Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0705

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
20-001906-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak Guus K.. Op 5 juli 2011 maakt het hof bekend dat één getuige in augustus 2011 middels videoconferentie zal worden gehoord. Door de verdediging wordt uitgebreid pleidooi gevoerd waarbij wordt gereageerd op het tot op heden door het openbaar ministerie gedane onderzoek en een aantal aanvullende onderzoeksverzoeken worden gedaan.

Op 9 september 2011 reageert het openbaar ministerie op het pleidooi van de verdediging van 5 juli 2011. De stand van zaken met betrekking tot de rechtshulpverzoeken die reeds zijn uitgegaan worden besproken. Het hof geeft de beslissingen ten aanzien van de aanvullende onderzoeksverzoeken die zijn gedaan. Het hof wijst het verzoek van het openbaar ministerie om nog een getuige te horen toe en beslist dat door de raadsheer-commissaris omtrent de vertrouwenspersonen een beslissing dient te worden genomen op de vordering van het openbaar ministerie deze getuigen als bedreigde getuigen als bedoeld in artikel 226a Sv aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 5 juli 2011 en 9 september 2011.

Tegenwoordig:

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,

mr. L. Plas, advocaat-generaal,

mr. C.A. Blokx-van Roosmalen en mr. M.F.S. ter Heide, griffiers.

De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1942],

wonende te[woonplaats]

correspondentieadres volgens opgave ter terechtzitting,

[adres]

Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

Het hof hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van dit hof van 12 april 2011 bevond.

De voorzitter deelt mede dat deze regiezitting is bedoeld om de stand van zaken alsmede eventuele nieuw ingekomen verzoeken te bespreken.

Voorts deelt het hof het volgende mede.

Naar aanleiding van het faxbericht van de advocaat-generaal d.d. 24 juni 2011 en de bijlage die bij dat faxbericht was gevoegd, heeft het hof een rechtshulpverzoek doen uitgaan naar Polen met het verzoek om wederzijdse hulp te verlenen, bestaande uit het horen van [getuige] middels videoconferentie, bij voorkeur op 10 of 12 augustus 2011. Met de procesdeelnemers is over die datum overleg gecommuniceerd. Zowel de verdediging als het openbaar ministerie is in staat om op één van die dagen beschikbaar te zijn voor dat verhoor. Dat verhoor zou dan door de raadsheer-commissaris moeten plaatsvinden, zijnde een van de leden van het hof. In dit geval is de voorzitter aangewezen als raadsheer-commissaris.

Het eerste faxbericht van de raadsvrouwe van 1 juli 2011 aan de advocaat-generaal houdt onder meer in dat de verdediging verzoekt als getuigen te horen [naam], [naam] en [naam]. Het hof beschikt sinds enige tijd over het dossier in digitale vorm. De opgegeven namen zijn aan dit digitale dossier toevertrouwd. Daaruit bleek dat de tweede persoon is genaamd [naam] en dat de derde persoon is genaamd [naam]

De raadsvrouwe bevestigt dat de door de voorzitter genoemde namen juist zijn.

De voorzitter deelt voorts het volgende mede.

Het hof neemt aan dat de raadsvrouwe dit verzoek nader zal toelichten. Bij het faxbericht waren de verklaringen van [getuige], [getuige] en [getuige] als bijlagen gevoegd. Het hof heeft gezien dat de rechtbank ’s-Gravenhage op 17 maart 2006 het verzoek om deze personen als getuige te horen heeft afgewezen.

Het is voor het hof niet volledig zichtbaar hoe de raadsheer-commissaris, niet zijnde een van de raadsheren die over de zaak zal oordelen, opereert en in welk stadium zijn werkzaamheden zich bevinden. Dat is enkel zichtbaar door de afschriften van correspondentie die het hof van de procesdeelnemers ontvangt. Het hof heeft begrepen dat het voornemen is om de schouwen in de eerste week van oktober te laten plaatsvinden. Het hof neemt aan dat zulks bij het openbaar ministerie en de verdediging bekend is.

De advocaat-generaal merkt het volgende op.

P.M.

Vervolgens voert de raadsvrouw het woord overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnotities, die aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

P.M.

De voorzitter deelt mede dat het hof het onderzoek zal onderbreken voor beraad over de voortgang van de zitting.

P.M.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.

Gelet op het gevorderde tijdstip en het feit dat niet de vaste advocaat-generaal aanwezig is, is het hof van oordeel dat de tweede instantie met betrekking tot deze verzoeken op een later tijdstip moet plaatsvinden. Dat betekent dat het openbaar ministerie op een volgende zitting, te weten: op 9 september 2011, de gelegenheid krijgt om te reageren op het uitgebreide pleidooi van de verdediging. Als de verdediging naar aanleiding van de stukken die door het openbaar ministerie zijn overgelegd, nog vragen of verzoeken heeft, dan kan zij die schriftelijk tijdig voor de nadere rechtsdag kenbaar maken. Het punt dat de raadsvrouw nog meende te moeten opmerken, kan eveneens tijdig tevoren schriftelijk worden aangegeven. De verdediging krijgt ook de gelegenheid om te reageren op de reactie van het openbaar ministerie.

