Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0293

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
20-000838-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie; CIE-officier van justitie gaf opdracht aan chef RCIE bepaalde vragen ter terechtzitting niet te beantwoorden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000838-10

Uitspraak : 23 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 februari 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-839154-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

wonende te [woonplaats], [adres].

waarbij verdachte ter zake van ‘poging tot mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn strafvervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij in deze zaak als informant werkzaam is geweest voor verbalisanten van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE). De zich in het politiedossier bevindende uitgewerkte telefoongesprekken moeten in die context begrepen worden. De verdediging heeft op de terechtzitting van 14 oktober 2011 aan het hof verzocht de desbetreffende verbalisanten van de CIE op te roepen als getuige. De advocaat-generaal heeft daarop medegedeeld dat verbalisanten van de CIE in beginsel niet op een openbare terechtzitting worden gehoord en voorgesteld dat de chef RCIE politie Brabant Zuid-Oost als getuige opgeroepen kon worden om over de zaak te verklaren. Het hof heeft - na instemming van de verdediging - de oproeping bevolen van de chef RCIE politie Brabant Zuid-Oost om gehoord te worden als getuige.

Op 23 december 2011 is de getuige [getuige] - chef RCIE politie Brabant Zuid-Oost - ter terechtzitting gehoord. Getuige [getuige] verklaarde van de CIE-officier van justitie de opdracht te hebben gekregen geen vragen te beantwoorden waarvan de beantwoording zou kunnen leiden tot het openbaar worden van de identiteit van informanten.

Daarop heeft de advocaat-generaal uiteindelijk alsnog de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verzocht in de strafvervolging tegen verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het wettelijk stelsel met zich meebrengt dat degene die ter terechtzitting als getuige wordt gehoord gehouden is op alle hem gestelde vragen te antwoorden, behoudens het, zich niet voordoende, geval dat hem het recht toekomt zich te verschonen en hij op dat recht een beroep doet.

De rechter mag vragen stellen die hem dienstig voorkomen en het is aan de rechter voorbehouden ambtshalve, op vordering van de advocaat-generaal of op verzoek van de verdachte te beletten dat door de getuige aan enig gestelde vraag gevolg wordt gegeven.

In onderhavige zaak heeft het openbaar ministerie tevoren aan de getuige de opdracht gegeven bepaalde vragen onbeantwoord te laten.

Het hof heeft vervolgens de getuige opgedragen die vragen te beantwoorden. Na ruggespraak met de CIE-officier van justitie tijdens de onderbreking van de terechtzitting, heeft de getuige verklaard niet bereid te zijn op vragen van het hof te antwoorden.

Deze opdracht van het openbaar ministerie bepaalde vragen onbeantwoord te laten heeft tot gevolg dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

In dit verband is het van belang dat de getuige is opgeroepen mede naar aanleiding van de stelling van de verdediging dat verdachte met de politie (CIE) heeft samengewerkt bij de opsporing van een strafbaar feit en verdachte de in het dossier als belastend opgenomen telefoongesprekken na gesprekken met CIE heeft gevoerd. Het hof is door het ingenomen standpunt van het openbaar ministerie niet in staat de - niet op voorhand als onaannemelijk te beschouwen - stelling van de verdediging te onderzoeken.

Het hof is daarom van oordeel dat het openbaar ministerie overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal niet ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Spooren, griffier,

en op 23 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.