Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0119

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
04-01-2012
Zaaknummer
20-000481-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ6523, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ6523
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van doodslag (in het verkeer) en het verlaten van de plaats van het ongeval tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 jaren.

Causaal verband/redelijke toerekening

Het hof heeft, gezien de inhoud en de conclusies van de deskundigen in zowel hun rapporten als in hun verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep, geen twijfel aan de doodsoorzaak van het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat het slachtoffer is overleden, kort gezegd, aan complicaties die zijn ontstaan als gevolg van een (diep) coma, waarin hij terecht was gekomen als gevolg van een door verdachte veroorzaakt verkeersongeval. De dood van het slachtoffer is dan ook redelijkerwijs toe te rekenen aan het handelen van verdachte.

Opzet

Het hof is van oordeel dat het verdachte kennelijk om het even is geweest of hij de bewuste avond als bestuurder van een personenauto zwakke verkeersdeelnemers, zoals een fietser, aan zou rijden met als gevolg dat die het leven zouden verliezen. Een dergelijk gevolg heeft verdachte kennelijk op de koop toegenomen. Bevestiging daarvan kan worden gevonden in de omstandigheid dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit achter te laten en zonder zich te bekommeren om het slachtoffer, terwijl hij wist dat hij met zijn personenauto een fietser had geraakt. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zich door zijn wijze van rijden willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood van andere verkeersdeelnemers, zoals fietsers (en derhalve ook de dood van het slachtoffer) tot gevolg zou hebben en hij heeft die aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard. Het opzet van verdachte was derhalve (in voorwaardelijke zin) gericht op de dood van het slachtoffer.

Het verweer van de verdediging dat de (voorwaardelijke) opzet op de dood van het slachtoffer niet bewezen kan worden verklaard, omdat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal wilde stellen wordt verworpen. Het hof is van oordeel dat deze stelling juist kan zijn, maar verdachte heeft als bestuurder van een personenauto in een verkeersongeval met een zwakkere verkeersdeelnemer een dergelijk risico niet hoeven afwegen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 7
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/57
EeR 2012, afl. 3, p. 144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000481-10

Uitspraak : 28 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

3 februari 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-700198-09 en 03-500755-09, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf, parketnummer 10-641076-07, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres],

bij welk vonnis verdachte is vrijgesproken van het hem in de zaak onder parketnummer

03-500755-09 ten laste gelegde, en in de zaak onder parketnummer 03-700198-09 is veroordeeld wegens doodslag en overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren en met tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 weken, welke straf is omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Tevens is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het beslag.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij akte rechtsmiddel van 22 september 2010 heeft de officier van justitie het hoger beroep ingetrokken voor zover betrekking hebbend op de in eerste aanleg gevoegde strafzaak onder parketnummer 03-500755-09.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder parketnummer 03-700198-09 is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Maastricht zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 primair en onder 2 ten laste is gelegd en de verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en ten aanzien van feit 1 met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 4 weken zal worden gelast en dat de in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbenden zullen worden teruggegeven. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze conform de beslissing van de rechtbank worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van verdachte in de proceskosten en dat zij voor het overige niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, met verwijzing naar de burgerlijke rechter.

De advocaat-generaal heeft tot slot gevorderd dat het hof bij arrest de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

