Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8930

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
HD 200.062.552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na mislukte poging tot moord; Hoogte smartengeldvergoedingen en andere schadeposten, voor het eerst in hoger beroep gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.062.552

arrest van de vierde kamer van 20 december 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te Hongarije,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.J. Thie,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. E.A.P. Mulders,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 maart 2010 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 10 januari 2007, 2 januari 2008 en 9 december 2009 tussen principaal appellant - [X.] - als gedaagde en principaal geïntimeerde - [Y.] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 148266/HA ZA 06-1984)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, heeft [X.] onder overlegging van acht producties drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot het toekennen van een substantieel lager bedrag inzake smartengeld. Voorts heeft [X.] gevorderd dat [Y.] wordt veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [X.] ter voldoening aan het vonnis in eerste aanleg aan [Y.] heeft voldaan alsmede dat [Y.] wordt veroordeeld aan [X.] te betalen wegens vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatige gelegd beslag een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over die bedragen.

2.2. Bij memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, tevens houdende vermeerdering van eis heeft [Y.] elf producties overgelegd en de grieven bestreden. In incidenteel appel heeft [Y.] één grief aangevoerd en de eis vermeerderd en geconcludeerd, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vorderingen zoals in deze memorie nader omschreven.

2.3. [X.] heeft in incidenteel appel geantwoord, daarbij zeven producties overgelegd, en daarbij voorts bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis van [Y.].

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. De rechtbank heeft in r.o. 2.1 t/m 2.7 van het vonnis van 2 januari 2008 de feiten vastgesteld waarvan in dit geschil moet worden uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en zijn ook in dit hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staat nog een aantal andere feiten vast.

4.2. Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

(a) [X.] (geboren [geboortedatum] 1943) en [Y.] (geboren [geboortedatum] 1944) zijn bekenden van elkaar. [Y.] is gehuwd geweest met [Z.], een zus van [X.]. Dit huwelijk is eind jaren negentig door echtscheiding ontbonden. Deze echtscheiding is, mede in verband met de strijd over het gezag over de twee tijdens huwelijk geboren kinderen, emotioneel verlopen. [Y.] en de familie [X.] leven in onmin met elkaar.

(b) Op de avond van 21 maart 2002 is [Y.] bij zijn woning met een vuurwapen tegen het hoofd geschoten. [Y.] heeft deze aanslag overleefd.

(c) Bij vonnis van 15 juli 2003 van de rechtbank Rotterdam is bewezen geacht dat [X.]:

“op 21 maart 2002 te [plaatsnaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [Y.] van het leven te beroven met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels op die [Y.] heeft afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

Ter zake deze poging tot moord is [X.] door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren met aftrek van de tijd die [X.] in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de vordering van [Y.] als benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard was dat deze zich leende voor behandeling in het strafgeding. [Y.] is in de vordering niet ontvankelijk verklaard.

(d) [X.] en de officier van justitie hebben tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 9 juli 2004 is het vonnis waarvan beroep vernietigd en is opnieuw recht gedaan. Daarbij is de poging tot moord wederom bewezen geacht, met veroordeling van [X.] tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van de tijd die [X.] in voorarrest had doorgebracht. Voorts heeft het hof [X.] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.000,00 aan [Y.] bij wijze van voorschot op de door hem als benadeelde partij geleden immateriële schade als ook tot betaling van de door [Y.] in verband met zijn vordering gemaakte kosten, die zijn begroot op € 325,00.

(e) Het door [X.] tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep heeft in de uitspraak van het hof geen verandering gebracht. [X.] heeft zijn straf uitgezeten en woont thans in Hongarije.

(f) Ter verzekering van het verhaal van de schade heeft [Y.] op 16 augustus 2006 conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [X.].

(g) [Y.] is met ingang van augustus 2009 met pensioen gegaan.

