Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2386

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
10/00680
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft bezwaar tegen de waarde van een onroerende zaak, zoals die is vastgesteld in een beschikking van de gemeente. De gemeente heeft gebaseerd op een taxatierapport waarin door middel van vergelijking met referentieobjecten de WOZ-waarde is bepaald. Ter zitting wordt aandacht geschonken aan het bezoek van de taxateur in de bezwaarfase aan het betreffende onroerende object. De vader van belanghebbende, gepensioneerd taxateur, is van oordeel dat de gebreken zoals hij die constateert onvoldoende zijn meegewogen in de taxatie van de gemeente.

Het Hof oordeelt dat al deze grieven reeds zijn beoordeeld door de rechtbank en dat in hoger beroep geen enkel nieuw argument is aangevoerd. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en verwerpt het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/333
V-N 2012/12.27.32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00680

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Maastricht

(hierna: de Rechtbank) van 23 augustus 2010, nummer AWB 09/1354 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Y,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te noemen aan belanghebbende in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) gezonden beschikking en na te melden aanslag onroerende zaakbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is in het kader van de Wet WOZ een beschikking gezonden (aanslagnummer 0000000) waarbij de waarde van de onroerende zaak plaatselijk bekend als A-straat 10 te Y (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum

1 januari 2008 voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 is vastgesteld op een bedrag van € 185.000. Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak een aanslag in de onroerende zaakbelasting over het jaar 2009 opgelegd, welke aanslag in één geschrift is verenigd met de beschikking. Nadat tegen deze beschikking en deze aanslag bij de Heffingsambtenaar in één geschrift bezwaar is gemaakt, heeft de Heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken de waarde en de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Heffingsambtenaar.

Belanghebbende heeft bij brief van 10 augustus 2011 een pleitnota met veertien bijlagen toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Heffingsambtenaar heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de veertien bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is eigenaresse en gebruikster van de onroerende zaak. Het betreft een in het jaar 1982 gebouwde tussenwoning, gelegen op een perceel van 134 m2. Tot de onroerende zaak behoort een aangebouwde berging met een plat, bitumen dak. De inhoud van de woning is 308 m3.

2.2. Tot de gedingstukken behoort een taxatierapport van 29 september 2009, opgemaakt in opdracht van de Heffingsambtenaar door de heer B, WOZ-taxateur in dienst van de gemeente Y. In dit taxatierapport is de WOZ-waarde door middel van vergelijking met referentieobjecten bepaald. Het taxatierapport bevat de objectgegevens, foto's en verkoopcijfers van de referentieobjecten. In dit taxatierapport omschrijft taxateur B de bouwkundige staat van de woning als voldoende. Als gevolg van een verzakking is er, aldus de taxateur, scheurvorming bij de overgang van de hoofdbouw naar de berging.

Taxateur B concludeert tot een waarde van de onroerende zaak van € 185.000. Blijkens de specificatie van zijn taxatie heeft de taxateur de berging, net als de bergingen bij vergelijkbare objecten, gewaardeerd op een bedrag van € 2.250.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft de waarde van de onroerende zaak per de peildatum 1 januari 2008.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

In de bezwaarfase heeft taxateur B de woning inpandig bekeken. Mijn vader was daarbij aanwezig. De taxateur had géén stukken bij zich en maakte géén aantekeningen van onze op- en aanmerkingen.

De berging is gebouwd op landbouwgrond; de fundering is slecht en staat los van de hoofdbouw. De riolering geeft problemen door de hoge stand van het grondwater.

De berging is weliswaar momenteel nog in gebruik, maar volgens de aannemer komt er een moment dat er toch herstel zal moeten plaatsvinden.

De vader van belanghebbende:

Ik ben bouwkundige en was gedurende een lange reeks van jaren werkzaam als taxateur op het gebied van onroerende zaken en als onteigeningsdeskundige. Ik voel mij door taxateur B niet correct behandeld.

De aanbouw is bouwvallig en de fundering is slecht. De sloopkosten van de aanbouw zijn hoger dan de waarde van de grond in vrije staat.

In afwachting van de beslissing in deze procedure zijn er ook voor de latere jaren bezwaarschriften ingediend bij de Heffingsambtenaar.

Taxateur B:

Ik heb eerst samen met belanghebbende het gehele pand bekeken. Daarna heb ik met belanghebbende en haar vader nog enkele specifieke punten besproken. Alles bij elkaar ben ik meer dan een uur bij belanghebbende in huis geweest.

Ik blijf er bij dat de berging weliswaar gebreken vertoont, maar dat deze nog absoluut functioneel is en er geen noodzaak bestaat om deze af te breken. De door belanghebbende te dier zake genoemde kosten zijn in mijn optiek buitensporig.

3.3. Belanghebbende concludeert in bijlage 1 bij haar pleitnota van 10 augustus 2011 tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Heffingsambtenaar en vermindering van de WOZ-waarde tot € 141.540. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbende herhaalt in de van haar afkomstige stukken voor het Hof haar eerder voor de Rechtbank aangevoerde grieven en voegt daaraan geen nieuwe argumenten toe.

4.2. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in deze zaak op goede gronden een juiste beslissing genomen, met dien verstande dat hij op pagina 2, zevende alinea van de uitspraak ten gevolge van een kennelijke schrijffout ten onrechte in plaats van het object A-straat 16 het object A-straat 19 heeft vermeld. Het Hof herstelt deze kennelijke schrijffout.

4.3. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard.

4.4. Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Gemeente aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 6 oktober 2011 door V.M. van Daalen-Mannaerts, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.