Namens verdachte is ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Er zou bij verdachte geen sprake zijn geweest van opzet op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1], ook niet in voorwaardelijke zin. Voorts heeft de raadsman het causaal verband betwist tussen het verkeersongeval en het overlijden van [slachtoffer 1] althans betwist dat het overlijden van [slachtoffer 1] redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. Ingeval het hof tot een bewezenverklaring van feit 1 primair of subsidiair komt heeft de raadsman verzocht de door het hof afgewezen getuigen (Botter en Kubat) nader te horen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De raadsman heeft voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen -kort weergegeven- primair de niet-ontvankelijkheid daarvan bepleit en subsidiair verzocht om de vorderingen af te wijzen. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie heeft de raadsman verzocht deze af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen dan wel de gevangenisstraf (gedeeltelijk) om te zetten in een taakstraf. De raadsman heeft tot slot nog een strafmaatverweer gevoerd en zich verzet tegen toewijzing van de vordering tot gevangenneming van verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Hoewel het hof komt tot dezelfde bewezenverklaring als de rechtbank kan het zich op onderdelen -waaronder de strafoplegging- niet met het vonnis waarvan beroep verenigen, om welke reden het hof dat vonnis zal vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 maart 2009 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet als bestuurder van een personenauto, rijdende over de N2, ter plaatse waar de door verdachte bereden weghelft was verdeeld in een linkerrijstrook en een rechterrijstrook en/of ter plaatse waar op die rechterrijstrook een aantal motorrijtuigen voor een in hun richting gekeerd rood licht uitstralend verkeerslicht stil stonden voor een aldaar gelegen voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats, rijdende over die linkerrijstrook, met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats, genaderd en/of is (vervolgens) (een) op de rechterrijstrook van voornoemde N2 stilstaande motorrijtuig(en) links gepasseerd en/of is (vervolgens) in strijd met het voornoemd in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht, die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats overgereden/overgestoken, zulks op het moment dat een fietser, zijnde [slachtoffer 1], doende was die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van rechts naar links over te steken, althans zich op die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats bevond, en/of heeft hij, verdachte, bij nadering van die fietser de snelheid van zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) niet of niet voldoende verminderd en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) niet of niet tijdig tot stilstand gebracht en/of is niet behoorlijk uitgeweken, ten gevolge waarvan een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 maart 2009, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de N2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1], werd gedood, althans waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, -terwijl hij niet beschikte over een geldig rijbewijs ter zake de categorie B-, rijdende over die N2, ter plaatse waar de door verdachte bereden weghelft was verdeeld in een linkerrijstrook en een rechterrijstrook en/of ter plaatse waar op die rechterrijstrook een aantal motorrijtuigen voor een in hun richting gekeerd rood licht uitstralend verkeerslicht stil stonden voor een aldaar gelegen voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats, rijdende over die linkerrijstrook, met hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats, is genaderd en/of (vervolgens) een op de rechterrijstrook van voornoemde N2 stilstaande motorrijtuig(en) links is gepasseerd en/of (vervolgens) in strijd met het voornoemd in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht, die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats is overgereden/overgestoken, zulks op het moment dat een fietser doende was die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, van rechts naar links over te steken, althans zich op die voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats bevond, en/of hij, verdachte, bij nadering van die fietser de snelheid van zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) niet of niet voldoende heeft verminderd en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) niet of niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en/of niet behoorlijk is uitgeweken, waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) en de bestuurder van die fiets, te weten die [slachtoffer 1] voornoemd en/of die fiets;

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2009 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de N2, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 1]) letsel en/of schade was toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs

Op 26 maart 2009 heeft omstreeks 21.15 uur op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de N2, binnen de bebouwde kom van de gemeente Maastricht een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een fietser. De N2 bestaat uit twee van elkaar gescheiden rijbanen en de rijbanen zijn ieder weer verdeeld in twee rijstroken. Dwars over de rijstroken is een stopstreep aangebracht, op enige afstand voor een voetgangers/fietsersoversteekplaats. De plaats van het ongeval was gelegen op de scheiding van de Oranjelaan en de Nassaulaan. Ter plaatse geldt een maximum snelheid voor bestuurders van motorvoertuigen van 50 kilometer per uur. De bestuurder van de fiets is bij het ongeval ernstig gewond geraakt en is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Een aantal getuigen vertelden dat de fietser was aangereden door een grijze Peugeot 308, kenteken [kenteken].

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 26 maart 2009 omstreeks 21.25 uur in haar personenauto over de N2 reed in de richting van Luik en dat zij zag dat de verkeerslichten ter hoogte van de Nassaulaan rood licht uitstraalden. Voor de verkeerslichten stond een vrachtauto stil en daarachter stond nog een andere personenauto. [getuige 1] is achter deze personenauto stil gaan staan. Vervolgens zag zij dat een personenauto op de linkerrijstrook langs reed in de richting van de verkeerslichten die nog steeds rood licht uitstraalden en dat deze personenauto zonder snelheid te verminderen door reed. Zij zag de remlichten van die auto niet oplichten. De auto maakte opeens een slingerende beweging en reed door in de richting van België. Daarna zag ze een persoon op de rijbaan liggen.

Tevens heeft ze verklaard dat de personenauto van het merk Peugeot met hoge snelheid reed en met dezelfde snelheid door het op rood staande licht reed.

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij die avond bijrijder was in de auto van de getuige [getuige 1]. Zij heeft verklaard dat de verkeerslichten bij de oversteekplaats voor voetgangers en fietsers in hun richting rood licht uitstraalden. Voor die oversteekplaats stond als eerste voertuig een vrachtauto stil. Achter die vrachtauto stond nog een personenauto stil. De vrachtauto was helemaal gesloten. Op het moment dat ze bemerkte dat [getuige 1] ging afremmen om haar auto achter de personenauto tot stilstand te brengen, werden ze gepasseerd door een auto die over de linker rijstrook met flinke snelheid voorbij kwam rijden. Ze heeft geen remlichten van die auto zien oplichten. Zij heeft ook verklaard dat de auto, nadat ze iets “zwarts” (wat later een jongen bleek te zijn) door de lucht zag vliegen, naar rechts uitweek, vervolgens weer naar links ging en met onverminderde snelheid doorreed.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op 26 maart 2009 tussen 21.15 uur en 21.20 uur zag dat er voor de voetgangersoversteekplaats aan de Nassaulaan (het hof begrijpt: in Maastricht) een vrachtauto stilstond en dat zij langzaam richting die vrachtauto is gereden. Vervolgens werd zij links gepasseerd door een personenauto, merk Peugeot, die met grote snelheid in de richting van Luik reed en het rode licht bij de oversteekplaats negeerde. Zij zag dat van rechts een fietser de oversteekplaats opreed en voor de vrachtauto langs reed. Direct daarna hoorde zij een harde klap. Zij zag dat de Peugeot zonder te stoppen doorreed in de richting van Luik. Ze heeft niet gezien dat de auto voor de oversteekplaats afremde.