Er is echter nog één punt dat de verdediging heeft aangevoerd, namelijk het verhoren van de Poolse getuige.

P.M.

Daarop onderbreekt de voorzitter het onderzoek tot de terechtzitting van 9 september 2011 om 09.30 uur met aanzegging aan de verdachte en de raadsvrouw om alsdan zonder nadere oproeping c.q. kennisgeving ter terechtzitting te verschijnen.

Het hof hervat op 9 september 2011 in dezelfde samenstelling het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de onderbreking op 5 juli 2011.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1942],

wonende te [woonplaats],

correspondentieadres volgens opgave ter terechtzitting,

[adres]

Als raadsvrouw van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

Het hof hervat het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van dit hof van 5 juli 2011 bevond.

De voorzitter deelt mede dat deze regiezitting is bedoeld als voortzetting van de regiezitting van 5 juli 2011. Op 5 juli 2011 is op het einde van de dag, nadat door de raadsvrouw het woord was gevoerd, door de voorzitter aangekondigd dat de zitting zal worden onderbroken, dat het openbaar ministerie en vervolgens de verdediging gelegenheid hebben om schriftelijk te reageren en dat deze regiezitting heden afgerond zal worden waarbij zowel het openbaar ministerie als de verdediging gelegenheid hebben om nadere opmerkingen te maken over de door hen ingediende stukken.

P.M.

De voorzitter deelt hierop het volgende mede.

Het hof zal de procesdeelnemers nu in de gelegenheid stellen te reageren op de nieuwe stukken die aan het dossier zijn toegevoegd, zoals zojuist zijn voorgehouden. Het hof zal daarna het onderzoek onderbreken en in raadkamer gaan beraadslagen over de onderzoeksverzoeken van het openbaar ministerie en de verdediging die thans voorliggen. Het hof zal de beslissingen vervolgens in de loop van de dag ter openbare terechtzitting uitspreken, waarna het onderzoek zal worden geschorst. De beslissingen zullen tevens in het proces-verbaal van de terechtzitting van vandaag worden opgenomen, welk proces-verbaal zo spoedig mogelijk na heden zal worden verstrekt aan het openbaar ministerie en de verdediging.

De advocaat-generaal merkt het volgende op.

P.M.

De raadsvrouw merkt het volgende op.

P.M.

De voorzitter deelt het volgende mede.

Het hof heeft in de loop van dit voorjaar het dossier volledig laten digitaliseren. Het is een bestand geworden van ongeveer 37 gigabite. Ik heb intern besproken of het hof dit digitale dossier ter beschikking kan stellen aan de verdediging en het openbaar ministerie. De leiding van het hof heeft mij mede gedeeld dat dit dossier om niet ter beschikking kan worden gesteld aan de verdediging en het openbaar ministerie. Het digitale dossier zal nog aangevuld worden met de laatste binnen gekomen schriftelijke stukken en dan zal het hof contact opnemen met de procesdeelnemers ten einde een afspraak te maken over de realisatie van de overdracht van het digitale dossier. Het originele papieren dossier blijft echter steeds de basis van het onderzoek.

Het hof zal het onderzoek ter terechtzitting zo dadelijk onderbreken en in raadkamer gaan beraadslagen over de verzoeken van de verdediging en het openbaar ministerie. In de loop van de dag zal het hof het onderzoek hervatten en de beslissingen bekend maken. Het hof is voornemens om half december een nieuwe regiezitting te plannen. De exacte datum zal in het proces-verbaal van de zitting opgenomen worden. De griffier zal over de beschikbaarheid op deze datum (vooraf) contact opnemen met de advocaat-generaal en de raadsvrouw.

Hierop onderbreekt de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

Het hof hervat om 11.45 uur het onderzoek in dezelfde samenstelling.

Verdachte en zijn raadsvrouw zijn niet meer aanwezig.

De voorzitter deelt het volgende mede.

Het hof zal thans zijn beslissingen geven op de ter terechtzitting van 5 juli 2011 door de advocaat-generaal en de verdediging gedane aanvullende verzoeken.

Het hof zal de beslissingen op de verzoeken geven aan de hand van de pleitnota d.d. 5 juli 2011, waarbij de verzoeken door de verdediging zijn gerubriceerd onder de paragrafen 1 tot en met 4.

Ten aanzien van de verzoeken onder paragraaf 1 (pagina’s 1-10 van de pleitnota)

1.

