkingen op basis van een persoonlijkheidsstoornis verdwijnen, al is het alleen al op basis van het theoretische concept (een persoonlijkheidsstoornis volgens de DSM is “een diepgaand patroon van …”), niet zo maar.”

Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen het de verdachte betreffend rapport, d.d.

21 juli 2010, opgemaakt door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven – als conclusies en adviezen:

“Voor zover onderzoeker uit het dossier kan opmaken is er sprake van een gebrek aan betekenisvolle sociale relaties en verkeert betrokkene in een sociaal isolement. Hij wordt diverse keren opgenomen, zowel binnen de GGZ als de verslavingzorg, en hij wordt zelfs twee keer gedwongen opgenomen met een IBS en een RM. Er lijkt dan sprake te zijn van een ontremd psychotisch toestandsbeeld dat niet alleen gekleurd wordt door grootheidsovertuigingen maar ook door allerlei religieuze waanideeën.

Uit de Pro Justitia rapportage uit 2009 blijkt duidelijk dat betrokkene toen fors verward was, de persoonlijkheid was gedesintegreerd en er was sprake van een gebrek aan coherentie. De frustratietolerantie is verlaagd, betrokkene kan zich oninvoelbaar en wisselend gedragen waarbij hij achterdochtig en uitdagend is. Het affect is grillig en kan snel agressief ontladen. De psychiater spreekt in 2009 van ‘een versneld denken, weliswaar coherent maar met de neiging tot derailleren. De antwoorden zijn ontwijkend en net langs de vragen af. Inhoudelijk zijn er overwaardige ideeën met religieuze, paranoïde en grootheidsideeën. Betrokkene heeft direct contact met Jehova en meent dat Jehova wel zijn invloed zal uitoefenen om diegene die hem dwarszitten te straffen’. Deze uitspraken hebben volgens de psychiater een waanachtig karakter.

Uit het dossier ontstaat een enigszins verwarrend beeld met betrekking tot het ten laste gelegde. Het is duidelijk dat er sprake is geweest van een in meer of mindere mate verstoorde realiteitszin. Betrokkene had middelen gebruikt, mogelijk dat dit geleid heeft tot ontregeling. Hij was in ieder geval opstandig, geladen, zoals onder andere blijkt uit het feit dat hij moeder vlak voor het ten laste gelegde geprikt heeft met een mesje en haar de keel heeft dichtgeknepen. Hij toont zich zeer wantrouwend, heeft betrekkingsideeën en lijkt in ieder geval fors verward te zijn. De wijze waarop zijn herinneringen aan de steekpartij waarvan hij zelf slachtoffer geworden is, geactualiseerd waren ten tijde van zijn aanhouding duidt op een gedesintegreerde psyche en vervloeiing waarbij heden en verleden door elkaar heen liepen.

Daarnaast is onderzoeker zeer bezorgd over de toekomst en wordt de kans op recidive als hoog tot zeer hoog ingeschat, waarbij verdere geweldsescalaties niet uit te sluiten zijn. Onderzoeker heeft daarbij meegewogen dat de problematiek al 15 jaar bestaat en dat de woede van betrokkene niet afneemt maar zich slechts lijkt te intensiveren. Betrokkene geeft aangever alle schuld van het mislukken van zijn leven tot nu toe en hij lijkt niet in staat te zijn om hier op een meer genuanceerde wijze naar te kijken. In die zin kan zeker gesproken worden van chronische en forse oordeels- en kritiekstoornissen die gepaard gaan met een in meer of mindere mate verstoorde realiteitszin. Zorgwekkend is het ook dat betrokkene zich tot nu toe niet ontvankelijk heeft getoond voor hulpverlening. Recidive verhogend is ook het chronische (rand)psychotische toestandsbeeld waarbij betrokkene waanachtige geloofsovertuigingen heeft. Door zijn overtuiging dat God hem steunt en helpt wordt hij nog meer gestimuleerd in grensoverschrijdend en wraaklustig gedrag.

Op basis van het bovenstaande is er dan ook geen reden om aan te nemen dat zijn agressie na het huidige ten laste gelegde afgenomen zou zijn. Dit blijkt ook wel uit de observaties van de verbalisant waarbij betrokkene zich, ook na het ten laste gelegde, nog steeds boos en zeer wraaklustig toonde. Additionele risicofactoren zijn het ontbreken van een steunend sociaal netwerk, de verloedering en de verslavingsziekte. In zijn algemeenheid geldt dat alcohol en drugs een ontremmende werking hebben op de affecten en ook bij betrokkene lijkt deze dynamiek te spelen.

Kortom, het is erg belangrijk dat de kans op recidive gedempt wordt, mede omdat geweldsescalaties in de toekomst zeker niet uit te sluiten zijn. De enige manier om de kans op recidive terug te dringen is een adequaat behandeltraject met behandeling van de verslavingsproblematiek, de psychotische overschrijdingen en de wanen.”