Op de plaats van het ongeval is een kentekenplaat gevonden met het kenteken [kenteken]. Dit kenteken was afgegeven voor een Peugeot 308 en het kenteken stond op naam van [naam] te [plaats]. De betreffende auto is op 27 maart 2009 aangetroffen te Mesch met zware schade aan de rechterzijde van de voorruit en het glazen dakdeel. Brokstukken van de auto die op de plaats delict zijn aangetroffen bleken te passen op de aangetroffen auto. Laatstgenoemde auto was met zekerheid betrokken bij het verkeersongeval op de N2 ter hoogte van de oversteekplaats voor fietsers en voetgangers op de Nassaulaan te Maastricht op 26 maart 2009 omstreeks 21.20 uur.

Uit de VerkeersOngevalAnalyse (VOA) volgt dat de Peugeot met de voorzijde rechts tegen de linkerflank van de fiets is gebotst en dat door de kracht van de botsing de bestuurder van de fiets los van zijn fiets is gekomen en in aanraking is gekomen met de motorkap, de voorruit en het glazen panoramadak van de Peugeot. De fiets kwam deels op de voorbumper en op de motorkap van de Peugeot terecht. De fietser is vervolgens ten val gekomen op het wegdek. Er zijn geen gebreken of bijzonderheden opgemerkt met betrekking tot de verkeersregelinstallatie, de toestand van het wegdek en de weersgesteldheid. Blijkens de VOA had het ongeval niet kunnen plaatsvinden indien de bestuurder van de Peugeot zijn voertuig voor de stopstreep, in navolging van het voor hem geldende verkeersteken, in casu een rood verkeerslicht, terwijl het licht voor de fietser groen licht uitstraalde, tot stilstand had gebracht. Uit het onderzoek naar het schadebeeld van de personenauto en na vergelijking hiervan met het schadebeeld van de fiets, kan worden afgeleid dat de personenauto op het moment van het ongeval niet (hard) remde, immers bij een remming zou sprake zijn geweest van het dompen van het voertuig waardoor de voorzijde van het voertuig naar beneden zou zijn bewogen en de delen waarop schade op de voorzijde van de auto is geconstateerd zouden zich (het hof begrijpt: in dat geval) op een lagere hoogte hebben bevonden.

Bij de raadsheer-commissaris heeft verbalisant [verbalisant] het vorenstaande over het “dompen” bevestigd. Voorts heeft hij verklaard dat uit remproeven is gebleken dat de Peugeot bandensporen zou hebben achtergelaten op het wegdek bij een noodremming en dat dergelijke bandensporen ter plaatse niet zijn aangetroffen. Hij heeft hieruit en uit de getuigenverklaringen afgeleid dat de bestuurder van de Peugeot met een (het hof begrijpt: met een aan) zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kort voor of op het moment van de botsing niet heeft geremd.

Blijkens informatie van het transportbedrijf [bedrijf] was de Peugeot 308 met kenteken [kenteken] verhuurd aan [persoon] en was als tweede bestuurder de naam van verdachte opgegeven.

Verdachte werd door de politie gesignaleerd en heeft zich op 28 maart 2009 gemeld bij het politiebureau in Rotterdam, alwaar hij werd aangehouden. De verdachte heeft bij de politie - na enige tijd - bekend dat hij op 26 maart 2009 ’s avonds als bestuurder van de Peugeot 308 op de weg richting Eijsden/Luik een fietser heeft aangereden. Hij heeft daaromtrent voorts het volgende verklaard:

“Ik had haast want ik had een afspraak. Ik sloeg linksaf de autosnelweg op richting Luik en nam gelijk de linker rijstrook. Ik rij (het hof begrijpt: rijd) daar eigenlijk altijd door rood omdat daar eigenlijk nooit lopend of fietsend verkeer ’s avonds is. Toen ik op het rechte stuk reed zag ik dat het verkeerslicht op rood stond. Op de rechterrijstrook stond voor de stopstreep een vrachtwagen stil. Ik kon daardoor niet zien wat er uit het gat kwam. Ik bedoel daarmee dat er rechts langs de autosnelweg een muur is met een opening waar fietsers en voetgangers door kunnen. Ik reed zeker 60 kilometer per uur. Ik weet dat je daar maar 50 kilometer per uur mag rijden maar ik had haast.

