Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2180

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
10-00273, 10-00274, 10-00275, 10-00276, 10-00278, 10-00280, 10-00281
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BL7648, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende oefent in maatschapsverband met zijn echtgenote een tuin- en landbouwbedrijf uit. De teelt betreft onder andere asperges, die uitsluitend in Duitsland worden geteeld. De inspecteur heeft naar aanleiding van ontvangen informatie van de Duitse belastingautoriteiten een controle bij belanghebbende en zijn echtgenote ingesteld. De inspecteur heeft vervolgens navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2004 opgelegd. Volgens de inspecteur is in die jaren sprake van verzwegen omzet met betrekking tot de asperges. In hoger beroep oordeelt het hof dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de boekhouding van belanghebbende moet worden verworpen. Van ernstige gebreken in de administratie van de maatschap is volgens het hof geen sprake. Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake is van niet-verantwoorde omzet. Voor het feit dat de resultaten van de maatschap lager is dan de omzet die volgens de branchenormen gemiddeld behaald had kunnen worden, heeft belanghebbende geloofwaardige verklaringen gegeven. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 524 met annotatie van vanDaal
FutD 2012-0313
V-N Vandaag 2012/308
V-N 2012/12.27.20

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 10/00273, 10/00274, 10/00275, 10/00276, 10/00278, 10/00280, 10/00281

Uitspraak op de hoger beroepen van

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg,

hierna: de Inspecteur,

en de incidentele hoger beroepen van

X

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 februari 2010, nummers 08/1174, 08/1175, 08/1176, 08/1177, 08/1178, 08/1179, 08/1180, in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen (navorderings)aanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 1 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.711. Bij gelijktijdig vastgestelde beschikkingen is een boete van € 597 opgelegd en is € 254 aan heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.1.2. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 2 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 22.713. Gelijktijdig is bij beschikking € 79 aan heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.1.3. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 3 voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.936. Bij gelijktijdig vastgestelde beschikkingen is een boete van € 258 opgelegd en is € 165 aan heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.1.4. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 4 voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.258. Bij gelijktijdig vastgestelde beschikkingen is een boete van € 806 opgelegd en is € 194 aan heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.1.5. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 5 voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag WAZ opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 19.438. Gelijktijdig is bij beschikking € 53 aan heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.1.6. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 6 voor het jaar 2004 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.077. Bij gelijktijdig vastgestelde beschikkingen is een boete van € 562 opgelegd en is € 93 aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.1.7. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 7 voor het jaar 2004 een aanslag in de premie ziekenfondswet zelfstandigen (hierna: Zfw) opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 14.722. Gelijktijdig is bij beschikking € 34 aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van alle voornoemde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van alle beroepsprocedures tezamen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 39. De Rechtbank heeft in alle zaken:

- het beroep gegrond verklaard;

- de uitspraken op bezwaar vernietigd;

- de navorderingsaanslagen en de gelijktijdig vastgestelde beschikkingen heffingsrente voor 2001, 2002 en 2003 vernietigd;

- de aanslag IB/PVV voor 2004 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.077 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd;

- de aanslag Zfw 2004 verminderd tot een berekend naar een premie-inkomen van € 11.077 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd;

- alle gelijktijdig met voornoemde (navorderings)aanslagen vastgestelde boetebeschikkingen vernietigd;

- de Inspecteur in elk van de procedures veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 103,50; en

- gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraken heeft de Inspecteur zeven maal hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft in alle procedures een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft zeven maal incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank. De Inspecteur heeft in alle procedures het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 28 september 2011 te

's-Hertogenbosch. Tijdens deze zitting zijn gelijktijdig alle met betrekking tot belanghebbende hier aan de orde zijnde procedures behandeld, alsmede de procedures met betrekking tot mevrouw X-X, belanghebbendes echtgenote, kenmerknummers 10/00282, 10/00283, 10/00284, 10/00285, 10/00287, 10/00288, 10/00289.

Ter zitting zijn verschenen en gehoord belanghebbende en zijn echtgenote, mevrouw X-X, vergezeld van hun gemachtigde, A, advocaat te Q, alsmede, namens de Inspecteur, de heren B en C.