4.3.1. [Y.] heeft bij dagvaarding van 25 augustus 2006 [X.] in rechte betrokken en gevorderd dat [X.] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 80.354,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 maart 2002, met veroordeling van [X.] in de kosten van de procedure, de kosten van de beslagen daaronder begrepen.

[Y.] stelde daartoe dat met de strafrechtelijke veroordeling van [X.] diens civiele aansprakelijkheid jegens [Y.] gegeven is. [Y.] stelde verder dat hij als gevolg van de handelwijze van [X.] materiële en immateriële schade heeft geleden. De materiële schade bestaat volgens [Y.] onder meer uit schoonmaakkosten, kosten van kleding, kosten voor herstelwerkzaamheden aan zijn woning en buitengerechtelijke kosten, welke kosten uitkomen op een totaalbedrag van € 5.354,85. Daarnaast vorderde [Y.] immateriële schade ad € 75.000,00.

4.3.2. [X.] heeft zijn aansprakelijkheid gemotiveerd betwist.

4.3.3. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 2 januari 2008 overwogen, kort samengevat, dat op grond van de strafrechtelijke veroordeling van [X.] in deze civiele procedure in beginsel als vaststaand moet worden aangenomen dat [X.] de dader is van het bewezen verklaarde feit en dat hij derhalve onrechtmatig jegens [Y.] heeft gehandeld. Daarop is [X.] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de inhoud van het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 9 juli 2004 voor zover daarbij bewezen is verklaard dat hij, kort gezegd, met een vuurwapen kogels op [Y.] heeft afgevuurd.

4.3.4. Nadat vele getuigen zijn gehoord, heeft de rechtbank bij vonnis van 9 december 2009 op grond van de getuigenverklaringen en op grond van de vele door [X.] aangevoerde feiten en omstandigheden, die alle door de rechtbank grondig zijn gewogen, geconcludeerd dat [X.] er niet in is geslaagd het dwingend bewijs te ontzenuwen. Aldus staat volgens de rechtbank vast dat [X.] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [Y.]. De door [Y.] gevorderde materiële schade heeft de rechtbank ex aequo et bono begroot op een totaal bedrag van € 4.500,00. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank in verband met de door [Y.] gestelde en door [X.] weersproken psychische klachten overwogen dat zij deze kon begroten zonder alsnog een deskundigenbericht in te winnen. De rechtbank achtte, rekening houdend met de alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan [X.] te maken verwijt, de aard, ernst en duur van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde, en rekeninghoudend met bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen, een bedrag van € 30.000,00 passend. Gelet op het in genoemd arrest van hof ’s-Gravenhage toegekende voorschot ad € 5.000,00, werd een bedrag van € 25.000,000 toegewezen. [X.] is daarop veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 29.500,00 en veroordeeld in de proceskosten, waaronder ook de beslagkosten.

4.4. In de kop van de memorie van grieven van [X.] staat dat deze tevens een wijziging van eis inhoudt. [X.] was echter in eerste aanleg gedaagde en geen eiser. Uit de memorie blijkt niet waarop die eiswijziging betrekking heeft.

Voor zover deze eiswijziging ziet op de in het petitum onder 3 gevorderde schade als gevolg van het gestelde onrechtmatig gelegde beslag is [X.] niet ontvankelijk in zijn vordering. Het is immers niet toegestaan voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen.

Voor zover [X.] met de eiswijziging doelt op de onder 2 van het petitum gevorderde terugbetaling van hetgeen door [X.] ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan [Y.] heeft betaald, geldt dat deze vordering een sequeel is van de gevorderde vernietiging. Deze vordering, die geen reconventionele vordering is, betreft geen eiswijziging.

4.5. [X.] richt alleen grieven tegen het eindvonnis van 9 december 2009 en niet tegen de tussenvonnissen van 10 januari 2007 en 2 januari 2008. Derhalve zal [X.] in het hoger beroep gericht tegen genoemde tussenvonnissen niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.6. Om hem moverende redenen ziet [X.] ervan af in dit hoger beroep nog langer zijn betrokkenheid bij het schietincident te betwisten. Met de principale grieven komt [X.] op tegen de vaststelling van het smartengeld op een bedrag van € 30.000,00. Dit bedrag acht [X.] niet gerechtvaardigd.