Door de verdediging is een aantal verzoeken gedaan die verband hebben met de schouw. Het hof is van oordeel dat deze verzoeken niet op de juiste plaats zijn ingediend nu deze verzoeken moeten worden gedaan bij de raadsheer-commissaris, niet zijnde één van de raadsheren die over deze zaak oordelen. Deze raadsheer-commissaris heeft ter terechtzitting van 1 februari 2011 van het hof de opdracht gekregen een schouw te verrichten. Het hof heeft daarbij aangegeven dat het openbaar ministerie en de verdediging een persoon kunnen opgeven die aanwezig zal zijn bij deze schouw. Het hof heeft ter terechtzitting van 12 april 2011 het verzoek deze door het openbaar ministerie en de verdediging nader te noemen personen die aanwezig kunnen zijn bij de schouw, als getuige te horen toegewezen.

Het is aan de raadsheer-commissaris om te beoordelen of deze personen binnen de verwijzingsopdracht vallen.

Gelet op het vorenstaande kan het hof de verdachte in zoverre niet ontvangen in het verzoek. Het hof zal daarom geen beslissing nemen op de verzoeken die door de verdediging onder paragraaf 1 van de pleitnota zijn opgenomen, nu het hof van oordeel is dat de raadsheer-commissaris die de schouw zal gaan verrichten voor deze verzoeken het aangewezen forum is.

2.

Voor zover het verzoek om de getuigen [getuige], [getuige] en [getuige] te horen als zelfstandig, niet met de schouw verwant, verzoek moet worden aangemerkt, is het hof van oordeel dat van de noodzaak tot het horen van deze personen thans onvoldoende is gebleken, in het bijzonder gelet op het feit dat de schouw nog niet heeft plaatsgevonden en de resultaten hiervan derhalve thans nog niet bekend zijn.

Het verzoek zal daarom in zoverre worden afgewezen.

3.

Ten aanzien van het verzoek het NFI middels een reconstructie een aantal beweringen te laten toetsen overweegt het hof dat ook van die reconstructie naar het oordeel van het hof de noodzaak thans onvoldoende is gebleken, eveneens gelet op het feit dat de schouw nog niet heeft plaatsgevonden. Het verzoek wordt daarom in zoverre afgewezen.

Ten aanzien van de verzoeken onder paragraaf 2 (pagina’s 11-18 van de pleitnota)

4.

De raadsvrouw heeft het verzoek gedaan de vertrouwenspersonen op naam te horen en het verzoek van het openbaar ministerie om deze personen als bedreigde getuige te horen af te wijzen.

Het hof heeft ter terechtzitting van 12 april 2011 het verzoek van het openbaar ministerie om 3 maanden de tijd te krijgen om onderzoek te doen naar de veiligheidsrisico’s die het bekend maken van de personalia van de vertrouwenspersonen met zich brengen, toegewezen. Als resultaat van dit onderzoek is een proces-verbaal d.d. 8 juni 2011 opgemaakt door de

CIE-officier van justitie en heeft het openbaar ministerie het hof ter zitting van 5 juli 2011 verzocht de opdracht om de personalia van de vertrouwenspersonen bekend te maken te heroverwegen.

Het hof zal het openbaar ministerie in de gelegenheid stellen ten aanzien van deze personen een vordering ex artikel 226a van het Wetboek van Strafrecht in te dienen bij de raadsheer-commissaris, niet zijnde één van de raadsheren die over deze zaak beslist.

Het hof zal hiertoe de stukken in handen stellen van de raadsheer-commissaris. Zodra de raadsheer-commissaris heeft beslist over de status van deze getuigen, zal het hof zich ter terechtzitting opnieuw beraden. In geval de vordering ex artikel 226a Sv wordt toegewezen houdt dat in dat het hof ter terechtzitting zal beslissen waaromtrent de getuigen dienen te worden bevraagd. De huidige verwijzingsopdracht behelst derhalve uitsluitend de vraag of deze getuigen als bedreigde getuigen als bedoeld in artikel 226a Sv kunnen worden aangemerkt en niet de opdracht om deze personen als getuigen inhoudelijk te horen.

5.

Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige] en [getuige] af. Naar het oordeel van het hof is, gelet op hetgeen daartoe door de verdediging is aangevoerd, thans niet van de noodzaak tot het horen van deze personen gebleken, in het bijzonder niet gelet op het feit dat de getuige [getuige], de persoon waar deze getuigen mee in verband worden gebracht, nog niet gehoord is.

Ten aanzien van de verzoeken onder paragraaf 3 (pagina’s 18-19 van de pleitnota)

6.

