Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU9976

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
20-000737-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ3628, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ3628
Herziening: ECLI:NL:HR:2017:2322, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortgezette handeling van poging tot doodslag en mishandeling; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; artikel 45, 56, 285, 287 en 300 Sr; TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000737-11

Uitspraak : 27 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 februari 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers

01-845288-10 en 01-845231-10, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1942],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans daar verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van de PI Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat:

- verdachte van de bij parketnummer 01-845288-10 onder 1. ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 01-845231-10 ten laste gelegde bedreigingen dient te worden vrijgesproken;

- verdachte ten aanzien van de bij parketnummer 01-845288-10 onder 2. ten laste gelegde mishandeling dient te wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer;

- aan verdachte geen TBS met dwangverpleging doch TBS met voorwaarden dient te worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van zowel de tenlastelegging met parketnummer

01-845231-10 als parketnummer 01-845288-10 ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

parketnummer 01-845231-10

hij op of omstreeks 25 mei 2010 te Veghel [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers:

- heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] een of meermalen dreigend de woorden toegevoegd: “ik ga je dood maken” en “ik ga je dood maken, als het vandaag niet lukt dan morgen” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- is verdachte opzettelijk (vervolgens) met een mes naar de woning van [slachtoffer] gegaan en heeft hij aangebeld en tegen de deur van de woning van [slachtoffer] gebonkt/geslagen/geschopt en/of

- heeft verdachte opzettelijk (sprekende over [slachtoffer]) [verbalisant 2] (hoofdagent politieregio Brabant-Noord) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik vermoord jou dat is een ding wat zeker is" en/of [verbalisant 1] (hoofdagent politieregio Brabant-Noord) dreigend de woorden toegevoegd: "Het is maar goed dat je de deur niet hebt geopend anders was je vandaag al dood geweest, ik ga je doodsteken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke woorden (vervolgens) door die [verbalisant 2] en/of [verbalisant 1] ter kennis zijn gebracht aan [slachtoffer].

parketnummer 01-845288-10

1. primair

hij op of omstreeks 8 juli 2010 te Veghel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om al dan niet met voorbedachte rade, althans na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met (de punt van) een mes, een of meermalen, in de richting van (de keel van) (en/of de buik) die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 8 juli 2010 te Veghel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met (de punt van) een mes, een of meermalen, in de richting van (de keel van) (en/of de buik) die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. meer subsidiair

hij op of omstreeks 8 juli 2010 te Veghel [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [slachtoffer] een mes voorgehouden en/of met (de punt van) dat mes een of meermalen in de richting van (de keel van) die [slachtoffer] gestoken en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik kom afscheid van jou nemen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 8 juli 2010 te Veghel opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (hardhandig) bij haar haren heeft gepakt en/of heeft geslagen en/of bij haar keel heeft gepakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Voorts heeft het hof ten behoeve van de leesbaarheid de tenlastelegging met parketnummer 01-845231-10 verbeterd gelezen. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van een deel van de tenlastegelegde bedreigingen (parketnummer 01-845231-10)

Met de rechtbank komt het hof tot vrijspraak van een deel van de in deze zaak tenlastegelegde bedreigingen, aangezien niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bedreigingen die verdachte blijkens een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 mei 2010 telefonisch heeft geuit, aangeefster ook hebben bereikt. Het proces-verbaal wordt wel voor het bewijs gebruikt, omdat dit steun biedt aan de aangifte omtrent de mondelinge bedreiging met de dood.

Vrijspraak van de tenlastegelegde poging tot moord (parketnummer 01-845288-10)

Evenmin als de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte hetgeen aan hem 1. primair ten laste is gelegd “met voorbedachte raad” heeft begaan, zodat hij van de aan hem ten laste gelegde poging tot moord zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen parketnummer 01-845231-10

1. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 25 mei 2010, proces-verbaalnummer

PL21Z2/2010056600-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie, dossierpagina 35, voor zover hier van belang inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [slachtoffer]:

Vandaag, 25 mei 2010, omstreeks 14.00 uur, belde ik mijn ex-partner [verdachte] op. Ik belde hem op omdat hij de laatste tijd met zijn gezondheid kwakkelt en ik wilde weten hoe het op dit moment met hem gaat. (…) Ik hoorde dat [verdachte] op een gegeven moment vroeg of ik alleen op vakantie was geweest. Ik gaf aan dat ik met mijn nieuwe vriend was geweest. Op het moment dat ik dat vertelde werd [verdachte] heel erg boos. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij mij dood ging maken. Ik hoorde tevens dat [verdachte] zei dat ik maar beter voordurend achterom kon blijven kijken. Ik heb op een gegeven moment het telefoongesprek beëindigd. Ik ben naar de moestuin gegaan. (...) Op het moment dat ik bij de moestuin was heeft [verdachte] mij ook meerdere malen gebeld. Ik heb toen ook opgenomen. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij mij dood ging maken en als het vandaag niet lukte, het de dag erna wel zou lukken.

