Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU9202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
20-004054-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsgevolg onrechtmatig betreden van personenauto van verdachte. Geen bewijsuitsluiting, wel strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-004054-10

Uitspraak : 23 december 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 november 2010 in de strafzaak met parketnummer

01-821468-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van:

- “Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994”

- “Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”

- “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid”

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen:

- voor de hem onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- voor het hem onder 1. ten laste gelegde feit tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden.

De verdediging heeft:

- zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1. en 2. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof;

- bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 3. ten laste gelegde;

- bepleit dat ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde sprake is van eendaadse dan wel meerdaadse samenloop;

- bepleit dat aan verdachte een werkstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 november 2009 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 515 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op of omstreeks 08 november 2009 te Eindhoven terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3.

hij op of omstreeks 08 november 2009 te Eindhoven opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 775 gram hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 08 november 2009 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 515 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op 08 november 2009 te Eindhoven terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd;

3.

hij op 08 november 2009 te Eindhoven opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 775 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 3. ten laste gelegde, omdat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de doorzoeking van de auto van verdachte, waarin de onderhavige hoeveelheid hennep is aangetroffen, onrechtmatig was, omdat er onvoldoende ernstige bezwaren waren om tot doorzoeking van de auto over te gaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Blijkens het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is, nadat bleek dat verdachte gesignaleerd stond voor de Opiumwet, op 8 november 2009 door de dienstdoende hulpofficier van justitie de opdracht gegeven om de personenauto van verdachte te doorzoeken op grond van de Opiumwet. Vervolgens is door voormelde verbalisanten de personenauto van verdachte betreden.

B.3

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de doorzoeking van de auto heeft plaatsgevonden op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet. Deze bepaling luidt voor zover hier van belang als volgt:

“De opsporingsambtenaren hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:

a. tot de vervoermiddelen, met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede ingevoerd of vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld in lijst I of II;

(…)”

B.4

De enkele omstandigheid dat verdachte gesignaleerd stond voor de Opiumwet levert niet een redelijk vermoeden op dat in de personenauto van verdachte middelen als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet werden vervoerd of dat daarin, daarop of daaraan dergelijke middelen bewaard werden of aanwezig waren. In aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat aan het betreden van de personenauto van verdachte andere omstandigheden ten grondslag zijn gelegd dan voormelde signalering, hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van de Opiumwet de toegang verschaft tot de personenauto van verdachte.

Bijgevolg is het hof van oordeel dat het betreden van de personenauto van verdachte onrechtmatig was. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

B.5

De vraag is of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan voormeld vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Het hof stelt daarbij voorop dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Een eventuele schending van voormeld belang van verdachte als gevolg van een vormverzuim levert dus niet een nadeel op als bedoeld in art. 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

B.6

In casu gaat het naar ‘s hofs oordeel om een substantieel vormverzuim. Artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet strekt tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De verdachte is door bovenomschreven gang van zaken ook getroffen in het belang dat het geschonden voorschrift heeft te dienen. Redenen die de verwijtbaarheid van het vormverzuim zouden opheffen of verminderen zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Gelet daarop is het hof van oordeel dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven en dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.

B.7

Bewijsuitsluiting kan slechts aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Het onrechtmatig betreden van de auto van verdachte levert naar het oordeel van het hof een schending van het in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op, maar daardoor is niet een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate geschonden. Aldus is geen plaats voor bewijsuitsluiting.

B.8

Gelet op het vorenstaande komt het hof niet tot bewijsuitsluiting. Wel dient het vormverzuim naar het oordeel van het hof te worden gecompenseerd door vermindering van de hoogte van de straf.

Bijgevolg verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3. bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1. en 2. bewezen verklaarde aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat sprake is van eendaadse samenloop. Het hof is evenwel van oordeel dat artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 een andere strekking heeft dan artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Er is naar het oordeel van het hof derhalve geen sprake van eendaadse samenloop.

Het hof is wel van oordeel dat sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in

artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

C.1

Het hof heeft bewezen verklaard – kort weergegeven – dat verdachte onder invloed van alcohol en terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, een personenauto heeft bestuurd en dat hij opzettelijk ongeveer 775 gram hennep heeft vervoerd.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden voor het hem onder 1. ten laste gelegde feit.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte een werkstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zal worden opgelegd.

C.2

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door het door het onder 1. en 2. bewezen verklaarde de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht. Verdachte had op de eerste plaats een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank genuttigd en was alleen daardoor al niet in staat op een verantwoorde wijze een auto te besturen. Bovendien was verdachte niet bevoegd om als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer deel te nemen en moet hij derhalve ook om die reden worden geacht niet capabel te zijn geweest de auto op een veilige wijze te besturen;

- de hoeveelheid hennep die verdachte opzettelijk heeft vervoerd;

- het gegeven dat het onder 3. bewezen verklaarde handelen van verdachte in relatie staat met de handel in softdrugs, welke handel (vaak) allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten, zoals het ontduiken van belastingen, veroorzaakt; daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

9 november 2011, waaruit blijkt dat hij reeds eerder ter zake van delicten soortgelijk aan het onder 1. en 2. ten laste gelegde door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf enerzijds aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid, anderzijds bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd.

Genoemde oriëntatiepunten geven gelet op het ademalcoholgehalte en de recidive ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde als indicatie voor de op te leggen straf, een geldboete ter hoogte van EUR 650,00, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte meermalen is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 neemt het hof in plaats van de geldboete een gevangenisstraf voor de duur van twee weken tot uitgangspunt.

Voor de op te leggen straf ten aanzien van het besturen van een motorrijtuig in geval van een ongeldig verklaard rijbewijs geven de genoemde oriëntatiepunten als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Gelet op het voorgaande heeft het hof voor het onder 1., 2. en 3. bewezen verklaarde een gevangenisstraf voor de duur van acht weken en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden tot uitgangspunt genomen.

Het hof acht het, gelet op hetgeen met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is gebleken, evenwel niet noodzakelijk dat aan de verdachte opnieuw zijn vrijheid zal worden ontnomen. Het hof acht mitsdien een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 110 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden in beginsel een passende reactie.

C.3

Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, bestaande uit het onrechtmatig betreden van de personenauto van verdachte. Om die reden zal het hof de op te leggen straf verminderen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat aannemelijk is dat verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden dat is veroorzaakt door het vormverzuim. Dit nadeel is ook geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering. Ten slotte is strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd.

C.4

Het hof is van oordeel dat in beginsel de oplegging van onder meer een werkstraf voor de duur van 110 uur passend zou zijn, doch in het hiervoor geconstateerde vormverzuim ziet het hof aanleiding een werkstraf voor de duur van 100 uur op te leggen.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte voorwaardelijk de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Met oplegging van een dergelijke voorwaardelijke straf wordt voorts enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1., 2. en 3. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1. bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. J.W.A. Nieuwenhuijsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 23 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.W.A. Nieuwenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.