1.7. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard bezwaar te hebben tegen overlegging van de drie bij deze pleitnota behorende bijlagen. Het Hof rekent, na te hebben kennisgenomen van de bezwaren van belanghebbende en hem in de gelegenheid te hebben gesteld op de stukken te reageren, met mededeling aan belanghebbende van de door het Hof relevant geachte overwegingen, de pleitnota en de bijlagen tot de gedingstukken.

1.8. Belanghebbende heeft te dezer zitting eveneens een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.10. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

2.1. De Rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.4 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Nu partijen in hoger beroep deze feitenvaststelling niet hebben bestreden, gaat ook het Hof van die feiten uit.

"2.1. Belanghebbende oefent in maatschapsverband met zijn echtgenote (de maatschap) een tuin- en landbouwbedrijf uit. De teelt betreft prei, courgettes, suikerbieten en asperges. De asperges worden uitsluitend in Duitsland geteeld op gepachte grond. In de jaren 2001 tot en met 2004 zijn dat circa 3 hectaren. De asperges worden hoofdzakelijk geleverd aan de veiling. De omzet bedroeg in de jaren 2001 tot en met 2004 respectievelijk ƒ 78.834,25, € 47.659,90, € 43.892,30 en € 43.511,85. In de jaren 2001 tot en met 2004 is volgens de administratie per kas aan huis verkocht voor respectievelijk ƒ 472, € 142, € 850 en € 5.140. De opbrengst in kilo's volgens de administratie bedraagt respectievelijk 12.597, 17.460, 16.710 en 17.315 kg. De totale omzet bij de veiling bedroeg na verrekening van de veilingkosten en BTW in de jaren 2001 tot en met 2004 respectievelijk ƒ 232.441,47, € 103.797,97, € 120.246,24 en € 107.990,80.

2.2. Bij brief van 18 januari 2005, bij de FIOD ECD te S op 21 januari 2005 ingekomen, is door het Bundesamt für Finanzen te T aan de Nederlandse belastingdienst, FIOD ECD, gevraagd of inkopen van asperges die voorkomen in de administratie van D, marktkoopman (Obstmarkthandel) in R, Duitsland, eveneens voorkomen in de administratie van de maatschap. Het gaat daarbij voor de jaren 2001 tot en met 2004 om de in de administratie van D voorkomende bedragen van respectievelijk DM 22.666,50, € 11.841,45, € 9.381,20 en € 12.876,25. Bij het verzoek zijn de genoemde bedragen uit de jaren 2000 tot en met 2002 per dag gespecificeerd. Hoeveelheden zijn niet genoemd. Bij het verzoek om informatie zit ook het Duitse vragenformulier van 21 december 2004 van het Finanzamt U aan het Bundesamt für Finanzen van 27 september 2004.

Naar aanleiding van een verzoek van de belastingdienst, FIOD ECD, heeft het Bundeszentralamt für Finanzen bij brief van 17 januari 2008, bij de FIOD-ECD ingekomen op 24 januari 2008, nadere stukken toegezonden. Bij die stukken zit het verzoek om informatie van het Finanzamt U aan het Bundesamt für Finanzen van 27 september 2004 waaraan een kopie is gehecht van een deel van één bladzijde blanco ongelinieerd papier waarop handgeschreven staat vermeld: "X Spargel X" de datum 28 april 2000 en "50 kg Spargel a 7,50 375,-" en "170 v 5,75 977,50". Daarnaast staat vermeld: "61-04" en "61-04-00". Tevens is daarbij gevoegd een overzicht van de in de administratie van D voorkomende bedragen uit 2003 en 2004 per dag gespecificeerd.

Op vragen van de inspecteur aan D bij brief van 18 juni 2009 is tot op de dag van het onderzoek ter zitting geen antwoord verkregen.

2.3. De maatschap heeft in de jaren 1999 en/of 2000 een enkele partij asperges aan D geleverd. De opbrengst daarvan is toen geboekt onder de kasopbrengsten verkoop aan huis.