Ik kwam omstreeks 16.45 uur bij mijn woning, [het adres slachtoffer], aan. Mijn woning betreft een bovenwoning. Er dient onder, bij de gezamenlijke ingang, aangebeld te worden, waarna ik vanuit mijn woning de deur van de gezamenlijke ingang open. Op de eerste etage is de voordeur van mijn woning gevestigd. Op het moment dat ik net thuis was, hoorde ik dat de deurbel ging. Ik hoorde dat het de deurbel van de gezamenlijke deur betrof. Ik drukte op de intercom en herkende de stem van [verdachte]. Ik heb de deur naar de gezamenlijke ingang dan ook niet open gemaakt. Ik hoorde kort daarop een hoop gebonk op mijn voordeur, welke gevestigd is op de eerste etage. (…) Ik zag dat [verdachte] korte tijd later onder mijn balkon langs liep. Ik zag dat hij een groot keukenmes in zijn linkerhand vast had. Ik schat dat het keukenmes zo’n 30 cm lang is. Ik zag dat het mes een zwart handvat heeft. Ik was op dat moment echt bang dat [verdachte] zijn bedreigingen waar zou maken toen ik [verdachte] met dat mes zag lopen. Ik ben bang dat ik echt ieder dag achterom zal moeten blijven kijken.

2. Het proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 26 mei 2010, proces-verbaalnummer

PL21Z2/2010056600-12, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, dossierpagina 37, voor zover hier van belang inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 1]:

Dinsdag 25 mei 2010, omstreeks 17.00 uur kwam ik thuis aan bij mijn woning aan [het adres slachtoffer]. Ik woon aldaar in een bovenwoning. Toen ik mij op genoemd tijdstip in de woonkamer van mijn woning bevond hoorde ik dat er hard werd gebonkt op mijn voordeur. Toen ik open deed zag ik een man voor mijn voordeur staan. Ik zag dat die man een groot model mes in een van zijn handen had. Ik schrok daarvan en maakte meteen mijn voordeur weer dicht. Daarop hoorde ik dat er nog hard werd gebonkt op de voordeur tegenover mijn woning.

3. De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d.

13 december 2011, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 25 mei 2010 ben ik inderdaad naar de woning van [slachtoffer] gegaan. (…) Ik had een mes in mijn linkerhand. (…) Ik heb bij [slachtoffer] twee keer aangebeld. (…) Toen er niet werd opengedaan, heb ik twee keer een trap tegen die deur aan gegeven met mijn voet. Ik had toen schoenen met een stalen neus aan.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 mei 2010, proces-verbaalnummer PL21Z2/2010056600-3, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en

[verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, dossierpagina’s 14 en 15, voor zover hier van belang -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van evengenoemde verbalisanten:

Op dinsdag 25 mei 2010, waren wij, verbalisanten, belast met algemeen toezicht in ons bewakingsgebied betreffende de gemeenten Veghel en Boekel. Wij, verbalisanten, waren in uniform gekleed en rijdend in een opvallend surveillancevoertuig. Omstreeks 16.51 uur, kregen wij, het verzoek van de dienstdoende centralist om te gaan naar [het adres slachtoffer]. (…)

Hierop besloten wij om naar [het adres slachtoffer] te rijden om het verhaal van meldster aan te horen. Op [het adres slachtoffer] werden wij te woord gestaan door de bewoonster hiervan. De bewoonster gaf aan dat zij de politie had gebeld omdat zij door haar ex-man [verdachte] met de dood was bedreigd. Hierop werden wij de woning binnen gelaten. De woning betreft een appartement en het perceel van meldster is gelegen op de eerste verdieping. Het appartement is toegankelijk via een centrale deur welke door de bewoners van de appartementen met een drukknop te openen is vanuit hun woning. (…)

Door mij, verbalisant [verbalisant 2], is ter plaatse van meldster een aangifte in concept opgenomen. Tijdens de aangifte is diverse malen de mobiele telefoon van aangeefster afgegaan. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat er op de display van de mobiele telefoon aangegeven stond [voornaam verdachte] THUIS en een telefoonnummer [telefoonnummer verdachte]. Ik zag dat aangeefster de mobiele telefoon op nam en hoorde dat zij "Hallo" zei. Vervolgens heb ik de mobiele telefoon overgenomen en hoorde ik door de telefoon een mannenstem. Ik herkende deze mannenstem als de stem van de mij ambtshalve bekende [verdachte]. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "IK VERMOORD JOU, DAT IS ÉÉN DING WAT ZEKER IS". Vervolgens werd de verbinding verbroken. Tijdens de aangifte is zeker 10 (tien) maal de mobiele telefoon van aangeefster afgegaan en telkens zag ik op de display [voornaam verdachte] THUIS staan.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben naar de buren welke op perceel 7 woonachtig zijn gegaan. (…)

Toen ik, verbalisant [verbalisant 1], terug in de woning van aangeefster kwam zag ik dat verbalisant [verbalisant 2] bezig was om de aangifte te noteren. Ik hoorde dat de mobiele telefoon van de aangeefster af ging. Ik zag dat op de display kwam te staan [voornaam verdachte] THUIS met een telefoonnummer beginnend met [telefoonnummer verdachte]. Ik gebaarde naar aangeefster dat zij op moest nemen en dat zij "Hallo" moest zeggen. Ik zag dat aangeefster aan mijn verzoek voldeed. Nadat aangeefster "HALLO" had gezegd nam ik de mobiele telefoon over. Ik hoorde een mannenstem. Ik hoorde dat deze mannenstem zei: "HET IS MAAR GOED DAT JE DE DEUR NIET HEBT GEOPEND ANDERS WAS JE VANDAAG AL DOOD

GEWEEST, IK GA JE DOODSTEKEN".

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen parketnummer 01-845288-10

5. Het proces-verbaal aangifte, d.d. 8 juli 2010, proces-verbaalnummer

PL21ZO 2010074472-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, dossierpagina 48, voor zover hier van belang inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [slachtoffer]:

Ik heb op 25 mei 2010, aangifte gedaan tegen mijn ex-man [verdachte] omdat hij mij bedreigde met een mes dat hij mij dood wilde steken. [verdachte] is toen meegenomen door de politie, ik weet niet hoe dit is afgelopen.

