Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0681

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
HD 200.081.272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

proceskostenveroordeling; art. 3 wtbz; gelijkluidende processtukken?

Wetsverwijzingen
Wet tarieven in burgerlijke zaken 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.081.272

arrest van de tweede kamer van 27 december 2011

in de zaak van

1. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [A.] TRANSPORT B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.M. Wolfs,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1.],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 december 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 29 september 2010 tussen (onder meer) appellanten - Nationale Nederlanden c.s. - als eiseressen en (onder meer) geïntimeerden – [geintimeerde sub 1.] c.s. - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 120681/HA ZA 07579)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld eindvonnis, het daaraan voorafgaande vonnis van 12 mei 2010 en het daaropvolgende vonnis van 3 november 2010 waarin de rechtbank het verzoek om herstel afwees.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben Nationale Nederlanden c.s. één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot als aan het slot van die memorie omschreven.

2.2. Tegen [geintimeerde sub 1.] c.s. is verstek verleend.

2.3. Nationale Nederlanden c.s. hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grief wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak in hoger beroep nog slechts om het volgende.

4.1.1.Nationale Nederlanden c.s. hebben, samen met zeven andere eisende partijen, [geintimeerde sub 1.] c.s. samen met zes andere gedaagde partijen in rechte betrokken ter zake - kort gezegd - schade welke door eiseressen is geleden veroorzaakt door onrechtmatig handelen van gedaagden, welk onrechtmatige handelen volgens Nationale Nederlanden c.s. bestond in het (gezamenlijk) plegen van ladingdiefstallen, heling van de gestolen lading en aanverwante delicten.

4.1.2.In de procedure in eerste aanleg trad mr. J.J.H.S. Thomassen op als advocaat voor gedaagde sub 5 ([B.]) en voor gedaagden sub 7 en 8, thans geïntimeerden. Gedaagden sub 7 en 8 traden in eerste aanleg gezamenlijk op (in één processtuk, waarin zij samen als partij stonden aangeduid). De rechtbank heeft de vorderingen van Nationale Nederlanden c.s. tegen gedaagde sub 5 toegewezen en tegen gedaagden sub 7 en 8 afgewezen. Ten aanzien van de proceskosten overwoog de rechtbank:

r.o. 4.3: “veroordeelt de gedaagden (..) en sub 5 hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van eiseressen en begroot deze kosten tot op heden op € 226,02 aan kosten voor dagvaarding, € 4.732,00 wegens vast recht, € 5.160,00 voor salaris (2 pnt tarief VII), € 327,06 voor beslagen, € 161,40 voor betekeningen en € 59,99 voor betekening van de dagvaarding aan de derde-beslagene;”

r.o. 4.7: “veroordeelt eiseressen hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van gedaagden sub 7 en sub 8 en begroot deze kosten tot op heden op € 1.136,00 wegens vast recht en € 5.160,00 voor salaris (2 pnt. Tarief VII)”.

4.2.1.Met de grief komen Nationale Nederlanden c.s. op tegen de proceskostenveroordeling in r.o. 4.7 van het beroepen vonnis, hierboven geciteerd. Zij stellen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat [C.] (thans geïntimeerde sub 1) en [D.] (thans geïntimeerde sub 2) bij een en dezelfde advocaat zijn verschenen en dat deze advocaat (mr. J.J.H.S. Thomassen) tevens gedaagde sub 5, [B.] heeft bijgestaan.

4.2.2.Door Nationale Nederlanden c.s. wordt gesteld dat het vast recht in deze zaak in eerste aanleg € 1.136,-- bedroeg en dat dit bedrag door de gedaagden 5, 7 en 8 ieder voor een deel is voldaan.

vast recht

4.3.1.Nationale Nederlanden c.s. stellen zich primair op het standpunt dat het vast recht ten behoeve van [geintimeerde sub 1.] c.s., tot betaling waarvan zij zijn veroordeeld, geheel dient te worden toegerekend aan [B.] (gedaagde sub 5), omdat [B.] is veroordeeld in de proceskosten van Nationale Nederlanden c.s. Subsidiair stellen Nationale Nederlanden c.s. zich op het standpunt dat zij slechts dienen te worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan vast recht van € 758,-, zijnde tweederde van het totale door [geintimeerde sub 1.] c.s. en [B.] samen betaalde bedrag. Uiterst subsidiair stellen zij dat zij slechts dienen te worden veroordeeld tot betaling van hetgeen [geintimeerde sub 1.] c.s. daadwerkelijk hebben voldaan ter zake vast recht, te weten € 1.022,-.

4.3.2.Het hof verwerpt het standpunt dat het gehele door Nationale Nederlanden c.s. te betalen bedrag aan vast recht dient te worden toegerekend aan de in eerste aanleg veroordeelde gedaagde sub 5. Los van de vraag of de gedaagden sub 5 enerzijds en sub 7 en 8 anderzijds bij gelijkluidende conclusies hebben geprocedeerd, - waarover het hof zich hierna in r.o. 4.4.3. zal uitlaten - heeft te gelden dat de uitslag van de procedure in eerste aanleg ten aanzien van gedaagde sub 5 enerzijds en gedaagden sub 7 en 8 anderzijds niet gelijkluidend was. Gedaagde sub 5 ([B.]) is veroordeeld, tegen gedaagden 7 en 8 ([geintimeerde sub 1.] c.s.) is de vordering van Nationale Nederlanden c.s. afgewezen. De rechtbank heeft derhalve terecht, op de voet van art. 237 lid 1 eerste zin Rv, als uitgangspunt genomen dat Nationale Nederlanden c.s. dienen te worden veroordeeld in de proceskosten van [geintimeerde sub 1.] c.s.