2.4. Met controledatum "09-09-2005/30-03-2006" is namens de inspecteur door E en C een controle ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van belanghebbende en zijn echtgenote over de jaren 2001 tot en met 2004. Op 30 maart 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden op het adres van de maatschap. Daarbij zijn aanwezig geweest genoemde E en C, belanghebbende en zijn echtgenote, F en G voornoemd. Van de controle is een rapportage gemaakt met datum 23-11-2006. In de rapportage worden navorderingen over de jaren 2001 tot en met 2003 en een aanslag over 2004 aangekondigd. Bij die aanslagen wordt per jaar per maat een bedrag aan winst gecorrigeerd van € 5.000. Tevens zijn over alle jaren vergrijpboeten aangekondigd van 50% wegens het niet doen van de juiste aangifte waardoor te weinig belasting / premie volksverzekeringen / premie WAZ is geheven."

2.2. In de ontwikkeling van het geschil in hoger beroep vindt het Hof aanleiding om, in aanvulling op het bovenstaande, de volgende feiten vast te stellen.

2.3. De medewerkers van de Belastingdienst, de heren C en E, hebben een ambtsedige verklaring opgesteld met dagtekening 12 april 2010 respectievelijk 15 april 2010. In die verklaringen hebben de heren C en E hun persoonlijke beleving van het gesprek van 30 maart 2006 neergelegd. Deze ambtsedige verklaringen behoren tot de stukken van het geding.

2.4. Op verzoek van de Inspecteur hebben de Duitse belastingautoriteiten met dagtekening 18 november 2010 een brief gezonden aan de Nederlandse Belastingdienst. Bij de brief zijn twee bijlagen gevoegd. De eerste bijlage bestaat uit een hernieuwde opstelling van de inkoopstaten van asperges van D. De tweede bijlage is een afschrift van een tweede handgeschreven notitie. Op deze notitie is behalve enkele getallen een datum van 5 mei 2005 af te lezen.

2.5. Ter zitting bij het Hof is komen vast te staan dat in 2006 geen inkopen van asperges afkomstig van de maatschap X1 meer zijn aangetroffen in de administratie van D.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Hetgeen tussen partijen in geschil is, is door de Rechtbank als volgt omschreven, en het Hof sluit zich daarbij aan:

1. Zijn de onderhavige (navorderings)aanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd? De beantwoording van deze vraag komt neer op het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de winst heeft gecorrigeerd.

2. Zijn ter zake van de omzetcorrecties terecht en tot de juiste bedragen vergrijpboetes opgelegd?

3. Is ter zake van de omzetcorrecties terecht heffingsrente in rekening gebracht?

Voorts is, in incidenteel hoger beroep, in geschil:

4. Heeft belanghebbende recht op een hogere proceskostenvergoeding dan door de Rechtbank is uitgesproken?

Belanghebbende is van mening dat de vragen 1, 2 en 3 ontkennend en vraag 4 bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank op onjuiste gronden een beslissing heeft genomen. De Inspecteur voert daartoe aan dat:

a. ten onrechte geen bewijskracht is toegekend aan de informatie die is ontvangen van de Duitse autoriteiten;

b. belanghebbende zowel tegenover de Nederlandse als tegenover de Duitse autoriteiten heeft erkend dat in de jaren 2001 tot en met 2004 tot een bedrag van € 40.000 aan omzet is verzwegen;

c. uitgaande van de KWIN-normen sprake is van onverklaarbare lage omzetten;

d. belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 2005 uit eigen beweging een omzetcorrectie van € 5.000 heeft aangebracht.

3.4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen, met uitzondering van de beslissing omtrent de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Ten aanzien van deze vergoeding voert belanghebbende aan dat de Inspecteur een standpunt verdedigt dat van stonde af aan niet houdbaar was, zodat sprake is van bijzondere omstandigheden die een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Belanghebbende heeft voorts in hoger beroep zowel een bewijs- als een getuigenaanbod gedaan.

3.5. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van de hoger beroepen, tot ongegrondverklaring van de incidentele hoger beroepen, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

3.6. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van de hoger beroepen, tot gegrondverklaring van de incidentele hoger beroepen, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze zien op de proceskostenvergoeding en tot veroordeling van de Inspecteur in de daadwerkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten (artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht).