Vandaag, donderdag 8 juli 2010, omstreeks 17.30 uur, was ik in mijn moestuin gelegen aan [adres]. (…) Ik zag dat [verdachte] bij de ingang van de moestuintjes stond te kijken naar mij. Ik was daar als enige aan het werk in de moestuin. Ik zag dat [verdachte] binnen kwam de moestuin in, ik zag dat hij richting mij gelopen kwam. [verdachte] stond op een gegeven moment heel dicht voor mij, ik wilde weg. Meteen hierop hoorde ik dat [verdachte] zei: "ik kom afscheid nemen van jou", of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat [verdachte] hierop meteen met zijn rechterhand achteruit zijn broeksband een mes pakte en dit op mij richtte. Ik zag dat [verdachte] mij probeerde te steken. [verdachte] stond op dit moment heel dicht bij mij. Ik heb met mijn linkerhand het lemmet van het mes vast gepakt en het naar beneden geduwd. Ik heb geprobeerd het mes los te wrikken. [verdachte] kreeg het voor elkaar om achter mij te komen staan, wij waren op dat moment in een worsteling (…). Ik weet wel dat [verdachte] en ik nog beiden het mes vast hadden en dat de punt van het mes richting mijn keel gericht was. Ik voelde dat [verdachte] met het mes richting mijn keel wilde gaan, [verdachte] wilde mijn keel doorsnijden. Ik ben toen heel hard in zijn hand gaan bijten, volgens mij was dit zijn rechter hand. Ik was bang dat [verdachte] mij dood zou steken. [verdachte] liet het mes los en ik heb het mes in een andere moestuin gegooid. Ik voelde dat [verdachte] mij bij mijn haren pakte en met zijn andere vuist mij op mijn hoofd sloeg.

6. Het proces-verbaal verhoor van aangeefster, d.d. 14 juli 2010, proces-verbaalnummer

PL21ZO 2010074472-17, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7] en

[verbalisant 6], beiden brigadier van politie, dossierpagina’s 51 en 52, voor zover hier van belang inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [slachtoffer]:

Afgelopen donderdag 8 juli 2010 omstreeks 17.30 uur was ik in het volkstuinencomplex aan [adres]. Ik heb daar een volkstuin. (…) Ik zag dat [verdachte] het poortje openmaakte en mijn tuintje ingelopen kwam. (…)Ik zag dat hij met een mes een stekende beweging maakte in de richting van mijn buik. (…) [verdachte] raakte mij niet met het mes omdat ik me met mijn beide handen verweerde. (…)

Vervolgens zag en voelde ik dat [verdachte] mij aan mijn haren begon te trekken en mij met kracht sloeg met zijn vuisten op mijn hoofd. De klappen deden pijn. Ik heb mijn neus en lippen aan de binnenkant kapot gehad door de klappen.

7. Het proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 14 juli 2010, proces-verbaalnummer

PL21ZO 2010074472-15, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, en [verbalisant 6], brigadier van politie, dossierpagina’s 58 en 59, voor zover hier van belang inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van

[getuige 2]:

8 juli 2010 is de datum van het voorval. Ik kwam daar rond de klok van 18.05. Ik weet dat omdat ik om 17.50 van huis ben weggegaan en het is ongeveer een kwartier fietsen. Het moet dus ongeveer 18.05 uur geweest zijn op die dag. Ik zag toen een kleine zwarte auto staan op het parkeerterrein van de volkstuinen. Deze auto is van [verdachte]. Hij is de eigenaar van de volkstuin 71. Ik ben de eigenaar van volkstuin 74. Nummer 75 is van een vrouw. Ik ken haar naam niet. Volgens mij mag [verdachte] niet op het volkstuinencomplex komen. Hij heeft een verbod gehad van het bestuur. De exacte datum van het verbod weet ik niet. Het verbod heeft hij gehad omdat hij problemen heeft met het bestuur. (…) Ik heb hem daar (…) zeker een (1) jaar niet meer gezien. Ik vond het dus raar dat ik nu de auto van [verdachte] daar zag staan. Ik ben toen met mijn fiets naar mijn volkstuin gegaan. (…) Ik zag in de tuin van mijn buurvrouw [verdachte] staan met die vrouw van deze volkstuin. Deze vrouw is de vriendin van [verdachte] geweest. Toen ik kwam aangelopen zag ik dat hij de vrouw met een hand bij de keel vast had en met de andere hand een van de armen van deze vrouw. Daarna liet [verdachte] de vrouw los en liep naar een tafel die in de tuin van deze vrouw staat.

8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 juli 2010, proces-verbaalnummer 2010074472-2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9], senior tactische recherche D3, en [verbalisant 5], hoofdagent van politie, dossierpagina’s 69 tot en met 72 en 76, voor zover hier van belang inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van verdachte:

Ik ben (…) met mijn auto (…) naar de volkstuintjes gereden. (…). Ik had het mes op de rechter voorzitting in de auto liggen. (…) Ik ben daar uitgestapt en heb het mes bij me gestoken. (…) Toen ik bij mijn volkstuintje stond zag ik (…) mijn ex-vrouw [slachtoffer] bij haar volkstuintje staan. (…) Ik ben gescheiden van haar maar ik heb nog wel gevoelens voor haar. Ik weet dat ik geen contact met haar mag hebben omdat het in de schorsing staat. Ik ben toen in de richting van haar gelopen en heb voor haar tuin op het pad gestaan. (…) Ik heb dus daar even gestaan en ben hierna naar [slachtoffer] gelopen. Ik ben via het poortje de tuin van haar ingelopen en ben naar haar toe gelopen. Ik stond er toen ongeveer een meter vanaf. Ik heb aan [slachtoffer] gevraagd waarom ze me dat de vorige keer had aangedaan. (…)