Het openbaar ministerie heeft ten aanzien van de immuniteiten de eerdere vragen die hierover door de verdediging zijn gesteld beantwoord alsmede een schriftelijke bevestiging gevraagd van het SLT. Het antwoord daarop is een schrijven van 3 juni 2011, welk schrijven als bijlage is gevoegd bij een stuk van de advocaat-generaal van 23 juni 2011, welk stuk aan de verdediging is verstrekt en aan het dossier is toegevoegd. Het hof acht het gelet hierop thans niet noodzakelijk om nieuwe verzoeken met betrekking tot verleende immuniteiten toe te staan.

Ten aanzien van de verzoeken onder paragraaf 4 (pagina’s 19-21 van de pleitnota)

7.

Het verzoek van het openbaar ministerie om [getuige] (32) als getuige te horen wijst het hof toe.

8.

Door de verdediging zijn een aantal vragen en verzoeken geformuleerd die betrekking hebben op deze getuige. Deze vragen kunnen naar het oordeel van het hof een rol spelen bij de ondervraging van deze getuige zodat het hof het thans niet noodzakelijk acht om een beslissing te geven op deze vragen en verzoeken. De vertrouwenspersoon die deze [getuige] heeft aangebracht zou één van de eerder besproken vertrouwenspersonen zijn. Het hof sluit zich aan bij de stelling van het openbaar ministerie dat deze vertrouwenspersoon ook ten aanzien van [getuige] gehoord kan worden.

Ten aanzien van de subsidiaire verzoeken onder paragraaf 4 (pagina 21 van de pleitnota)

Voor zover het hof het verzoek tot het horen van [getuige] zou toewijzen, heeft de verdediging verzocht deze vertrouwenspersoon, de betreffende CIE-medewerker, buurtbewoners en andere concessiehouders te horen.

9.

Het hof heeft reeds beslist dat de vertrouwenspersoon dient te worden gehoord. Of deze persoon al dan niet als bedreigde getuige wordt gehoord is nog niet bekend.

10.

Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de CIE-medewerker, de buurtbewoners en andere concessiehouders is het hof van oordeel dat dit verzoek dient te worden afgewezen, nu van de noodzaak tot het horen van deze personen thans niet is bleken. In het bijzonder niet gelet op het feit dat de getuige [getuige] nog niet is gehoord.

Ten aanzien van de verzoeken van de raadsvrouw in de fax d.d. 8 september 2011

11.

De raadsvrouw heeft vandaag ter terechtzitting een toelichting gegeven op een aantal door haar in een brief van 8 september 2011 aan de advocaat-generaal gestelde vragen en het hof verzocht deze verzoeken als ter zitting herhaald en ingelast te beschouwen.

De advocaat-generaal heeft vandaag toegezegd deze vragen schriftelijk te zullen beantwoorden. Gelet daarop acht het hof het thans niet noodzakelijk nader op deze verzoeken in te gaan.

Voorafgaande aan de laatste hervatting van het onderzoek, heeft de griffier contact opgenomen met de advocaat-generaal en de secretaresse van de raadsvrouw over de voorgenomen nieuwe zittingsdatum, te weten 6 december 2011. Zij hebben beiden te kennen gegeven dat deze datum schikt.

Het hof zal de behandeling van de zaak schorsen tot de terechtzitting van 6 december 2011 om 13.30 uur. Dan zal de vierde regiezitting plaatsvinden. Het hof brengt de

advocaat-generaal in herinnering dat zodra er informatie bekend is over de getuigen en hun verblijfplaats, het hof het op prijs stelt hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte te worden gebracht. Het hof heeft geconstateerd dat thans een viertal getuigen zijn getraceerd in Liberia. Zodra er vijf tot zes getuigen bekend zijn, zal het hof een rechtshulpverzoek naar Liberia doen uitgaan.

Het hof:

Schorst het onderzoek tot de terechtzitting van 6 december 2011 om 13.30 uur, met bevel tot oproeping van verdachte tegen voormelde datum en tijdstip, en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsvrouw van verdachte.

Stelt de stukken wederom in handen van een raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, niet zijnde een van de raadsheren die over de zaak zal oordelen, met de opdracht om:

a. voort te gaan met de uitvoering van de opdrachten, gegeven ter terechtzitting van

1 februari 2011 en 12 april 2011;

b.Ten aanzien van de vertrouwenspersonen, te beslissen op de vordering van het openbaar ministerie deze getuigen als bedreigde getuigen als bedoeld in artikel 226a Sv aan te merken.

Stelt de stukken in handen van een raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof, zijnde een van de raadsheren die over de zaak zal oordelen, met de opdracht om, naast de reeds toegewezen getuigen, de volgende persoon als getuige te horen:

32. [getuige]

Verstaat dat aanvullende stukken en eventuele aanvullende onderzoekswensen tijdig vóór de nadere rechtsdag van 6 december 2011 ter griffie van dit gerecht zullen worden neergelegd.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffiers is vastgesteld en ondertekend.