4.3.3.Voor wat betreft de hoogte van het bedrag waartoe Nationale Nederlanden c.s. zijn veroordeeld oordeelt het hof als volgt. Uit de eigen stellingen van Nationale Nederlanden c.s. vloeit reeds voort dat de rechtbank, toen de zaak bij haar werd aangebracht, ervan uitgegaan is dat hier, voor wat betreft de bepaling van het vast recht, sprake was van de situatie van (destijds) art. 3 lid 1 wtbz: “Eisers of gedaagden, die bij eenzelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, zijn gezamenlijk slechts eenmaal vast recht verschuldigd.” Gesteld noch gebleken is dat de rechtbank deze aanname naderhand heeft gewijzigd in die zin dat zij, omdat haar zou zijn gebleken dat er toch geen sprake was van gelijkluidende conclusies van deze drie gedaagden, vast recht is gaan bijheffen van een of twee van de gedaagden. Derhalve dient er voor wat betreft het vast recht in beginsel te worden uitgegaan van de situatie als bedoeld in art. 3 lid 1 wtbz.

4.3.4.Eveneens uit de stellingen van Nationale Nederlanden c.s. blijkt dat deze drie gedaagden (samen) aan de verplichting tot betaling van € 1.136, - uitvoering hebben gegeven en dat [B.] met een toevoeging procedeerde (zodat in totaal € 1.136,-- minus het in debet gestelde bedrag aan de griffier van de rechtbank is voldaan). Het in debet gestelde deel is voor de proceskostenveroordeling niet van belang omdat daarbij steeds uitgegaan wordt van het volledige vastrecht.

Nu [B.] in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld en de vorderingen tegen [C.] en [D.] zijn afgewezen, ligt het in de rede dat Nationale Nederlanden c.s. worden veroordeeld tot betaling van twee-derde van het aan deze drie gedaagden gezamenlijk in rekening gebrachte bedrag van € 1.136,--, dat wil zeggen € 757,33.

salaris

4.4.1.Voor wat betreft de veroordeling tot betaling van het salaris advocaat aan de zijde van gedaagden sub 7 en 8 stellen Nationale Nederlanden c.s. primair dat zij geen salaris verschuldigd zijn, nu gedaagde sub 5 is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Nationale Nederlanden c.s., en het gehele door Nationale Nederlanden c.s. aan gedaagden sub 7 en 8 te betalen salaris aan gedaagde sub 5 had moeten worden toegerekend, omdat zij samen optrok met gedaagden sub 7 en 8. Subsidiair stellen Nationale Nederlanden c.s. dat zij slechts dienen te betalen tweederde van het toegekende bedrag van € 5.160,-, is € 3.440,-.

4.4.2.Ook hier doen Nationale Nederlanden c.s. hun stelling steunen op het feit dat de drie gedaagden 5, 7 en 8 in eerste aanleg gedrieën door één advocaat werden bijgestaan, deze advocaat gelijkluidende conclusies heeft genomen en gedaagde sub 5 (hoofdelijk) is veroordeeld in de proceskosten van Nationale Nederlanden c.s.

4.4.3.Naar het oordeel van het hof is er in de onderhavige zaak geen sprake van gelijkluidende conclusies. De opschriften (het voorblad) van zowel de conclusie van antwoord als van de akte houdende uitlating zijn niet identiek nu zij zijn genomen namens respectievelijk “[B.]” en “[C.] e/v [D.]; [D.]”. Weliswaar worden in de respectieve processtukken de partijen steeds in het enkelvoud aangeduid met “[D.]”, maar een vergelijking van die processtukken laat zien dat met name de beide conclusies van antwoord inhoudelijk verschillen vertonen. Voor de akte houdende uitlating geldt dit in mindere mate. De processtukken vertonen overigens ook veel inhoudelijk gelijkluidende alinea’s, maar onvoldoende om van gelijkluidende conclusies te spreken.

Het hof ziet hierin aanleiding om ter zake van salaris advocaat in eerste aanleg uit te gaan van tweederde van het door de rechtbank toegekende bedrag is € 3.440,--, zoals door Nationale Nederlanden c.s. subsidiair is gevorderd.

4.5.1.De grief slaagt derhalve en het beroepen vonnis zal, voor wat betreft de proceskostenveroordeling van Nationale Nederlanden ten gunste van gedaagden sub 7 en 8 worden vernietigd. Het hof zal opnieuw rechtdoen als na te melden. Het hof ziet in de omstandigheid dat de vorderingen van Nationale Nederlanden c.s. in dit hoger beroep ten dele worden toegewezen, aanleiding om in hoger beroep de proceskosten te compenseren.

4.5.2.Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het beroepen eindvonnis van de rechtbank Maastricht van 29 september 2010 tussen Nationale Nederlanden Schadeverzekeringmaatschappij N.V. en [A.] Transport B.V. enerzijds en [C.] en [D.] anderzijds doch slechts voor zover het betreft de proceskostenveroordeling ten laste van Nationale Nederlanden Schadeverzekeringmaatschappij N.V. en [A.] Transport B.V. en ten gunste van [C.] en [D.];

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Nationale Nederlanden Schadeverzekeringmaatschappij N.V. en [A.] Transport B.V. hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van [C.] en [D.], tot op heden begroot op € 757,33 wegens vast recht en € 3.440, - aan salaris advocaat;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 december 2011.