4. Gronden

Vooraf ten aanzien van de ter zitting door de Inspecteur overgelegde stukken

4.1.1. Ter zitting heeft de Inspecteur, als bijlagen bij zijn pleitnota, drie prints van websites overgelegd aan het Hof en de wederpartij. Het Hof heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst, teneinde belanghebbende de gelegenheid te geven zich over de inhoud van die stukken te beraden en een standpunt daaromtrent te bepalen (vergelijk Hoge Raad, 7 oktober 1992, nr. 28 501, BNB 1995/57). Na hervatting is belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich over de uit deze stukken blijkende informatie uit te laten. Daarbij heeft belanghebbende aangegeven dat hij van oordeel is dat het de Inspecteur vanwege de reeds zeer lange duur van het geschil niet toegestaan moet worden nog nieuwe stukken in te brengen.

4.1.2. Naar het oordeel van het Hof, de bezwaren van belanghebbende gehoord hebbende, behelzen de door de Inspecteur ter zitting overlegde stukken niet zodanige informatie met betrekking tot het onderhavige geschil dat belanghebbende in zijn procespositie is geschaad, doordat hij eerst tijdens de zitting van de stukken kon kennisnemen (vergelijk Hoge Raad, 20 december 2002, nr. 37 677, BNB 2003/92). Gelet op het feit dat de gegevens afkomstig zijn uit een voor eenieder toegankelijke bron kan voorts niet worden geoordeeld dat het toelaten van de stukken tot het geding in strijd komt met het algemeen belang van een doelmatige procesgang (vergelijk Hoge Raad, 16 maart 2007, nr. 42 905, BNB 2007/222).

4.1.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft het Hof de bij de pleitnota van de Inspecteur behorende bijlagen tot de stukken van het geding gerekend.

Vooraf ten aanzien van het door belanghebbende gedane bewijs- en getuigenaanbod

4.2.1. In de van hem afkomstige stukken in hoger beroep heeft belanghebbende een voorwaardelijk bewijs- en getuigenaanbod gedaan. Het Hof passeert het gedane aanbod omdat het niet

terzake dienend is (vergelijk Hoge Raad, 17 december 2004, nr. 38 831, BNB 2005/152). Het Hof overweegt daartoe als volgt.

4.2.2. De door belanghebbende genoemde getuigen, de heer F en mevrouw G, beiden werkzaam bij H ten tijde van het gesprek op 30 maart 2006, hebben reeds ieder een op schrift gestelde verklaring afgelegd, welke verklaringen tot de gedingstukken behoren. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet het Hof onvoldoende aanleiding om voornoemde getuigen alsnog, in aanvulling op hetgeen zij reeds hebben verklaard, te horen.

4.2.3. Het door belanghebbende gedane bewijsaanbod ziet op de thans in Duitsland aanhangige bezwaarprocedure als gevolg van dezelfde correcties als die aan het onderhavige geschil ten grondslag liggen. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld en door de Inspecteur is dat niet betwist, dat de afhandeling van deze bezwaarprocedures is opgeschort in afwachting van de afhandeling van de onderhavige procedure in Nederland. Gelet op deze omstandigheid acht het Hof het niet opportuun om (delen van) de correspondentie met de Duitse belastingautoriteiten in te voegen in de onderhavige procedure.

4.2.4. Nu zich in de procedure evenmin onverwachte wendingen hebben voorgedaan (Hoge Raad, 17 december 2004, nr. 38 831, BNB 2005/152, rechtsoverweging 3.4.2, slotzin), gaat het Hof voorbij aan het door belanghebbende gedane bewijs- en getuigenaanbod.

Ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag

4.3. Het Hof stelt, in navolging van de Rechtbank, voorop dat op de Inspecteur, als partij die stelt dat belanghebbende te weinig omzet heeft aangegeven, de last rust zijn stelling aannemelijk te maken. De Inspecteur voert daartoe aan dat de boekhouding van belanghebbende niet kan dienen als voldoende betrouwbare basis voor de vaststelling van de winst over de onderhavige jaren, zodat de bewijslast moet worden verlegd naar belanghebbende en moet worden verzwaard. De Inspecteur baseert zijn stelling, dat de boekhouding van belanghebbende moet worden verworpen, op de omstandigheden dat sprake is van ernstige gebreken in de administratie in combinatie met significante afwijkingen van het brutowinstpercentage van de maatschap ten opzichte van hetgeen gebruikelijk is in de branche.