Op het moment dat ik voorbij de vrachtwagen reed kwam die fietser opeens plotseling van rechts. Die fietser wilde van mij uit gezien van rechts naar links de weg oversteken. Met de rechter voorzijde van mijn auto raakte ik die fietser. De fietser viel rechts op de voorruit van mijn auto. Ik hoorde een klap toen ik tegen die fietser aan reed. Nadat ik de fietser heb aangereden ben ik doorgereden. Ik ben niet gestopt. Ik besefte dat ik tegen een fietser aangereden was. Ik ben vervolgens met zeer hoge snelheid de autoweg vervolgd.

Ik dacht wel dat hij (het hof begrijpt: de fietser) gewond zou zijn.”

Wanneer verdachte wordt ondervraagd over zijn stelling dat hij door het rode licht is gereden omdat er ’s avonds nooit lopend of fietsend verkeer oversteekt op de plaats van het ongeval, antwoordt hij op de vraag of hij nooit bang is dat het fout kan gaan: ”ja, daar denk ik wel aan maar op dat moment was de haast belangrijker”.

Daarnaast heeft hij de vraag of hij de verkeersregels kent ontkennend beantwoord, maar wel heeft hij verklaard dat hij weet dat een rood uitstralend verkeerslicht betekent dat je moet stoppen en dat je niet door rood mag rijden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bevestigd dat hij op 26 maart 2009 haast had en dat hij een afspraak had en dat hij daarom door rood is gereden. Tevens heeft hij verklaard dat hij bekend was met de plek waar het ongeval plaatsvond en dat hij wist dat daar een oversteekplaats was. Verdachte heeft desgevraagd erkend dat hij niet over een rijbewijs beschikt en dat hij nooit rijlessen heeft gevolgd. Hij stelt vijf of zes keer te zijn aangehouden door de politie voor rijden zonder rijbewijs.

Het slachtoffer, de bestuurder van de fiets, genaamd [slachtoffer 1], is ongeveer twee maanden na het verkeersongeval, te weten op 29 mei 2009, overleden. Omtrent de doodsoorzaak van het slachtoffer zijn diverse rapporten door deskundigen opgesteld.

Uit het rapport van de forensisch geneeskundige Poettgens volgt dat het slachtoffer zeer ernstig hersenletsel had opgelopen en dat dit letsel een direct gevolg is geweest van het verkeersongeval. De medische voorgeschiedenis van het slachtoffer was blanco, met name voor wat betreft hersenaandoeningen. Tijdens het verblijf in het ziekenhuis en ook tijdens het verblijf in het verpleeghuis hebben zich bij het slachtoffer regelmatig complicaties voorgedaan in de vorm van koortsperioden, waarvoor afwisselend urine- en luchtweginfecties verantwoordelijk waren. Het slachtoffer is overleden als gevolg van een complicatie die veroorzaakt is door de fysieke gevolgen van dit hersenletsel, aldus de deskundige Poettgens.

De arts en patholoog Maes heeft een pathologisch onderzoek gedaan naar de oorzaak van de dood van [slachtoffer 1] en naar hetgeen verder van belang mocht blijken. Zij heeft daarbij

-naast haar eigen bevindingen- het verslag van het onderzoek naar het medisch dossier van het slachtoffer door forensisch arts Botter en de bevindingen van neuropatholoog dr. Kubat betrokken. Op basis hiervan komt zij tot de conclusie dat:

“het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van coma na oplopen van uitwendig inwerkend geweld op het lichaam.”

en tot de navolgende resultaten:

Door de aanrijding is het slachtoffer in coma is geraakt. Er was een ernstige luchtweginfectie met pusophoping in zowel de bovenste als onderste luchtwegen.

Er was een longontsteking rechts met tekenen van bloedvergiftiging, hetgeen het indirecte gevolg was van het coma waarbij onder andere als gevolg van afwezige/verminderde hoestreflex ziekmakende bacteriën zich in de luchtwegen kunnen ophopen. De longontsteking heeft geleid tot beginnende bloedvergiftiging en het overlijden kan zondermeer hierdoor worden verklaard. Bij het neuropathologisch onderzoek werden ernstige afwijkingen in de hersenen gevonden die deels te herleiden waren tot opgetreden ernstig zuurstofgebrek en deels het direct gevolg (het hof begrijpt: waren) van traumatische schade van de hersenen. Door beschadiging van de hersenstam en functiestoornissen van het daar gelegen ademhalingscentrum kan ademstilstand zijn opgetreden met als gevolg zuurstofgebrek in de hersenen. De gevonden hersenafwijkingen kunnen het optreden van het coma goed verklaren. Er bestaat hier een directe relatie tussen de aanrijding, het optreden van het coma en het overlijden.”

Beide deskundigen zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord.

