Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0731

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
12-01-2012
Zaaknummer
HD 200.081.480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst bedrijfsruimte.

Verwerping van het verweer dat sprake is van contractovername.

Afwijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.081.480

arrest van de zevende kamer van 27 december 2011

in de zaak van

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F.J.G. Tilman,

tegen:

de gemeente Heeze-Leende,

zetelend te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. L.A. Broekhuysen,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 januari 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnis van 28 oktober 2010 tussen de gemeente als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 649718 en rolnr. 09-10153)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft de gemeente de grieven bestreden.

2.3. [appellant] heeft een akte genomen en de gemeente een akte, tevens antwoordakte met producties. [appellant] heeft gereageerd met een antwoordakte.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Tussen de gemeente en [appellant] is een huurovereenkomst gesloten met als inhoud dat de gemeente ingaande 1 mei 1998 aan [appellant] bedrijfsruimte verhuurt, gelegen aan de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats], om te worden gebruikt voor de uitoefening van een accountantskantoor.

De huurovereenkomst is op 1 april 2008 geëindigd.

De gemeente heeft [appellant] op 18 september 2009 gedagvaard voor de kantonrechter Eindhoven omdat een bedrag aan huur ad € 7.066,- onbetaald was gebleven en [appellant] weigerde om tot betaling over te aan. De gemeente vorderde de betaling van voornoemd bedrag, te vermeerderen met rente en incassokosten.

De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van de huurachterstand, te vermeerderen met de gevorderde verzuimrente als bedoeld in artikel 6:119a BW toegewezen; de vordering tot betaling van incassokosten is afgewezen.

[appellant] kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen en is daartegen in hoger beroep gekomen.

4.2. De grieven 1 t/m 6 van [appellant] lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij hebben betrekking op de verwerping door de kantonrechter van zijn verweer dat hij de gevorderde huur niet verschuldigd is omdat niet hij de huurder was van de onderhavige bedrijfsruimte, maar [X.] Administratiekantoor BV. Met zijn grieven beoogt hij te bereiken dat dit verweer alsnog zal worden aanvaard.

4.3. [appellant] heeft aan zijn verweer het volgende ten grondslag gelegd:

- reeds in mei 1998 heeft hij zijn huurderspositie overgedragen aan Accountantskantoor [Y.] B.V. Die vennootschap heeft op haar beurt op 30 augustus 1995 haar huurderspositie overgedragen aan [X.] Administratiekantoor B.V. Ten bewijze van deze overdrachten heeft [appellant] bij conclusie van dupliek kopieën van de akten van overdracht in het geding gebracht (producties 1A en 1B CvD);

- de maandelijkse huur is steeds betaald door (eerst) Accountantskantoor [Y.] B.V. en (later) door [X.] Administratiekantoor B.V. Deze vennootschappen waren ook achtereenvolgens de feitelijke gebruikers van de bedrijfsruimte;

- de gemeente was bekend met het feit dat de voornoemde vennootschappen de feitelijke gebruikers waren van de bedrijfsruimte en de huur betaalden en de gemeente heeft hiertegen nooit geprotesteerd;

- ingeval van achterstand in de huurbetalingen werden de voornoemde vennootschappen door de gemeente aangeschreven en niet [appellant] in privé.

Volgens [appellant] volgt uit het voorgaande dat voldaan is aan het vereiste in artikel 6:159 lid 1 BW dat voor de hiervoor bedoelde contractovernemingen de medewerking van de gemeente nodig is.

4.4. De gemeente heeft betwist dat zij op de hoogte was van de contractovernemingen en dat zij daarmee akkoord is gegaan. Zij wijst erop dat al eerder tussen partijen een procedure is gevoerd in verband met ontstane huurachterstanden en dat die procedure heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter Eindhoven d.d. 14 december 2006. In die procedure is door [appellant] in het geheel niet het verweer gevoerd dat hij zijn huurderspositie zou hebben overgedragen aan een vennootschap. De gemeente beroept zich op het gezag van gewijsde van het vonnis van 14 december 2006.

4.5. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Weliswaar houdt het eerder tussen partijen gewezen vonnis d.d. 14 december 2006 in dat de hier aan de orde zijnde huurovereenkomst wordt ontbonden, maar kennelijk is daarna de huurovereenkomst ongewijzigd voortgezet. Partijen hebben zich hieromtrent weliswaar niet expliciet uitgelaten, maar het hof leidt dit af uit hetgeen door partijen over en weer in de onderhavige procedure is aangevoerd en uit de inhoud van het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep niet bestreden.