4.4. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met hetgeen hij heeft aangedragen en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat de boekhouding van belanghebbende moet worden verworpen op grond van voornoemde omstandigheden. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

4.5.1. De Inspecteur baseert zijn stelling primair op de van de Duitse belastingautoriteiten ontvangen gegevens uit de administratie van D. Deze informatie bestaat uit twee afschriften van handgeschreven notities alsmede uit (gedeelten van) inkoopstaten ter zake van - door D gestelde - inkopen van asperges bij maatschap X1. Naar het oordeel van het Hof kan aan deze informatie, mede gelet op de betwisting van de betrouwbaarheid ervan door belanghebbende, onvoldoende bewijskracht worden toegekend om te kunnen komen tot het oordeel dat belanghebbende ontvangsten ter zake van de verkoop van asperges aan D niet in de administratie heeft verwerkt. Belanghebbende heeft betwist dat in de onderhavige jaren geleverd is aan D. Voorts is niet meer in geschil dat het handschrift op de notities niet het handschrift van belanghebbende of diens echtgenote is (zie brief van de Inspecteur van 1 juni 2011). Gelet op deze gemotiveerde betwisting en bij gebrek aan overige bewijsmiddelen die de stelling van de Inspecteur onderbouwen, kan niet worden geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat sprake is van niet-verantwoorde omzet.

4.5.2. De Inspecteur heeft daarenboven aangevoerd dat belanghebbende, geconfronteerd met voornoemde informatie, heeft erkend dat sprake is van niet-verantwoorde verkopen. Belanghebbende heeft weersproken dat hij niet-verantwoorde omzet heeft erkend. Hij stelt enkel verklaard te hebben dat hij bereid was akkoord te gaan met een correctie van de omzet, omdat uit door hemzelf ingewonnen informatie bleek dat een totale correctie van maximaal € 40.000 door de Duitse belastingautoriteiten niet tot verdere sancties zouden leiden in Duitsland. Belanghebbende kon dan volstaan met het doen van een gift aan een goed doel. Omdat belanghebbende bovendien in Nederland vanwege de voorkoming van dubbele belasting over die omzet geen belasting zou hoeven te betalen, zou hij alsdan gevrijwaard worden van langdurige en kostbare procedures met de fiscus. Het was voor belanghebbende derhalve een kosten-baten analyse, aldus belanghebbende. De beperkte gevolgen van deze correctie voor de premieheffing maken dit niet anders.

Voor het doen van aangifte tegen D wegens valsheid in geschrifte zag belanghebbende onvoldoende slagingskansen. Het Hof acht deze beweegredenen, mede gelet op de slechte gezondheidstoestand van belanghebbende en de daartoe door belanghebbende overgelegde bewijsmiddelen, geloofwaardig. Al hetgeen de overige, bij het gesprek van 30 maart 2006 betrokken, personen dienaangaande verklaard hebben brengt daarin geen verandering. Het Hof is van oordeel dat van een erkenning als door de Inspecteur gesteld, niet is gebleken.

4.5.3. De Inspecteur heeft verder aangevoerd dat belanghebbende uit eigener beweging een correctie van € 10.000 heeft aangebracht op de uit de administratie blijkende omzet over 2005. Dienaangaande overweegt het Hof eveneens dat belanghebbende gemotiveerd heeft betwist dat hij met deze handeling erkent dat sprake is van niet-verantwoorde omzet. Uit telefonisch contact met D na afloop van het gesprek van 30 maart 2006 is belanghebbende gebleken dat D ook in 2005 inkopen ten name van de maatschap van belanghebbende in zijn administratie heeft opgevoerd. Naar aanleiding daarvan heeft belanghebbende om dezelfde redenen als vermeld in 4.5.2 (voorkomen van langdurige procedures) besloten een correctie door te voeren in zijn aangifte inkomstenbelasting 2005. Mede gelet op de omstandigheid dat belanghebbende daarmee voorkwam dat hij in Duitsland de in 4.5.2 bedoelde norm van € 40.000 zou overschrijden, acht het Hof ook deze beweegredenen geloofwaardig.