De deskundige Maes heeft herhaald dat het overlijden het directe gevolg was van een diepe coma waarin [slachtoffer 1] zich bevond. De vraag van de voorzitter of zij haar conclusie handhaaft dat het in coma raken en uiteindelijk vanwege zuurstofgebrek overlijden een direct gevolg van de aanrijding is geweest, heeft zij bevestigend beantwoord. De vraag van de raadsman van verdachte of het mogelijk is dat aan het overlijden van het slachtoffer andere oorzaken ten grondslag hebben gelegen, heeft zij ontkennend beantwoord.

De deskundige Poettgens heeft desgevraagd verklaard dat het slachtoffer als gevolg van een ontstekingsproces, dat is ontstaan vanwege zijn verminderde conditie en het verminderde bewustzijn, is overleden. Door het hersenletsel is het slachtoffer in een zodanige toestand geraakt dat hij bijna vegeteerde. In dat geval loopt men meer risico om allerlei infecties op te lopen en dat is bij het slachtoffer ook gebeurd. Er is een duidelijk oorzakelijk verband tussen het ongeval op 26 maart 2009 en het overlijden van het slachtoffer, aldus de deskundige Poettgens. Het hersenletsel was te wijten aan het ongeval en het slachtoffer is als gevolg van fysieke complicaties van dat hersenletsel overleden. In geval van een coma zou het een uitzondering zijn als de genoemde complicaties die zijn opgetreden zich niet zouden voordoen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Causaal verband/redelijke toerekening

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de aanrijding op 26 maart 2009 en het overlijden van [slachtoffer 1] althans dat het overlijden van laatstgenoemde redelijkerwijs niet aan verdachte kan worden toegerekend, zodat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de deskundigen hun eigen standpunten ondergraven door niet voldoende duidelijk en bij vlagen zelfs inhoudelijk tegenstrijdig te zijn en pertinent één of meerdere slagen om de arm te houden (pagina 2 pleitnota). De onderzoeken van de deskundigen kunnen niet tot het bewijs worden gebezigd althans (zo begrijpt het hof) geldt dat in ieder geval voor het onderzoek van de deskundige Maes. De raadsman stelt zich voorts op het standpunt dat er onduidelijkheden bestaan over de doodsoorzaak van het slachtoffer en wijst daarbij op de omstandigheid dat er een drukschroef bij het slachtoffer is geplaatst hetgeen tot complicaties geleid zou kunnen hebben en op een medische misser die gemaakt zou zijn bij de plaats van de behandeling van het slachtoffer. Tot slot heeft de raadsman verzocht om, indien het hof hem niet zou volgen in de door hem bepleite gehele vrijspraak, het onderzoek te heropenen teneinde de getuigen (het hof begrijpt: deskundigen) Botter en Kubat nader te horen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

i. De deskundigenrapporten

Het hof deelt de visie van de raadsman omtrent de inhoud en conclusies van de deskundigenrapporten, als hiervoor weergegeven, niet. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het deskundigenrapport van arts en patholoog Maes van 1 december 2009 voldoende duidelijk is. Op basis van haar eigen bevindingen, het verslag van het ziekteverloop door forensisch arts Botter en de bevindingen van neuropatholoog Kubat, heeft zij heldere conclusies getrokken. Deze conclusies stemmen overeen met de interpretatie van de medische gegevens en conclusie die forensisch geneeskundige Poettgens in zijn rapport van 8 oktober 2009 heeft weergegeven. Het hof acht ook het laatstgenoemd rapport helder en duidelijk.

Het hof heeft geen aanleiding gevonden om te concluderen dat de deskundigenonderzoeken onvolledig zijn geweest en dat de conclusies niet voldoende onderbouwd zijn.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de deskundige Maes nog verklaard dat zij nooit een doodsoorzaak met 100% zekerheid kan vaststellen, omdat het om een menselijk lichaam gaat, maar dat zij bij dit slachtoffer een dodelijke en ziekelijke afwijking heeft gevonden waarmee het overlijden zonder meer te verklaren was en dat zij geen andere ziekelijke afwijkingen heeft kunnen vaststellen.

Zowel de deskundige Maes als de deskundige Poettgens hebben ter terechtzitting in hoger beroep duidelijk en onomwonden herhaald dat het overlijden van [slachtoffer 1] een direct gevolg van de aanrijding is. Over hetgeen de raadsman heeft aangevoerd betreffende het deskundigenrapport van dr. Kubat stelt het hof vast dat dit berust op verkeerde lezing van het rapport. De deskundige Maes heeft, zoals hiervoor reeds overwogen, de bevindingen van onder meer Kubat bij haar rapport betrokken en zij heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat haar rapport en dat van neuropatholoog Kubat ten aanzien van de bevindingen van laatstgenoemde één op één overeenstemmen. Het hof leidt hieruit af dat zowel Kubat als Maes uiteindelijk tot dezelfde conclusies zijn gekomen.