Nu komen we toch weer terug op dat verhaal van dat mes omdat ik die achter in mijn broek had zitten met het shirt er overeen. (…) Het mes zat met de punt naar beneden in de broeksband. Ik heb het mes met de rechterhand uit de broeksband gehaald. (…) Zij zat boontjes te plukken en op het moment dat ik het mes pakte keek zij in mijn richting. Toen kwam [slachtoffer] omhoog. Ik zag dat [slachtoffer] weg wilde lopen van mij maar dat ging niet omdat ik en een tafel in de weg stonden. We botsten tegen elkaar en voor we het wisten waren we in een worsteling. (…)

Ik heb haar toen bij haar haren gepakt en keihard naar achteren getrokken. Ik hoorde dat ze om hulp schreeuwde. Nadat ik [slachtoffer] aan haar haren had getrokken heb ik haar twee keer een beuk op haar rug gegeven. Ik heb haar toen losgelaten. Toen zag ik de buurman, die de tuin naast [slachtoffer] heeft, staan.(…)

Verdachte wordt vervolgens een foto getoond met een afbeelding van het door de aangeefster overhandigde mes.

U toont mij nu een foto van een mes. Dit is het mes wat ik gisteren van thuis heb meegenomen. Ik heb u al aangeven hoe lang het mes was.

(…) Ik zag in een flits dat ik het mes nog vast had op het moment dat wij elkaar stevig vast hadden.

9. Een aan het hiervoor onder 8. genoemde proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 9 juli 2010, proces-verbaalnummer 2010074472-2008, gehechte bijlage, te weten een foto van een mes, dossierpagina 79, waarop zichtbaar is dat de lengte van het lemmet circa 14 centimeter bedraagt.

10. De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d.

13 december 2011, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik ben op 8 juli 2010 in die moestuin geweest. Op dat moment was ik onder voorwaarden geschorst uit voorlopige hechtenis. Dit had betrekking op de door [slachtoffer] gedane aangifte van bedreiging. Het was mij verboden om contact te zoeken met [slachtoffer]. (…) . Toen ik [slachtoffer] zag, ging mijn hart weer bonsen. Ik wilde haar vragen waarom zij mij dit had aangedaan.

Ik had een mes bij mij gestoken achter in mijn broek bij mijn rug. Ik heb het toen gepakt. Ik ben naar haar toe gelopen. Zij schrok en er ontstond een worsteling. We liepen tegen een tafel aan en toen hadden we elkaar vast. (…) Zij heeft mij vervolgens in mijn rechterarm gebeten. (…)

Wij omarmden elkaar. Ik had haar vast met mijn arm over haar schouder. Ik stond aan haar zijde met mijn borst tegen haar aan. Ik had toen het mes in mijn rechterhand. Zij had mijn rechterhand vast waarin het mes zat. (…)

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

1. De verdediging heeft betoogd dat verdachte van de bij parketnummer 01-845288-10 onder 1. primair ten laste gelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging het volgende aangevoerd.

In de eerste plaats ontbreekt het bewijs dat verdachte aangeefster [slachtoffer] in de richting van de keel zou hebben gestoken. Het enige bewijs dat hiervoor uit het dossier naar voren komt, is de verklaring van aangeefster dat, terwijl zij in bedwang werd gehouden, een snijdende beweging langs haar keel werd gemaakt waarbij door verdachte een bedreigende tekst is geuit. Dit houdt echter -aldus de verdediging- enkel een bedreiging in. Voorts is onvoldoende wettig bewijs aanwezig voor het steken in de richting van de buik van aangeefster.

In de tweede plaats kan, gelet op de omstandigheden waaronder en de aard van de door verdachte uitgevoerde handelingen, geen opzet van verdachte op het doden van aangeefster worden bewezen.

In de derde plaats heeft de verdediging aangevoerd dat de door aangeefster [slachtoffer] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn omdat deze op meerdere punten zowel van elkaar verschillen als van de wijze waarop de getuige [getuige 2] tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

2.1.1. Uit de hiervoor onder 5. en 10. opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat tijdens de worsteling die tussen aangeefster [slachtoffer] en verdachte heeft plaatsgevonden, verdachte en aangeefster het mes vasthadden waarbij aangeefster probeerde het mes weg te duwen, terwijl de punt van het mes richting haar keel was gericht. Aangeefster heeft toen gevoeld dat verdachte het mes richting haar keel wilde brengen, doch zij heeft dit uiteindelijk kunnen voorkomen door verdachte in zijn hand te bijten.

Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op de hiervoor omschreven wijze een aanvang heeft gemaakt met het brengen van het mes in de richting van de keel van aangeefster, terwijl de punt van het mes in de richting van haar keel wees, acht het hof bewezen dat verdachte ook heeft gestoken in de richting van de keel.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

2.1.2. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering -dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan- kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Mitsdien is geen sprake van schending van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, wanneer de bewezenverklaring van het hof berust op meerdere bewijsmiddelen zoals hiervoor opgenomen onder 5. tot en met 10.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

2.2.1. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de buik en de keel van een mens meerdere vitale organen bevinden, zoals de maag, de milt en de nieren en vitale (slag)aders. Een verwonding aan dergelijke vitale delen kan levensbedreigend zijn en kan gemakkelijk tot de dood van een persoon leiden. Verdachte moet daarvan, evenals ieder weldenkend mens, op de hoogte zijn geweest.

