Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU9998

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
20-001276-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 9 Opiumwet. Schutznorm. De wettelijke bepalingen omtrent het binnentreden en betreden van plaatsen door opsporingsambtenaren strekken ter bescherming van het huisrecht van de feitelijke gebruiker (ter bewoning of ander gebruik) van een woning, ander lokaal of erf en niet ter bescherming van het eigendoms- of huurrecht als zodanig. Dit brengt mee dat eventueel onrechtmatig binnentreden slechts onrechtmatig is jegens de feitelijke gebruiker van het lokaal waarin de politie is binnengetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001276-10

Uitspraak : 5 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-842123-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep worden begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd.

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf] is niet aan het oordeel van het hof onderworpen, nu deze vordering betrekking heeft op schade die zou zijn geleden tengevolge van het onder 2 ten laste gelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2009 tot en met 31 augustus 2009 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan de [A-straat] 5) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 436 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van die wet;

subsidiair:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 13 juli 2009 tot en met 31 augustus 2009 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, in een pand aan de [A-straat] (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 436 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 13 juli 2009 tot en met 31 augustus 2009 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging heeft het hof, gelet op onder meer het adres vermeld bovenaan de huurovereenkomst (blz. 52-56 van het einddossier van de regiopolitie Brabant Noord, nr. 2009099646-9, d.d. 30 oktober 2009) en de verklaring van de verdachte bij de politie (blz. 44), [A-laan] in de tenlastelegging verbeterd gelezen als [A-straat].

De verdachte is door deze verbeterde lezing niet geschaad in zijn verdediging, nu blijkens het onderzoek ter terechtzitting bij hem geen misverstand heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. Daartoe is gesteld dat het door de opsporingsambtenaren binnentreden in de loods aan de [A-straat] 5 te Rosmalen onrechtmatig was omdat op dat moment geen sprake was van een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet dat in die loods de Opiumwet werd overtreden. De resultaten van dat binnentreden mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Bij gebreke van overig bewijs dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen, waar een overtreding van die wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat zodanige overtreding gepleegd wordt.

Het hof stelt voorop dat de wettelijke bepalingen omtrent het binnentreden en betreden van plaatsen door opsporingsambtenaren strekken ter bescherming van het huisrecht van de feitelijke gebruiker (ter bewoning of ander gebruik) van een woning, ander lokaal of erf. Deze bepalingen strekken niet ter bescherming van het eigendoms- of huurrecht als zodanig. Dit brengt mee dat eventueel onrechtmatig binnentreden slechts onrechtmatig is jegens de feitelijke gebruiker van het lokaal waarin de politie is binnengetreden.

Blijkens de verklaring van de verdachte ten overstaan van de politie op 8 september 2009 (blz. 46-47) heeft hij op verzoek van een derde het onderhavige pand gehuurd van de eigenaar en het pand in zijn geheel aan deze derde ter beschikking gesteld, terwijl hij in zijn achterhoofd wist dat deze derde daar een hennepkwekerij of een xtx-laboratorium ging bouwen. De verdachte heeft verklaard dat hij na het ter beschikking stellen van de loods helemaal in het begin wel eens in de loods is geweest, dat hij zag dat de bedoelde derde daar een hok aan het bouwen was en dat hij, de verdachte, daarna nooit meer in de loods is geweest. De verklaring van de verdachte komt er aldus op neer dat hij na het ter beschikking stellen van de loods in het geheel geen bemoeienis meer heeft gehad met de loods (anders dan het ontvangen van geldbedragen in ruil voor het huren en ter beschikking stellen van de loods) en dat hij feitelijk nooit gebruik heeft gemaakt van de loods.

Nu de verdachte niet de feitelijke gebruiker van het pand was, is het binnentreden in dit pand door de politie in ieder geval niet jegens de verdachte onrechtmatig. Het is immers niet de verdachte die door de beweerde niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Reeds hierom faalt het verweer.

Bovendien is het hof van oordeel dat wel sprake was van een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet.

Uit het dossier (blz. 5) blijkt namelijk dat er op 31 augustus 2009 een man verscheen aan het politiebureau te Rosmalen. Deze man, die anoniem wilde blijven, deelde de politie mede dat hij een vermoeden had dat zich in het pand aan de [A-straat] 5 te Rosmalen een in werking zijnde hennepkwekerij bevond. Hij vertelde dat daar op 18 april 2008 al eerder een hennepkwekerij was ontdekt door de politie. Verder deelde de man mede dat er op verschillende tijdstippen mannen bij het pand kwamen terwijl hij geen bedrijfsactiviteiten bij het pand heeft gezien. De man heeft ook auto’s bij het pand gezien.

Bij onderzoek in het computersysteem van de politie Brabant Noord is gebleken dat het betreffende pand een vrijstaande loods is en dat daarin door de politie in 2007 attributen met betrekking tot hennepteelt, waaronder assimilatielampen, werden aangetroffen en voorts dat in 2008 in die loods een in werking zijnde hennepkwekerij werd ontdekt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat op grond van de melding over mannen bij de loods op verschillende tijdstippen zonder gebleken bedrijfsactiviteiten bij die loods, in combinatie met de bij nader onderzoek door de politie vastgestelde omstandigheid dat het betreffende pand in een vrij recent verleden bleek te zijn gebruikt voor hennepteelt, ten tijde van het binnentreden op 1 september 2009 redelijkerwijze vermoed kon worden dat in de loods (wederom) een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd.

Dit wordt niet anders door het enkele feit dat er sinds februari 2009 (verklaring van [eigenaar] op blz. 35) - en dus ten tijde van het binnentreden - sprake is van een nieuwe eigenaar van de loods. Dit gegeven doet immers niets af aan de door de politie vastgestelde relatie tussen die loods en hennepteelt in de twee voorgaande jaren.

Het binnentreden in de loods was daarom rechtmatig. Ook hierom bestaat er geen reden tot bewijsuitsluiting.

Met de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde - alleen of in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen - heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Nu de verdachte blijkens zijn verklaring “in zijn achterhoofd wist” dat degene aan wie hij de loods ter beschikking stelde daar een hennepkwekerij of een xtx-laboratorium ging bouwen en die loods desondanks aan die ander ter beschikking is blijven stellen tegen een geldelijke beloning, heeft de verdachte minstens voorwaardelijk opzet gehad op het telen van hennep door die ander. Door die loods aan die ander ter beschikking te (blijven) stellen heeft de verdachte opzettelijk gelegenheid en middelen tot dat misdrijf verschaft, zodat hij daaraan medeplichtig is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

een onbekend gebleven persoon in de periode van 13 juli 2009 tot en met 31 augustus 2009 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [A-straat] een hoeveelheid van in totaal 436 hennepplanten, zijnde een groot aantal hennepplanten en zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 13 juli 2009 tot en met 31 augustus 2009 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door aan die onbekend gebleven persoon voornoemd pand voor de teelt van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 subsidiair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet juncto artikel 48, aanhef en onder 2º, van het Wetboek van Strafrecht en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede en vijfde lid, van de Opiumwet en levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard - de verdachte is, klaarblijkelijk zonder enige scrupule, om financieel gewin medeplichtig aan een grote hennepkwekerij - alsmede de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde en door de politierechter opgelegde werkstraf voor de duur van 150 uren, bij niet verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Met deze deels voorwaardelijke strafoplegging wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 48 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 1 subsidiair is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 5 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.M. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.