In het tussen partijen gewezen vonnis van 14 december 2006 is in het dictum bepaald: “ontbindt de tussen de Gemeente enerzijds en [appellant] anderzijds bestaande huurovereenkomst betreffende de kantoorruimte met verdere aanhorigheden staande en gelegen te [vestigingsplaats], [vestigingsadres]”

Naar het oordeel van het hof volgt uit dit vonnis van de kantonrechter, dat onherroepelijk is, dat door de kantonrechter is vastgesteld dat op het moment van het wijzen van het vonnis d.d. 14 december 2006 tussen partijen een huurovereenkomst bestond met betrekking tot de onderhavige bedrijfsruimte. Het thans door [appellant] ingenomen standpunt dat hij al sinds 1998 geen huurder meer was van de bedrijfsruimte, is hiermee onverenigbaar. De gemeente heeft zich terecht op het gezag van gewijsde van het vonnis van 14 december 2006 beroepen.

4.6. Het hof voegt hier nog aan toe dat het door [appellant] aangevoerde verweer dat hij al vanaf mei 1998 geen huurder meer was van de bedrijfsruimte, ook om andere redenen niet opgaat.

Voor contractoverneming zoals door [appellant] aan de orde is gesteld, is ingevolge artikel 6:159 lid 1 BW de medewerking van de gemeente nodig. Weliswaar is die medewerking niet aan vormvoorschriften gebonden en kan deze ook stilzwijgend worden verleend, maar wel is noodzakelijk dat de gemeente op de hoogte was van de overdrachten in mei 1998 en augustus 2005. Niet gesteld of gebleken is dat de overdrachten aan de gemeente zijn meegedeeld. De omstandigheid dat aan de gemeente bekend was dat (eerst) Accountantskantoor [Y.] B.V. en (later) [X.] Administratiekantoor B.V. de feitelijke gebruikers van de bedrijfsruimte waren en de huur betaalden, brengt nog niet mee dat de gemeente bekend was met de gestelde contractovernemingen en bereid was daaraan haar medewerking te verlenen. Immers: feitelijk gebruik en huurbetaling door een ander dan de contractuele huurder betekent nog niet dat er sprake is van contractovername.

Dat de gemeente bij huurachterstanden niet [appellant] zou hebben aangesproken maar Accountantskantoor [Y.] B.V. respectievelijk [X.] Administratiekantoor B.V. is door de gemeente gemotiveerd betwist. Zij heeft bij memorie van antwoord brieven overgelegd waaruit het tegendeel blijkt (productie 10 MvA). Bovendien blijkt het tegendeel reeds uit het vonnis van 14 december 2006.

4.7. [appellant] heeft ook nog aangevoerd dat het beroep van de gemeente op het ontbreken van toestemming voor de contractovernamen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht (artikel 6:248 lid 2 BW). Ook dit verweer wordt verworpen omdat door [appellant] niets ter zake dienende is aangevoerd ter onderbouwing van zijn verweer.

4.8. De conclusie is dat de grieven 1 t/m 6 van [appellant] falen.

4.9. Grief 7 heeft betrekking op de toewijzing door de kantonrechter van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW.

Deze grief is terecht aangevoerd. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 mei 1998, dus vóór de invoering van artikel 6:119a BW, zodat dit artikel niet van toepassing is op de onderhavige huurovereenkomst (art. II van de Invoeringswet van 7 november 2002, Stb 2002/545).

Slechts de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is toewijsbaar.

4.10. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover [appellant] is veroordeeld om aan de gemeente een bedrag van € 8.390,41 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 7.066,- vanaf 21 augustus 2009 en in zoverre opnieuw recht doen zoals hierna zal worden vermeld. Het vonnis waarvan beroep zal voor het overige worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] is veroordeeld om aan de gemeente een bedrag van € 8.390,41 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over € 7.066,- vanaf 21 augustus 2009, en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellant] om aan de gemeente een bedrag te betalen van € 7.066,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag waarop [appellant] met de betaling van de achtereenvolgende huurtermijnen in gebreke is gebleven, tot aan de dag van de algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

verklaart de voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van de gemeente op € 694,- voor verschotten en op € 948,- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, W.H.B. den Hartog Jager en I.B.N. Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 december 2011.