2.2.2. Door met een mes waarvan de lengte van het lemmet circa 14 centimeter bedroeg in de richting van de buik en de keel van aangeefster [slachtoffer] te steken, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij één of meer vitale delen, organen of (slag)aders zou raken en aldus het slachtoffer zodanig zou verwonden dat deze daaraan zou overlijden, zodat zijn opzet ten minste in voorwaardelijke zin op dat gevolg gericht was. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte.

Mitsdien wordt het verweer strekkende tot het ontbreken van het opzet op het doden van aangeefster verworpen.

2.3. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door aangeefster [slachtoffer] afgelegde verklaringen overweegt het hof dat aangeefster over de toedracht van het incident dat tussen verdachte en aangeefster op 8 juli 2010 heeft plaatsgevonden consequent heeft verklaard. De omstandigheid dat zij niet eensluidend heeft verklaard over een detail, te weten in welke hand verdachte het mes had, doet aan haar betrouwbaarheid niet af, te meer daar verdachte zelf bevestigd dat hij het mes in zijn rechterhand had, aangeefster deze hand vasthad en zij in zijn rechterarm heeft gebeten. Voorts vinden de verklaringen van aangeefster voor een significant deel bevestiging in overige hiervoor onder 6. tot en met 11. genoemde bewijsmiddelen.

Gelet hierop acht het hof de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar en bezigt het hof deze tot het bewijs.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-845231-10 en het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-845288-10 onder 1 primair en 2 heeft begaan, met dien verstande, dat:

parketnummer 01-845231-10

hij op 25 mei 2010 te Veghel [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers:

- heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “ik ga je dood maken” en “ik ga je dood maken, als het vandaag niet lukt dan morgen” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- is verdachte opzettelijk met een mes naar de woning van [slachtoffer] gegaan, heeft hij aangebeld en tegen de deur van de woning van [slachtoffer] geschopt.

parketnummer 01-845288-10

1 primair

hij op 8 juli 2010 te Veghel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met (de punt van) een mes in de richting van de keel en de buik van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 8 juli 2010 te Veghel opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (hardhandig) bij haar haren heeft gepakt en heeft geslagen en bij haar keel heeft gepakt, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-845231-10 bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Het in de zaak met parketnummer 01-845288-10 onder 1. primair en 2. bewezen verklaarde levert op:

De voortgezette handeling van:

• Poging tot doodslag

en

• Mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens verdachte is betoogd dat hij van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen, omdat hij met betrekking tot de ten laste gelegde mishandeling (parketnummer 01-845288-10, feit 2) heeft gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces als bedoeld in artikel 41, eerste lid, respectievelijk tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

In dit verband is aangevoerd dat sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van de zijde van aangeefster [slachtoffer] aangezien verdachte, na door aangeefster in zijn hand te zijn gebeten, in een hevige gemoedstoestand heeft gereageerd met geweld jegens aangeefster.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof is van oordeel dat het aangeefster [slachtoffer] is die heeft gehandeld in een situatie van noodweer, aangezien zij verdachte slechts heeft gebeten ten einde zich te verweren tegen de door hem begane poging tot doodslag. Aangeefster heeft daarmede jegens verdachte niet wederrechtelijk gehandeld. Mitsdien komt verdachte ten aanzien van de door hem begane mishandeling van aangeefster, volgend op het bijten door aangeefster, geen geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toe.

Het hof verwerpt het verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

A.1.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

A.2.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde, in het bijzonder het feit dat met het slachtoffer een worsteling heeft plaatsgevonden waarbij verdachte met een mes in de richting van zowel de buik als de keel heeft gestoken;

- het feit dat verdachte met de bewezenverklaarde poging tot doodslag kennelijk heeft getracht een eerder door hem jegens het slachtoffer gedane bedreiging, eveneens bewezenverklaard, uit te voeren.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 november 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor poging tot moord. Weliswaar dateert die veroordeling uit 1996, maar de destijds opgelegde langdurige gevangenisstraf heeft verdachte er dus niet van weerhouden zich opnieuw aan een soortgelijk feit schuldig te maken;

- de ten aanzien van verdachte opgestelde deskundigenrapporten, waaruit onder meer naar voren komt dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moeten worden beschouwd;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

A.3.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen straf en de duur daarvan aansluiting gezocht bij de straffen die door dit gerechtshof in min of meer vergelijkbare gevallen gebruikelijk worden opgelegd.

A.4.

Het hof legt, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, een hogere gevangenisstraf op dan gevorderd door de advocaat-generaal. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend en geboden.

B.1.

Ten aanzien van de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel TBS met dwangverpleging overweegt het hof het volgende.

B.2.

Voor zover hier van belang is in het rapport Pro Justitia aangaande psychologisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 12 december 2011, opgemaakt door [psycholoog 1], klinisch psycholoog BIG, op pagina 13-14 het volgende opgenomen:

Er is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. Tevens zijn er recidiverende depressieve episodes geweest in het verleden. Ook is sprake van alcoholafhankelijkheid (…)

4. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)?

Ja

5. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven: (…)

c. welke conclusie aangaande de toerekeningvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is.

Verminderd toerekeningsvatbaar.

(…)

Bij voortbestaan van de persoonlijkheidspathologie, eventueel in combinatie met problematisch alcoholgebruik, is de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten groot.

(…)

Gezien de beperkte respons op eerdere behandelpogingen, gezien het beperkte inzicht en gezien de hoge leeftijd van betrokkene, is van een behandeling geen recidiveverminderend effect te verwachten.