Het hof ziet, gelet op vorenstaande, geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en de conclusies van Maes en Poettgens, zoals verantwoord in hun deskundigenrapporten en evenmin aan de inhoud van hun verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof verwerpt het verweer in zoverre.

ii. Doodsoorzaak slachtoffer

Uit het hiervoor onder i overwogene, in samenhang bezien met de tot het bewijs gebezigde inhoud en de conclusies van de deskundigen in zowel hun rapporten als in hun verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep, volgt reeds dat het hof geen twijfel heeft aan de doodsoorzaak van [slachtoffer 1]. Het hof is van oordeel dat [slachtoffer 1] is overleden, kort gezegd, aan complicaties die zijn ontstaan als gevolg van een (diep) coma, waarin hij terecht was gekomen als gevolg van een door verdachte veroorzaakt verkeersongeval.

De dood van [slachtoffer 1] is dan ook redelijkerwijs toe te rekenen aan het handelen van verdachte.

Het hof verwerpt het verweer ook op dit punt.

iii. Een mogelijk alternatief scenario

Het hof stelt eerstens vast dat het de stellingen van de raadsman op dit punt als niet afdoende onderbouwd aanmerkt. Met betrekking tot de drukschroef heeft de raadsman immers gesteld dat niet bekend is hoe deze is geplaatst en dat onbekend is of daar complicaties uit voort kunnen vloeien. Omtrent de plaats waar het slachtoffer is behandeld wordt volstaan met de enkele stelling dat er sprake was van een “ontegenzeggelijke medische misser”, dit zonder nadere uitleg.

Ten overvloede overweegt het hof dat ook in het geval er sprake zou zijn geweest van een medische fout in de behandeling van [slachtoffer 1] als door de raadsman veronderstellenderwijs opgeworpen -waarvoor het hof evenwel geen begin van aannemelijkheid in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft aangetroffen- het overlijden van [slachtoffer 1] redelijkerwijs aan verdachte toe te rekenen is. De causaliteitsketen zou daardoor niet doorbroken worden.

Bezien tegen deze achtergrond ziet het hof geen enkele reden om het onderzoek te heropenen teneinde de deskundigen nader te horen omtrent de door de raadsman aangevoerde kwesties. Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman wordt derhalve afgewezen. Verdachte is hierdoor redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.

Opzet verdachte

De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of verdachte opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd volgt -onder meer- dat:

- verdachte op 26 maart 2009, zonder dat hij over een rijbewijs beschikte en zonder dat hij eerder rijlessen had gevolgd en nadat hij meermalen in aanraking was geweest met politie en justitie wegens het rijden zonder rijbewijs, als bestuurder van een personenauto is opgetreden;

- verdachte de verkeersregels niet kende, maar wel wist dat hij voor een rood verkeerslicht moest stoppen;

- verdachte bekend was met de situatie ter plaatse omdat hij daar al vaker was geweest, wist dat daar een voetgangers- en fietsersoversteekplaats was en daar eigenlijk altijd door het rood reed;

- verdachte die bewuste avond heeft gezien dat het verkeerslicht voor hem rood licht uitstraalde;

- hij heeft gezien dat er op de rechterrijstrook een vrachtwagen stil stond en zijn zicht op de oversteekplaats werd belemmerd door die vrachtwagen;

- verdachte desondanks niet voor het rode verkeerslicht is gestopt en zonder zijn rempedaal in te trappen, met een aanzienlijke snelheid, in ieder geval met een snelheid die te hard was om tijdig zijn voertuig tot stilstand te kunnen brengen, is doorgereden omdat hij haast had en naar een afspraak wilde;

- wanneer verdachte wordt ondervraagd over zijn stelling dat hij door het rode licht is gereden omdat er ’s avonds nooit lopend of fietsend verkeer oversteekt op de plaats van het ongeval, hij op de vraag of hij nooit bang is dat het fout kan gaan, heeft geantwoord: “ja, daar denk ik wel aan maar op dat moment was de haast belangrijker”.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat verdachte het kennelijk om het even is geweest of hij de bewuste avond van 26 maart 2009, als bestuurder van een personenauto rijdend op de N2 in Maastricht, zwakke verkeersdeelnemers, zoals een fietser, aan zou rijden met als gevolg dat die het leven zouden verliezen. Een dergelijk gevolg heeft verdachte kennelijk op de koop toegenomen. Bevestiging daarvan kan worden gevonden in de omstandigheid dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit achter te laten en zonder zich te bekommeren om het slachtoffer, terwijl hij wist dat hij met zijn personenauto een fietser had geraakt.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte zich door zijn wijze van rijden willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood van andere verkeersdeelnemers, zoals fietsers (en derhalve ook de dood van [slachtoffer 1] tot gevolg zou hebben en hij heeft die aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard. Het opzet van verdachte was derhalve (in voorwaardelijke zin) gericht op de dood van [slachtoffer 1].

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe betoogd dat de (voorwaardelijke) opzet op de dood van het slachtoffer niet bewezen kan worden verklaard, omdat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal wilde stellen. Het hof is van oordeel dat dit juist kan zijn, maar verdachte heeft als bestuurder van een personenauto in een verkeersongeval met een zwakkere verkeersdeelnemer een dergelijk risico niet hoeven afwegen.

