Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV1319

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
HD 200.074.621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet op het consumentenkrediet.

Verstek. Ambtshalve beoordeling. Substantiëringsplicht. Algehele opeising bij de inleidende dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.074.621

arrest van de tweede kamer van 6 september 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap ACHMEA RETAIL BANK N.V.,

rechtsopvolger onder algemene titel van LEVOB BANK N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. A.J.H. Rutten,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 september 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder zaaknummer/rolnummer 213083/HA ZA 10-1341 gewezen verstekvonnis van 21 juli 2010 tussen appellante - Achmea - als eiseres en geïntimeerde - [geintimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld verstekvonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Tegen de niet verschenen [geintimeerde] is verstek verleend.

2.2. In de appeldagvaarding heeft Achmea twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de appeldagvaarding is weergegeven.

2.3. Achmea heeft de gedingstukken overgelegd voor uitspraak.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2. Op 12 december 2005 heeft de rechtsvoorganger van Achmea – Levob Bank N.V. – met [geintimeerde] een overeenkomst doorlopend krediet gesloten met een kredietlimiet van € 19.500,--. Tussen partijen is overeengekomen dat [geintimeerde] aan rente en aflossing maandelijks 1% van het uitstaande saldo met een minimum van € 195,-- zou terugbetalen. [geintimeerde] is ondanks sommatie haar betalingsverplichtingen niet nagekomen.

4.3. In de inleidende dagvaarding van 27 mei 2010 heeft Achmea de veroordeling gevorderd van [geintimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van een bedrag van € 18.204,15, vermeerderd met de overeengekomen en tot het maximum van het Besluit Kredietvergoeding aan te passen rentevergoeding, thans uitmakende 10,8% per jaar, te rekenen vanaf 6 mei 2010, althans vanaf de dag der dagvaarding over het alsdan verschuldigde bedrag, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten.

4.4. [geintimeerde] is in eerste aanleg niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

4.5. Bij het bestreden verstekvonnis heeft de rechtbank de vordering van Achmea afgewezen. Kort gezegd heeft zij daartoe overwogen dat Achmea onvoldoende heeft gesteld om de rechtbank in staat te stellen op de voet van het bepaalde in artikel 139 Rv te controleren of de vordering en de grondslag aan de wettelijke maatstaven voldoen, nu de stellingen van Achmea onvoldoende informatie bevatten om te kunnen vaststellen of Achmea de vereisten van artikel 33 aanhef en onder c sub 1 van de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) in acht heeft genomen, welke wet op de tussen partijen gesloten overeenkomst van toepassing is. In het bijzonder blijkt naar het oordeel van de rechtbank noch uit de dagvaarding, noch uit de producties op welk tijdstip Achmea het gehele openstaande saldo van het krediet daadwerkelijk vervroegd heeft opgeëist en staat het Achmea niet vrij de stand van zaken tussen de laatste ingebrekestelling en het tijdstip van opeising (bij dagvaarding) in het midden te laten.

4.6. Met de beide grieven komt Achmea tegen dit oordeel op.

4.6.1. In grief I stelt zij zich op het standpunt dat de rechtbank artikel 139 Rv te ruim uitlegt. In haar visie staat het ontbreken van het tijdstip van opeising niet aan toewijzing van haar vordering in de weg omdat de vordering in ieder geval bij dagvaarding wordt opgeëist, terwijl het niet vermelden van de precieze betalingen en/of opnames tussen ingebrekestelling en opeising evenmin aan opeising in de weg staat, indien en zover duidelijk is dat debiteur in gebreke is gebleven met de volledige nakoming van zijn verplichtingen. Gelet op aantekening 1 onder d bij artikel 139 Rv in Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering is Achmea van mening dat het op de weg van de rechtbank had gelegen haar in de gelegenheid te stellen haar vordering nader toe te lichten.