B.3.

Voor zover hier van belang is in het rapport Pro Justitia aangaande psychiatrisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 1 december 2010, opgemaakt door [psychiater 1], psychiater, op pagina 21 het volgende opgenomen:

Betrokkene lijdt aan persoonlijkheidsproblematiek met narcistische en antisociale kenmerken, aan een alcoholafhankelijkheid (…)

3. Ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien en voor zover bewezen, was er sprake van persoonlijkheidsproblematiek en van een alcoholafhankelijkheid. (…)

4. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens onderzochtes gedragskeuzen c.q. gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden)?

4. Ja.

5. a. Persoonlijkheidsproblematiek en eventueel autisme maken dat betrokkene heel egocentrisch in het leven staat, snel gekrenkt en geagiteerd raakt en daarenboven zijn impulsen en/of agressieve aanvechtingen niet goed kan controleren. Alcoholgebruik maakt dat de weinige remmingen die betrokkene kent, zo goed als volledig tot verdwijnen worden gebracht;

b. Dit geschiedde in behoorlijke mate;

c. Geadviseerd wordt om betrokkene op grond hiervan verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

6. a. Welke factoren voortkomend uit de ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van betrokkene kunnen van belang zijn voor de recidive?

6. a. Persoonlijkheidsproblematiek, alcoholafhankelijkheid (…) leiden, indien niet afdoende onder controle gebracht, tot een hoge kans op een recidief;

b. Betrokkene is emotioneel sterk met het slachtoffer geïnvolveerd. Betrokkene is sterk rancuneus jegens het slachtoffer. Betrokkene is twee jaar geleden van het slachtoffer gescheiden. Het slachtoffer heeft een nieuwe relatie. Betrokkene is eenzaam. Betrokkene heeft recentelijk te horen gekregen dat hij blaaskanker heeft, met mogelijk een slechte prognose.

c. Alle genoemde factoren en condities werken versterkend op elkaar in. (…)

Positief effect valt alleen te verwachten van absistentie van alcohol en van langdurig en adequaat toezicht op betrokkenes gedrag. Een intramurale setting is daarvoor een conditio sine qua non. Forensische klinieken lijken voor genoemde interventies niet voldoende geoutilleerd te zijn. Alleen de TBS-kliniek en de PI lijken betrokkene te kunnen bieden wat hij vanuit het oogpunt van veiligheid van het slachtoffer nodig heeft.

B.4.

Voor zover hier van belang is in het rapport Pro Justitia aangaande psychologisch onderzoek betreffende verdachte, d.d. 2 december 2010, opgemaakt door [psycholoog 2], GZ psycholoog, op pagina 21 het volgende opgenomen:

2. De ziekelijke stoornis bestaat uit verslaving aan alcohol en een depressieve stoornis, recidiverend. De gebrekkige ontwikkeling bestaat uit antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken, sluit uit persoonlijkheidsstoornis NAO met voornamelijk antisociale en narcistische kenmerken. Daarnaast is er sprake van een partner-relatie probleem.

3. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde hebben de depressie en de ontregelende werking van alcohol de pathologische persoonlijkheidstrekken sterk opgestuwd. De persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene heeft daarom zijn gedrag fors beïnvloed.

4. Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)?

Indien en voor zover bewezen was dit het geval.

5. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. op welke manier dat gebeurde,

In aanloop tot het ten laste gelegde is betrokkene sterk gekrenkt geweest omdat aangeefster haar eigen plan trok en niet deed wat hij wilde. Hij kon dit niet verdragen en in de jaren voorafgaand aan het ten laste gelegde was er sprake van een toenemende spiraal van conflicten en verbaal (mogelijk fysiek) geweld. Indien het ten laste gelegde bewezen geacht wordt hebben zowel de narcistische krenkbaarheid, de verlaagde frustratietolerantie, de woede om haar afwijzing en zijn onvermogen om zich te verplaatsen in anderen een belangrijke rol gespeeld. Daarnaast is ook zijn zwart/witte denktrant van invloed geweest, in de zin dat hij aangeefster de schuld gegeven heeft van alles wat er gebeurd is. Uiteindelijk is ook de alcohol belangrijk geweest in de zin dat betrokkene hierdoor meer ontremd geraakt is.

b. in welke mate dat gebeurde,

In ernstige mate.

c. welke conclusie aangaande de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is. Bij het advies aangaande de mate van toerekeningsvatbaarheid zijn alle onder 5.a genoemde factoren meegewogen. Het is niet te doen gebruikelijk om het misbruik van middelen mee te wegen bij het advies aangaande de mate van toerekening, maar in dit geval heeft onderzoeker dat wel gedaan omdat alcohol een belangrijk, en wellicht het enige, copingmechanisme is waar betrokkene over lijkt te beschikken. Op basis hiervan is het advies om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, indien en voor zover het ten laste gelegde bewezen geacht wordt.

6. a. Welke factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?

De kans op recidive is in eerste instantie ingeschat met behulp van de HCR-20. Het is mogelijk dat deze risicotaxatie onvolledig is omdat onderzoeker over weinig informatie uit het verleden beschikt. Als historische items zijn verhoogd: instabiliteit van relaties, problemen in het arbeidsverleden, problemen met middelengebruik en de pathologische persoonlijkheidstrekken. Verhoogde klinische items zijn het gebrek aan zelfinzicht, de negatieve opvattingen en de impulsiviteit. Als risicohanteringsitems zijn verhoogd de geringe kans dat plannen zullen slagen, blootstelling aan destabiliserende factoren, de geringe beschikbaarheid van persoonlijke steun en het hoge niveau van ervaren stress. Op basis van de HCR-20 schat onderzoeker de kans op recidive als hoog in.