Het hof verwerpt het verweer.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof derhalve van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen is. Tevens is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten zoals onder het feit 2 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, welke in voetnoten zijn vervat en waarbij elk bewijsmiddel - ook in zijn onderdelen - slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft, en de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs, een en ander in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder

1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 26 maart 2009 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet als bestuurder van een personenauto rijdende over de N2, ter plaatse waar de door verdachte bereden weghelft was verdeeld in een linkerrijstrook en een rechterrijstrook en ter plaatse waar op die rechterrijstrook een aantal motorrijtuigen voor een in hun richting gekeerd rood licht uitstralend verkeerslicht stil stond voor een aldaar gelegen voetgangers- en fietsersoversteekplaats, rijdende over die linkerrijstrook met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, die voetgangers- en fietsersoversteekplaats genaderd en is vervolgens op de rechterrijstrook van voornoemde N2 stilstaande motorrijtuigen links gepasseerd en is vervolgens in strijd met het voornoemd in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht, die voetgangers- en fietsersoversteekplaats overgereden/overgestoken, zulks op het moment dat een fietser, zijnde [slachtoffer 1], doende was die voetgangers- en fietsersoversteekplaats, gezien zijn, verdachtes, rijrichting van rechts naar links over te steken, en heeft hij, verdachte, bij nadering van die fietser de snelheid van zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) niet verminderd en zijn, verdachtes, motorrijtuig (personenauto) niet tot stilstand gebracht, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 26 maart 2009 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de N2, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer 1]) letsel en schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft verdachte wegens doodslag en het verlaten van de plaats van het ongeval veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Het hof komt tot eenzelfde bewezenverklaring.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte voor die feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 jaren.

Door en namens verdachte is een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft gesteld dat de door de rechtbank opgelegde straf gematigd dient te worden, gelet op:

- een overschrijding van de redelijke termijn;

- het niet voortvarende en stigmatiserende optreden van het openbaar ministerie;

- de (lagere) straffen die worden opgelegd bij verkeersongevallen waarin (zelfs) alcohol, geweld en het overschrijden van de maximumsnelheid een rol spelen;

- het door het hof opheffen van de voorlopige hechtenis van verdachte, zodat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze niet gepast is;

- de impact die deze zaak heeft (gehad) op verdachte. Hij had direct na het ongeval al spijt van het gebeuren en heeft zich zelf gemeld bij de politie. Dit dient tot uitdrukking te komen in de strafmaat.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Zoals hiervoor is overwogen komt het hof tot een bewezenverklaring van doodslag. De stelling dat hier sprake was van een betreurenswaardig verkeersongeval, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, geeft een onjuist beeld van de feiten en het strafrechtelijk te maken verwijt. De strafzaken waar de raadsman naar verwijst en waarbij taakstraffen dan wel geldboetes zijn opgelegd, zijn op geen enkele wijze als vergelijkbare zaken aan te merken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte is [slachtoffer 1], een 20-jarige jongeman in de bloei van zijn leven, ernstig gewond geraakt en uiteindelijk aan zijn verwondingen overleden. Hierdoor is groot persoonlijk leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer 1], die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige en onnodige dood van een dierbare. Dat handelen van verdachte heeft ook de rechtsorde ernstig geschokt.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte getuigt van een grote onverschilligheid bij verdachte voor (de veiligheid van) andere verkeersdeelnemers. Die onverschilligheid wordt nog eens benadrukt door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte, te weten: het verlaten van de plaats van het ongeval zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. Het hof rekent de verdachte voornoemde onverschilligheid zwaar aan.

Ten nadele van verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat hij, blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d.

10 november 2011, herhaalde malen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het rijden zonder rijbewijs. Kennelijk hebben deze veroordelingen hem het laakbare van zijn handelwijze niet doen inzien. Hij heeft kennelijk niet de moeite willen nemen om zich de verkeersregels eigen te maken op de daarvoor geldende wijze, namelijk door het volgen van rijlessen en het behalen van een rijbewijs, alvorens opnieuw een auto te besturen.

Het hof acht, gelet op vorenstaande de door de advocaat-generaal gevorderde straf zowel wat strafsoort als strafmaat betreft het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd. De door de rechtbank opgelegde straf doet naar het oordeel van het hof hieraan onvoldoende recht.

Het hof acht zich bij de strafoplegging overigens niet gebonden aan de eerdere opheffing van de voorlopige hechtenis.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn stelling dat verdachte direct na het ongeval spijt had en zich daarom zelf heeft gemeld bij de politie. Immers, verdachte is na het ongeval doorgereden en is pas twee dagen na het ongeval naar de politie gegaan, dit omdat hij wist dat hij door de politie gezocht werd. Vervolgens heeft hij in eerste instantie de schuld op een ander willen schuiven. Het hof ziet hierin niet de spijt waar de raadsman op doelt. Evenmin ziet het hof andere omstandigheden (waaronder de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten, zijn huidige persoonlijke omstandigheden en de gevolgen die een detentie voor hem zouden hebben) die tot matiging van de straf zouden moeten leiden.

