Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0866

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
13-01-2012
Zaaknummer
10/00841
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste objectafbakening: hof past WOZ-beschikking aan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/140
V-N 2012/8.29.34
Belastingblad 2012/197
FutD 2012-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00841

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Roermond (hierna: de Rechtbank) van 18 oktober 2010, nummer AWB 08/2066 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Y,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te noemen aan belanghebbende in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) gezonden beschikking en na te melden aanslag onroerende zaakbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is in het kader van de Wet WOZ een beschikking gezonden waarbij de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als A-straat 7 te Y per de peildatum 1 januari 2007 voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 is vastgesteld op een bedrag van € 381.000. Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak een aanslag in de onroerende zaakbelasting over het jaar 2008 opgelegd, welke aanslag in één geschrift is verenigd met de beschikking. Nadat tegen deze beschikking en deze aanslag bij de Heffingsambtenaar bezwaar is gemaakt, heeft de Heffingsambtenaar bij de in één geschrift verenigde uitspraken de bezwaren ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is van deze in één geschrift verenigde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 111.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 augustus 2011 te 's-Hertogenbosch.

Belanghebbende en de Heffingsambtenaar zijn niet verschenen, waarvan zij vóór de zitting het Hof schriftelijk kennis hebben gegeven.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is op 1 januari 2008 eigenaar en gebruiker van een woonhuis met vrijstaande garage aan de A-straat 7 te Y, gelegen op het kadastrale perceel B00000, groot 680 m2 (hierna: het huisperceel).

2.2. Op 30 maart 2007 heeft belanghebbende twee percelen aangekocht, C00000, groot 3350 m2 en D00000, groot 390 m2. Deze percelen grenzen niet aan belanghebbendes huisperceel noch zijn daar op enige wijze fysiek mee verbonden, maar zijn gelegen schuin achter, respectievelijk naast, het object aan de A-straat 9.

2.3. A-straat 9 betreft een perceel grond met opslagloods, eigendom van belanghebbende en door hem verhuurd aan een derde. Tussen belanghebbendes huisperceel en het door hem aangekochte perceel D00000 is een oprit naar de opslagloods van A-straat 9, welke oprit ook behoort tot het perceel van A-straat 9.

2.4. Ten tijde van de aankoop van de onder 2.2 genoemde percelen had belanghebbende het voornemen hierop een voor de verhuur bestemde bedrijfsruimte te (laten) bouwen. Hiertoe heeft belanghebbende op 6 december 2007 een bouwvergunning aangevraagd, welke vergunning op 7 januari 2008 is verleend.

2.5. De Heffingsambtenaar heeft de onder 2.2 genoemde percelen en het huisperceel op grond van artikel 16, aanhef en onder d van de Wet WOZ aangemerkt als een samenstel en het geheel in het kader van de Wet WOZ gewaardeerd op een bedrag van

€ 381.000.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Heffingsambtenaar voor de toepassing van de Wet WOZ terecht is uitgegaan van een samenstel van het huisperceel en de percelen C00000 en D00000.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Heffingsambtenaar.

De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

4.1. Ingevolge artikel 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt een samenstel van twee of meer gebouwde of ongebouwde eigendommen of gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

4.2. Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is dat op toestandsdatum 1 januari 2008 het huisperceel en de twee in 2007 aangekochte percelen C00000 en D00000, zowel in eigendom als in gebruik waren bij belanghebbende.

4.3. De vervolgens aan de orde komende vraag is of het huisperceel en de twee andere percelen naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van de Heffingsambtenaar om, bij een geschil over de hier opgeworpen vraag, aannemelijk te maken dat de betreffende percelen naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren.

4.4. De Heffingsambtenaar heeft zowel in de uitspraken op bezwaar, in de procedure voor de Rechtbank en voor het Hof, gesteld dat de betreffende percelen bij de belastingplichtige in eigendom en in gebruik zijn. De Heffingsambtenaar heeft in hoger beroep voorts betoogd dat de afstand tussen de percelen geen beletsel behoeft te zijn voor het aanmerken van de percelen als een samenstel.

4.5. Met zijn betoog, dat naar het oordeel van het Hof op zichzelf juist is, heeft de Heffingsambtenaar echter nog niet gesteld, laat staan gemotiveerd, op grond van welke omstandigheden de betreffende percelen bij elkaar behoren. Gelet op de onder 2.2 tot en met 2.4 vastgestelde feiten en gelet op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun respectieve standpunten over en weer hebben aangevoerd komt het Hof tot het oordeel dat de Heffingsambtenaar, op wie in deze de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze percelen, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

4.6. Bij dit oordeel kent het Hof gewicht toe aan het feit dat belanghebbende de percelen C00000 en D00000 heeft aangekocht met het doel om hierop een bedrijfsruimte te stichten en het geheel aan een derde te verhuren en dat belanghebbende dit voornemen spoedig na verkrijging van deze percelen ten uitvoer heeft gebracht.

4.7. Het hiervoor in 4.5 en 4.6 gegeven oordeel betekent dat de objectafbakening niet juist is. Het Hof zal de objectafbakening aanpassen zodanig dat de WOZ-beschikking uitsluitend betrekking heeft op het huisperceel. Daarbij zal het Hof ook de WOZ-waarde verminderen. Omdat belanghebbende in hoger beroep de WOZ-waarde van de thans in geschil zijnde beschikking niet heeft betwist, zal het Hof bij de vermindering van de WOZ-waarde uitgaan van het taxatieverslag van de gemeente. Met inachtneming hiervan vermindert het Hof de WOZ-waarde met een bedrag van (3350 m2 + 390 m2) x € 20 (conform de taxatiekaart) = € 74.800 (vgl. Hoge Raad, 27 september 2002, 34 928, zoals gepubliceerd in BNB 2002/376),zodat de WOZ-waarde na vermindering dient te worden gesteld op (€ 381.000 minus € 74.800 =) € 306.200.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de gemeente Y aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 111 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.10. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het beroep bij de Rechtbank op 1,5 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 483, en voor het hoger beroep bij het Hof op 1,5 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 655,50, totaal € 1138,50.

4.11. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof,

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraken van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de Heffingsambtenaar;

- wijzigt de WOZ-beschikking aldus dat deze betrekking heeft op de onroerende zaak aan de A-straat 7, kadastraal bekend B00000, groot 680 m2;

- vermindert de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de A-straat 7 tot € 306.200;

- vermindert de aanslag onroerende zaakbelasting tot een bedrag berekend naar een waarde van de onroerende zaak van € 306.200;

- gelast dat de gemeente aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 150 vergoedt;

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 1138,50.

Aldus gedaan op 6 oktober 2011 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en S. Bosma, in tegenwoordigheid van L. Arts, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.