Onderzoeker heeft vervolgens de kans op recidive op klinische basis ingeschat. Afgezien van het bovenstaande is daarbij nog meegewogen dat er al eerder sprake geweest is van (ernstig?) geweld in de relationele sfeer. (…) Een belangrijke risicofactor is het feit dat er tot nu concreet niets aan de situatie veranderd is. Betrokkene is nog steeds sterk overtuigd van zijn eigen gelijk en (zeer) verbolgen over het onrecht dat aangeefster hem in zijn beleving heeft aangedaan. Hij legt alle schuld voor het gebeurde bij aangeefster en laat zich onvoldoende aanspreken op zijn eigen aandeel, indien en voor zover bewezen. Hierdoor is de intrinsieke motivatie tot verandering zeer beperkt. Afgezien van zijn wraakgevoelens heeft hij nog steeds liefdesgevoelens voor aangeefster. (…). Aangezien aangeefster zijn gevoelens niet deelt, zal zij zijn avances alleen maar kunnen afwijzen waardoor ook in de toekomst de gemoederen hoog zullen oplopen. Daarnaast is er ook niets veranderd aan de problematiek van betrokkene: door het ontbrekend ziekte-inzicht ziet hij de noodzaak tot verandering niet in. Bovendien vindt hij zijn alcoholgebruik geen probleem en is hij niet gemotiveerd om daar iets aan te veranderen.

Afgezien hiervan gaat onderzoeker ervan uit dat de kans op geweldsescalaties in de toekomst alleen maar zal toenemen. Zijn preoccupatie met aangeefster zal ongetwijfeld blijven bestaan. Bij een steeds verder verslechterende lichamelijk conditie is het de verwachting dat zijn woede over haar verlating en gevoelens van wraaklust zullen toenemen. Gedachten als: 'Zij zou voor mij moeten zorgen' of 'Kijk eens hoe slecht ik het heb en dat komt allemaal door haar', kunnen dan al snel post vatten. Betrokkene refereert hier nu al indirect aan als hij aangeeft dat hij graag zijn ziekte met haar had willen delen. Hoe slechter zijn lichamelijke conditie zal zijn, hoe minder hij ook geremd zal worden door de dreiging van sancties en/of juridische gevolgen op zijn gedrag.

Dit alles in overweging nemend komt onderzoeker op klinische basis tot de inschatting dat de kans op recidive hoog tot zeer hoog is. (…)

b. Welke andere factoren en condities moeten hierbij in ogenschouw worden genomen?

Door ontbrekende primaire levensvoorzieningen zoals een woning, inkomen en dergelijke zullen de spanningen alleen maar verder oplopen en zal betrokkene alleen maar in toenemende mate verbolgen raken. Het is de verwachting dat hij hierdoor de neiging zal hebben om steeds meer alcohol te drinken, waardoor hij nog sneller ontremd zal raken en de kans op recidive alleen maar toe zal nemen. (…)

7. Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies op deze factoren en condities en hun onderlinge beïnvloeding en binnen welk juridisch kader zou dit gerealiseerd kunnen worden?

Vanuit een gedragskundig forensisch perspectief kan onderzoeker niet komen tot suggesties om de problematiek van betrokkene therapeutisch te beïnvloeden. Deze is immers diep verankerd in zijn leven en hulpverlenerstrajecten hebben tot nu toe geen succes gehad. Het is daarom niet de verwachting dat een eventueel toekomstig behandeltraject, waarvan betrokkene zelf de noodzaak niet inziet, kans van slagen zal hebben. Daarnaast is ook zijn slechte lichamelijke conditie een bijkomend probleem: als betrokkene ziek zal worden zal zijn motivatie voor behandeling, die er nu ook al niet is, alleen maar verder afnemen. Enige punt van aangrijpen om de kans op recidive terug te dringen lijkt dus gelegen te liggen in de beïnvloeding van omgevingsfactoren.

Onderzoeker heeft daarbij het volgende overwogen:

Betrokkene lijkt vooral over te gaan tot agressie op het moment dat hij contact heeft met aangeefster en als hij onder invloed is van middelen. Het is mogelijk dat de kans op recidive enigszins gedempt zal worden op het moment dat betrokkene uit de omgeving van aangeefster is en niet de fysieke mogelijkheid heeft om contact met haar te zoeken. Dit zou gerealiseerd kunnen worden als betrokkene ver weg zou wonen en hij niet in de gelegenheid zal zijn om met het openbaar vervoer naar [slachtoffer] te gaan. Dit is echter een zeer broze basis om recidive te voorkomen. Indien betrokkene zou besluiten aangeefster kwaad te willen doen, zal hij dit ook kunnen realiseren als hij ver weg woont.

Op basis van het bovenstaande kan onderzoeker niet komen tot een behandeladvies om de kans op recidive terug te dringen.

B.5.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 13 december 2011 heeft [psycholoog 2], GZ psycholoog -voor zover hier van belang- als getuigendeskundige het volgende verklaard:

Met de door mij in het rapport op bladzijde 19 onder punt 13 gebruikte woorden: “De gebrekkige ontwikkeling bestaat uit antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken, sluit uit persoonlijkheidsstoornis NAO met voornamelijk antisociale en narcistische kenmerken”, bedoel ik dat allebei mogelijk is. Ik weet niet welke conclusie de juiste is. Ik zie wel pathologische trekken, maar ik weet niet of die zo sterk verankerd zijn dat kan worden gesproken van een stoornis. Dit is meer een kwantitatief verschil, dan een kwalitatief.