Het hof merkt nog op dat het van een niet voortvarend en stigmatiserend optreden door het openbaar ministerie in onderhavige strafzaak, als door de raadsman gesteld, niet is gebleken.

Resteert de bespreking van de door de raadsman aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof overweegt als volgt.

Voornoemde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 28 maart 2009, zijnde de datum van zijn aanhouding.

De behandeling in eerste aanleg is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, te weten op 3 februari 2010. Op 5 februari 2010 is zijdens verdachte hoger beroep ingesteld en op 11 februari 2010 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Blijkens de zich in het dossier bevindende aanbiedingsbrief van de rechtbank Maastricht is het dossier op 31 augustus 2010 aan de griffier van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzonden. Na raadpleging van het interne registratiesysteem van dit hof is gebleken dat daar in is aangetekend dat het dossier op

2 september 2010 ter griffie van het gerechtshof is ontvangen. Hieruit leidt het hof af dat het dossier binnen acht maanden na het instellen van het hoger beroep, derhalve tijdig, bij het hof is binnengekomen. Vervolgens doet het hof binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep uitspraak, te weten op 28 december 2011.

Gelet op vorenstaande is, naar het oordeel van het hof, het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in onderhavige strafzaak niet geschonden. De termijn gedurende welke verdachte onder de dreiging van een strafvervolging heeft doorgebracht is weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk lang. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de proceshouding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief in detentie is gebleven en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het verweer wordt verworpen.

Bijkomende straf

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof terzake van het feit onder 1 primair en voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat deze gedurende de detentieperiode van verdachte niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 9.172,96. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 182,55. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, met uitzondering van de kostenpost affectieschade. Derhalve wordt in hoger beroep door [benadeelde 1] een bedrag gevorderd van EUR 4.172,96.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2.518,17. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 466,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering is degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit gerechtigd om zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces. Wanneer deze persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen de directe nabestaanden zich voegen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering tot schadevergoeding. Daarbij gaat het om zaakschade. Tevens kunnen zich voegen personen genoemd in artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij gaat het om personen die een vordering kunnen hebben terzake van schade wegens het derven van het levensonderhoud. Ten slotte kan zich op grond van artikel 6:108 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voegen degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat een belangrijk doel van de strafrechtspleging is dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan en dat vorderingen van benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding mogen opleveren.

Ten aanzien van de diverse kostenposten die door de benadeelde partijen zijn opgevoerd is het hof van oordeel dat een deel daarvan, bezien van uit de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen, geen rechtstreekse schade vormen en dat deze posten in deze strafprocedure niet kunnen worden gevorderd maar dat de benadeelde partijen zich daarvoor tot de burgerlijke rechter moeten wenden.

Ten aanzien van de wellicht wel voor vergoeding in aanmerking komende kosten, is het hof van oordeel dat, gelet op de zijdens verdachte inhoudelijke en gedetailleerde betwisting daarvan en de onvoldoende mate van onderbouwing van deze posten, de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

De benadeelde partijen kunnen daarom thans in hun vorderingen niet worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in het arrondissement Rotterdam op 7 mei 2007 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gelet op de duur van de hierna op te leggen gevangenisstraf acht het hof het niet opportuun om de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten. De vordering tot tenuitvoerlegging zal derhalve worden afgewezen.

De vordering tot gevangenneming

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 december 2011 gevorderd dat het hof de gevangenneming van verdachte zal bevelen. De raadsman van verdachte is in de gelegenheid geweest zich over deze vordering uit te laten. Hij heeft afwijzing van de vordering bepleit.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte onder meer ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van lange duur. Verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is sprake van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en is naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit en op het aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed, de rechtsorde door dat bewezenverklaarde feit ernstig geschokt. Het tijdsverloop maakt dat niet anders. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert van de verdachte. De omstandigheid dat een eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven, maakt dit niet anders. Nieuwe bezwaren zijn daarvoor niet noodzakelijk. Het hof zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder parketnummer

03-700198-09 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK Schoeisel Kl: zwart, DIOR HOMME, zwarte schoen met witte streep zijkant;

- 1.00 STK Shirt Kl: zwart, BURBERRY, zwart poloshirt korte mouw.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 STK Personenauto [kenteken], Peugeot 308 2009 Kl: grijs.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 2], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Maastricht van

24 augustus 2009, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in het arrondissement Rotterdam op 7 mei 2007, parketnummer 10-641076-07, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart zal worden geminuteerd.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. F.C.J.E. Meeuwis,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 28 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.C.J.E. Meeuwis is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.