Ook heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffend rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie:

Pieter Baan Centrum, d.d. 2 februari 2011, opgemaakt door G.M. Jansen, psycholoog, en C.J.M. Vredeveld, psychiater, onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudende als conclusies en adviezen van voornoemde deskundigen:

“Persoonlijkheidsproblematiek, in casu het bestaan van een antisociale en/of paranoïde persoonlijkheidsstoornis, is tijdens eerder onderzoek op gedrags- en symptoomniveau vastgesteld. Op grond van de affectieve en pedagogische omstandigheden waaronder betrokkene zou zijn opgegroeid, zijn er aanwijzingen die aanleiding geven tot het vormen van hypothesen over verstoringen op het gebied van hechting en mogelijke traumatisering (ernstige huwelijksproblemen, geweld, thans suggereert betrokkene ook seksueel misbruik). Dergelijke verstoringen kunnen leiden tot emotionele en cognitieve scheefgroei, gedragsstoornissen, en op latere leeftijd bijdragen aan het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis.

Uit het uitgebreide strafdossier, de Pro Justitia en reclasseringsrapportages komen relevante gedragskundige gegevens naar voren die wijzen op verslavingsproblematiek, psychotische problematiek, problemen in de realiteitstoetsing, een gestoorde agressieregulatie en een antisociale persoonlijkheidsstoornis.”

B.3

Het hof heeft eveneens geslagen op de verklaring die de moeder van verdachte, [betrokkene 2], op 2 januari 2010 heeft afgelegd, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

“[verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) heeft heel veel psychotische perioden gehad. In [verdachte] hoofd speelt gigantische tweestrijd. Dat is al jaren zo. Dat komt door Jehova en Satan. [verdachte] leest constant de bijbel. Satan vertegenwoordigt het slechte, tegen God. Ik weet dat [verdachte] denk dat de hele wereld is van Satan de Duivel. [verdachte] is hierin helemaal doorgeflopt en hij denkt dit tot in het extreme. [verdachte] denkt met tijd en wijle dat hij Jezus is, of in ieder geval voor Jezus werkt. Hij is af en toe zo psychotisch dat de GGZ hem niet wilde hebben.

De afgelopen week, toen hij zo koud was, moest ik [verdachte] wel in huis nemen. Hij heeft psychotisch door het huis gelopen, dat hij rust moest hebben en ging dan weer in zijn bijbeltje leven.”

B.4

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf zoals deze naar voren komt uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 september 2011. Daaruit blijkt dat hij reeds eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, bedreiging met zware mishandeling en mishandeling.

C.

Blijkens het onder B.2 weergegevene is bij verdachte kort voor de bewezen verklaarde feiten, te weten: in november 2009, door psychiater Van den Broek een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens geconstateerd, bestaande uit een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een manisch (rand)psychotisch toestandsbeeld. Uit de overige rapporten en de verklaring van de moeder van verdachte leidt het hof af dat hiervan op 31 december 2009 bij verdachte eveneens sprake moet zijn geweest. Het hof stelt dan ook vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, te weten: een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een manisch (rand)psychotisch toestandsbeeld.

D.

Op grond van het vorenstaande is het hof overtuigd van de noodzaak tot een behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het door verdachte begane feit zoals bewezen verklaard onder 1. een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving meer dan vier jaren gevangenisstraf is gesteld, terwijl het door verdachte begane feit zoals bewezen verklaard onder 2. een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1., van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is uit voornoemde rapporten en adviezen gebleken dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

De stelling van de raadsvrouwe dat voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling een causaal verband tussen de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de bewezen verklaarde feiten vereist is, vindt geen steun in het recht.

Het hof zal daarnaast tevens bevelen dat de ter beschikking te stellen verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu het van oordeel is dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

E.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In verband met de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 31 december 2009 allereerst zonder enige redelijke aanleiding schuldig gemaakt aan een poging tot moord op zijn broer [slachtoffer] door met een mes een stekende beweging te maken in de richting van diens buikstreek.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke handelwijze eenvoudig tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden. Dat het slachtoffer niet is komen te overlijden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte.

Een en ander vond plaats in de avonduren op een parkeerplaats. Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het leidt vanwege het gewelddadig karakter tot maatschappelijke verontrusting en brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Tevens leidt een dergelijk feit vaak nog tot langdurige psychische klachten bij de slachtoffers, zoals gevoelens van angst en onveiligheid.

Voorts heeft het hof ten aanzien van het onder 2. bewezen verklaarde het gewelddadig karakter en de mate waarin dat heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer in aanmerking genomen.

Ten slotte is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 september 2011, eerder ter zake soortgelijke misdrijven, te weten: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, bedreiging met zware mishandeling en mishandeling, door de strafrechter is veroordeeld;

- de inhoud van de hiervoor genoemde deskundigenrapporten;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft wat betreft de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. In verband daarmee heeft het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1. en/of 2. ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 37a, 37b, 45, 57, 63, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. primair en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- één mes, 4-170806;

- één klauwhamer, 22-172364.

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: één overhemd, 4-170807.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 14 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. Harmsen en mr. V.M. van Daalen-Mannaerts zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.