Voorts is tijdens de zitting bij het Hof komen vast te staan dat in 2006 in de administratie van D geen inkopen ten name van de maatschap van belanghebbende meer zijn geconstateerd. Belanghebbendes verklaring voor deze constatering, inhoudende dat D zijn handelwijze na voornoemd telefoongesprek heeft gestaakt, acht het Hof aannemelijk.

4.5.4. Het vorengenoemde in ogenschouw nemend, tezamen en in onderling verband bezien, moet worden geoordeeld dat, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van ernstige gebreken in de administratie van de maatschap. Daarbij neemt het Hof tevens in aanmerking dat blijkens de tekst van het controlerapport van 23 november 2006 de administratie behoudens de leveringen aan D niet op juistheid is onderzocht.

4.6.1. Vervolgens resteert de vraag of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt of de maatschap X1 over de genoemde jaren de omzet tot te lage bedragen heeft verantwoord.

4.6.2. In dat verband heeft de Inspecteur de resultaten van de maatschap vergeleken met de zogeheten KWIN-norm. Vast staat dat de omzet van de maatschap lager is dan de omzet die volgens deze norm gemiddeld behaald had kunnen worden. De Inspecteur heeft daarbij gewezen op het feit dat het verschil tussen beide resultaten ongeveer gelijk is aan hetgeen D als inkoop afkomstig van de maatschap X1 in zijn administratie heeft verwerkt. Belanghebbende heeft dit betwist met de geloofwaardige verklaring dat andere oorzaken ten grondslag liggen aan het lagere brutowinstpercentage dan volgens de KWIN-norm verwacht mag worden. Belanghebbende heeft onder overlegging van bewijsmiddelen aangevoerd dat sprake is van lagere inkoop- en aanplantcijfers dan waar de KWIN-norm op is gebaseerd. Voorts heeft belanghebbende, onderbouwd met door ter zake kundige adviseurs opgemaakte rapporten, aangevoerd dat sprake is van schade aan de oogst onder invloed van wild. Tot slot acht het Hof van belang belanghebbendes betoog dat sprake is van verminderde opbrengst, omdat een deel van de aanplant vroegtijdig is gerooid. Met hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in de vergelijkende berekeningen met deze factoren op adequate wijze rekening is gehouden. Mitsdien kan niet worden geoordeeld dat het brutowinstpercentage van de maatschap in significante mate afwijkt van hetgeen gebruikelijk is in de branche.

4.6.3. Het Hof wijst voorts op het feit dat de KWIN-norm gebaseerd is op een gemiddelde van cijfers die door Nederlandse kwekers worden aangeleverd. Een dergelijk gemiddelde komt tot stand met inachtneming van zowel uitschieters naar boven als uitschieters naar beneden. Het is daarom niet ondenkbaar dat de maatschap, gelet op de bovengenoemde, door het Hof aannemelijk geachte, omstandigheden, tot de groep van telers behoort met een lager percentage dan het gemiddelde. Indien en voor zover de KWIN-norm, zijnde een norm die is gebaseerd op gegevens van Nederlandse telers, indicatief kan zijn voor het resultaat van gronden in Duitsland, kan deze het oordeel dat het brutowinstpercentage van de maatschap van belanghebbende onaannemelijk laag is, niet dragen.

4.6.4. Gelet op het voorgaande, in onderling verband bezien, kan niet worden geoordeeld dat de administratie van de maatschap van belanghebbende zodanige gebreken vertoont, noch dat de omzet zodanig afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, dat deze niet kan dienen als voldoende betrouwbare basis voor de vaststelling van de winst over de onderhavige jaren. De bewijslast wordt derhalve niet verlegd en verzwaard.