4.6.2. Met grief II betoogt Achmea dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar stellingen onvoldoende informatie behelzen om te kunnen vaststellen dat gedaagde ten tijde van de algehele opeising gedurende ten minste twee maanden achterstallig was in de betaling van een vervallen termijnbedrag en geeft zij een nadere toelichting op haar vordering. Daarbij verwijst Achmea naar de in eerste aanleg overgelegde correspondentie en naar een rente- en betalingsoverzicht dat zij als productie C in het geding brengt. Zij stelt dat zij het uitstaande saldo eerst door het uitbrengen van de dagvaarding van 27 mei 2010 heeft opgeëist. Als productie D brengt Achmea de processtukken in het geding van een in haar visie vergelijkbare zaak, waarin de rechtbank de vordering heeft toegewezen.

4.7. Het hof oordeelt als volgt.

4.7.1. Op grond van het bepaalde in artikel 139 Rv wijst de rechter de vordering in een verstekzaak toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Deze bepaling, die ingevolge artikel 353 lid 1 Rv ook in hoger beroep van toepassing is – met dien verstande dat de rechter daar de toets hanteert in het licht van de bestreden uitspraak en de aangevoerde grieven – verplicht de rechter ambtshalve te onderzoeken of de vordering en de grondslag waarop deze berust aan de wettelijke maatstaven voldoen. Deze verplichting heeft bijzondere betekenis in een zaak als de onderhavige, waarin sprake is van een overeenkomst waarop de consumentbeschermende dwingendrechtelijke bepalingen van de WCK van toepassing zijn.

4.7.2. Bedoelde onderzoeksplicht van de rechter vergt van de eisende partij dat deze in WCK-zaken, waarin de gedaagde partij relatief vaak niet in rechte verschijnt, met extra zorg invulling geeft aan de voor haar uit artikel 111 lid 3 Rv voortvloeiende substantiëringsplicht door reeds bij de inleidende dagvaarding alle bescheiden die het bestaan van haar vordering onderbouwen aan de rechtbank ter kennis te brengen. Niet alleen de schriftelijke kredietovereenkomst, de daarbij overeengekomen algemene voorwaarden, de ingebrekestelling(en) en de opeisingsbrief, maar ook een betalingsoverzicht, (rente)berekeningen en andere stukken die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de gegrondheid van de vordering. Weliswaar kan de rechter op grond van het bepaalde in de artikelen 22 en 120 lid 4 Rv de eisende partij bevelen ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken, maar een verplichting om de eisende partij die gelegenheid te bieden is in deze bepaling niet te lezen.

4.7.3. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de stellingen van Achmea in eerste aanleg onvoldoende informatie bevatten om te kunnen vaststellen of Achmea de vereisten van artikel 33 aanhef en onder c sub 1 van de WCK in acht heeft genomen. De vordering is daarom in eerste aanleg terecht afgewezen. Verzuimen uit de eerste aanleg kunnen in hoger beroep echter worden hersteld. Gelet op de nadere toelichting van Achmea is het hof van oordeel dat thans voldoende is komen vast te staan dat aan het bepaalde in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 WCK is voldaan. Uit de in hoger beroep overgelegde brieven van 4 maart 2010 en 19 april 2010 blijkt voldoende dat [geintimeerde] na ingebrekestelling nalatig is gebleven in de nakoming van haar verplichtingen. In laatst gemelde brief heeft Achmea voorts aangezegd dat zij bij niet voldoening aan de sommatie tot opeising van het volledige saldo zou overgaan, hetgeen zij bij dagvaarding vervolgens heeft gedaan. Dat betekent dat de vordering, die het hof verder niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, alsnog kan worden toegewezen.

4.7.4. Het gevolg van het voorgaande is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. [geintimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof ziet aanleiding de kosten van de eerste aanleg tussen partijen te compenseren nu de afwijzing van de vordering in eerste aanleg is veroorzaakt doordat Achema haar vordering pas in hoger beroep deugdelijk heeft toegelicht.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Achmea te betalen een bedrag van € 18.204,15, vermeerderd met de overeengekomen – en tot het maximum van het Besluit Kredietvergoeding aan te passen – rentevergoeding van op het moment van dagvaarden 10,8% per jaar, vanaf 6 mei 2010 over het alsdan verschuldigde bedrag tot aan de dag der algehele voldoening;

compenseert de kosten in eerste aanleg aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geintimeerde] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Achmea tot aan deze uitspraak begroot op € 632,93 aan verschotten en op € 894,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, S.M.A.M. Venhuizen en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 september 2011.