Ik heb de recidivetest zelf afgenomen. Ik schat de kans op recidive als hoog in.

B.6.

Het hof neemt deze conclusies van voornoemd deskundigenrapporten en de door drs. [psycholoog 2] als getuigendeskundige in de door haar afgelegde verklaringen ten aanzien van verdachte geuite conclusie over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

B.7.

Het hof heeft de inhoud van het door [psychiater 2], psychiater/psychoanalyticus opgemaakte rapport d.d. 30 november 2011 aangaande psychiatrisch onderzoek betreffende verdachte niet gevolgd. Naar het oordeel van het hof miskent dit rapport dat bij verdachte helemaal geen sprake is geweest van gecontroleerd handelen van verdachte tijdens het incident dat op 8 juli 2010 met het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Het is enkel aan het doortastende optreden van het slachtoffer te danken dat verdachte er niet in is geslaagd aangeefster met het mes te steken.

Voorts blijkt uit dit rapport niet waarop de daarin geuite verwachting dat verdachte een positieve instelling zal ontwikkelen voor de invulling van zijn laatste levensjaren als gevolg van zijn veranderde levensverwachting is gebaseerd.

B.8.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte ter beschikking dient te worden gesteld, nu tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, de door verdachte gepleegde poging tot doodslag een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, verdachte zich voorts heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf dat is omschreven in artikel 285, eerste lid, van het wetboek van Strafrecht (bedreiging), en de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte eist.

Het hof overweegt dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat geldt zowel ten aanzien van de poging tot doodslag als ten aanzien van de bedreiging, nu verdachte het slachtoffer niet alleen verbaal met de dood bedreigde, maar zich op dezelfde dag met een mes naar haar woning heeft begeven. Het voorgaande brengt met zich dat de totale duur van deze maatregel niet is gemaximeerd.

Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van de voornoemde rapporten die over de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht, in het bijzonder het hoge recidiverisico waartoe wordt geconcludeerd, het ontbreken aan inzicht bij verdachte in zijn persoonlijkheidsproblematiek en de beperkte motivatie bij verdachte om zich te laten behandelen voor deze problematiek.

Voorts neemt het hof in aanmerking de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheid dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, te weten poging tot moord, alsmede het feit dat verdachte de bewezenverklaarde poging tot doodslag heeft gepleegd gedurende de schorsing van een bevel tot voorlopige hechtenis betrekking hebbende op de eveneens bewezenverklaarde bedreiging begaan door verdachte op

25 mei 2010 jegens het slachtoffer.

C.1.

Ten aanzien van de door de verdediging bepleite maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden overweegt het hof het volgende.

C.2.

Voor zover hier van belang is in het ten aanzien van verdachte door [reclasseringswerker 1], en [reclasseringswerker 2], opgemaakte Reclasseringsadvies, d.d. 3 december 2010, op pagina 11 het volgende opgenomen:

Toezicht op bijzondere voorwaarde en interventies/behandelingen zijn niet geïndiceerd. Wij sluiten ons aan bij de bevindingen van de gedragsdeskundigen, de heer [psychiater 1] en mevrouw [psycholoog 2], luidende als volgt:

“Wanneer we kijken naar het juridische kader waarbinnen een en ander vorm gegeven zou kunnen worden, dan lijken varianten die de mogelijkheid van een verblijf in een intramurale setting aanbieden als opgelegde voorwaarde (bv. bij een voorwaardelijk strafdeel of bij een terbeschikkingstelling met voorwaarden) geen soelaas te bieden. Betrokkene heeft geen probleembesef, is niet gemotiveerd voor behandeling in engere zin. Het valt ook te vrezen dat de FPA 's en FPK's die in Nederland de behandelingen binnen een voorwaardelijk kader uitvoeren, betrokkene niet zullen accepteren (…) of niet kunnen bieden wat hij nodig heeft (met name op het gebied van toezicht). De enige twee modaliteiten die dan nog overblijven zijn: 1. het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, en 2. het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (maar dan is de veiligheid van zijn ex-vrouw alleen gegarandeerd voor de duur van de detentie). (…)”

C.3.

Het hof neemt de conclusies van het hiervoor onder C.2. geciteerde reclasseringsadvies, alsmede de hiervoor onder B.2 tot en met B.4. geciteerde rapporten over en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

C.4.

Gelet op de inhoud van het hiervoor geciteerde reclasseringsadvies, alsmede de hiervoor onder B.2 tot en met B.4. geciteerde rapporten, in het bijzonder het ontbreken aan inzicht bij verdachte in zijn persoonlijkheidsproblematiek en de beperkte motivatie bij verdachte om zich te laten behandelen voor deze problematiek, is van behandeling van verdachte binnen een voorwaardelijk kader onvoldoende resultaat te verwachten.

Mitsdien ziet het hof geen reden om verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

C.5.

Nu de algemene veiligheid van personen en goederen zulks eist zal het hof bevelen dat de terbeschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Naar het oordeel van het hof dient deze terbeschikkingstelling zo spoedig als mogelijk te worden aangevangen.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1. primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 37a, 37b, 45, 56, 57, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-845231-10 en in de zaak met parketnummer 01-845288-10 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-845231-10 en in de zaak met parketnummer 01-845288-10 onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes (goednummer 206632).

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. P.A.G.M. Cools en mr. J.F.M. Pols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 27 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P.A.G.M. Cools is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.