4.7. Nu het Hof geen redenen aanwezig heeft geacht om de bewijslast te verleggen en te verzwaren, moet worden getoetst of de bewijsmiddelen, die de Inspecteur heeft aangedragen, op zichzelf beschouwd de conclusie rechtvaardigen dat aannemelijk is dat belanghebbende te weinig omzet heeft aangegeven. Naar het oordeel van het Hof is dit niet het geval. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat blijkens de tekst van het controlerapport van 23 november 2006 de administratie, behoudens de leveringen aan D, niet op juistheid is onderzocht.

4.8. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende.

Ten aanzien van de tweede en derde in geschil zijnde vraag

4.9. In navolging van het antwoord op de eerste in geschil zijnde vraag moeten op grond van het vorenoverwogene ook de tweede en derde in geschil zijnde vraag ontkennend worden beantwoord. Zulks behoeft geen verdere motivering.

Ten aanzien van de vierde in geschil zijnde vraag (het incidentele hoger beroep)

4.10. De Rechtbank heeft belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarin ligt besloten dat de Rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig achtte om af te wijken van het in dat lid bepaalde. Op een verzoek om toekenning van een hogere vergoeding van proceskosten wegens bijzondere omstandigheden behoefde de Rechtbank niet uitdrukkelijk in te gaan indien zij, zoals in dit geval, niet aan dat verzoek tegemoetkomt (vergelijk Hoge Raad, 4 februari 2011, nr. 10/01397, BNB 2011/101 en Hoge Raad 30 augustus 1996, nr. 30 881, BNB 1996/373).

4.11. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen is grond indien het bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vergelijk Hoge Raad, 13 april 2007, nr. 41 235, BNB 2007/260). Naar het oordeel van het Hof is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. Het standpunt van de Inspecteur is mede ingegeven door het verloop van het gesprek van 30 maart 2006. Vaststaat dat hetgeen exact tijdens dat gesprek over en weer door partijen is verklaard niet meer te achterhalen is, althans door partijen verschillend wordt beleefd. In achtnemende het feit dat belanghebbende zich op enig moment akkoord heeft verklaard met het aanbrengen van omzetcorrecties van € 10.000 over de jaren 2001 en 2004 en vrijwillig eenzelfde correctie heeft aangebracht over 2005, kan niet worden geoordeeld dat de Inspecteur een standpunt heeft ingenomen waarvan op voorhand duidelijk was dat het geen stand zou houden.

4.12. Een afwijking van de forfaitaire bedragen voor proceskostenvergoeding kan ook worden toegepast op de grond dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (Hoge Raad, 4 februari 2011, nr. 09/02123, BNB 2011/103). Naar het oordeel van het Hof is van onzorgvuldig handelen aan de zijde van de Inspecteur geen sprake.

Slotsom

4.13. De slotsom is dat zowel de hoger beroepen van de Inspecteur als de incidentele hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn en dat de uitspraken van de Rechtbank, met verbetering van gronden als hiervoor vermeld, dienen te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.14. Nu de uitspraken van de Rechtbank in stand blijven, wordt ter zake van de door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen een griffierecht geheven van € 448.

Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep

4.15. Nu de door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen ongegrond worden verklaard, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling

van de hoger beroepen bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.16. Daarbij wordt uitgegaan van 14 samenhangende zaken, waarin belanghebbende en zijn echtgenote geheel in het gelijk zijn gesteld. Dit betreft de onderhavige zaken en de zaken van mevrouw X-X, belanghebbendes echtgenote, kenmerknummers 10/00282, 10/00283, 10/00284, 10/00285, 10/00286, 10/00287, 10/00288 en 10/00289.

4.17. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2,5 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken), is in totaal op € 2.458,12. In deze zaken zal het Hof een bedrag van 1/2 x € 2.458,12, is € 1.229,06 toekennen.

4.18. Gelet op het in 4.11 tot en met 4.13 overwogene ziet het Hof geen aanleiding voor een afwijking van de forfaitaire bedragen voor proceskostenvergoeding.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart de hoger beroepen en de incidentele hoger beroepen ongegrond;

- bevestigt de uitspraken van de Rechtbank;

- bepaalt dat van de Staat ter zake van de door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 448;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.229,06.

Aldus gedaan op 10 november 2011 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.G.M. Cools en M. van Dun, leden, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.