4.7. Ook de incidentele grief is gericht tegen de vaststelling van de immateriële schadevergoeding. Volgens [Y.] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat een vergoeding van € 30.000,00 passend is. Hij stelt dat een smartengeldvergoeding van € 75.000,00 voor de door hem geleden schade ten gevolge van de moordpoging reëel is.

4.8. [Y.] heeft daarnaast in incidenteel appel zijn eis vermeerderd. [Y.] vordert in dit hoger beroep dat [X.] wordt veroordeeld tot betaling van:

(a) een bedrag van € 490,50 inzake telefoonkosten; dit bedrag was in eerste aanleg wel genoemd maar door de (toenmalige) advocaat van [Y.] niet in de opsomming in punt 17 (hof: bedoeld zal zijn punt 18) van de dagvaarding en het petitum meegenomen;

(b) een bedrag van € 54.560,00 betreffende arbeidsvermogensschade;

(c) een bedrag van € 161,00 in verband met kosten voor de periode dat hij in het ziekenhuis heeft gelegen (berekend conform NPP-richtlijn uit 2002);

(d) een bedrag van € 3.604,99 betreffende de kosten van de geïnstalleerde beveiligingscamera’s;

(e) een bedrag van € 2.967,00 voor vervangend tapijt;

(f) een bedrag van € 325,00 betreffende de kosten van de strafprocedure.

4.9. [X.] maakt bezwaar deze eisvermeerdering op dit late tijdstip in de procedure. [X.] wijst erop dat hij pas op 5 maart 2010 in hoger beroep is gegaan, zodat volgens [X.] vaststaat dat [Y.] zelf niet in hoger beroep zou zijn gegaan. Gelet op de hoogte van de eisvermeerdering van meer dan € 61.000,00 acht hij dat wel heel opmerkelijk, terwijl het bovendien gaat om schadeposten die zich reeds hebben voorgedaan in 2002/2003.

4.10. Het hof passeert het bezwaar van [X.]. De eisvermeerdering is immers tijdig, want bij memorie van grieven in incidenteel appel gedaan. Voorts geldt dat het hoger beroep mede dient tot herstel van verzuimen in eerste aanleg. Deze regel brengt mee dat het [Y.] is toegestaan in hoger beroep alsnog vergoeding te vorderen van in eerste aanleg niet geclaimde schadeposten.

4.11. Dit leidt ertoe dat in dit hoger beroep dient te worden onderzocht of de hiervoor in 4.8 weergegeven vorderingen van [Y.] toewijsbaar zijn. Daarnaast ligt gelet op inhoud van de grieven de smartengeldvordering ad € 75.000,00 opnieuw ter beoordeling voor.

Voor alle duidelijkheid: het in eerste aanleg toegewezen bedrag aan materiële schade van € 4.500,00 is in dit hoger beroep niet aan de orde.

arbeidsvermogensschade

4.12.1. [Y.] stelt dat hij schade heeft geleden in de vorm van verlies aan arbeidsvermogen.

Ter onderbouwing van deze post stelt [Y.] dat hij sinds 1982 werkt voor de Stichting [naam ] (hierna: de Stichting) als organisator van ondere andere seminars, politiestudiereizen, studiebijeenkomsten, lezingen, herdenkingsbijeenkomsten voor Amerikaanse oorlogsveteranen en uitwisselingsprogramma’s voor studenten. [Y.] erkent dat hij in de periode 1996 tot en met 1999 tijdelijk arbeidsongeschikt is geweest in verband met psychische klachten tengevolge van relatieproblemen. Eind 1998, begin 1999 heeft de verzekeringsarts van het GAK [Y.] het advies gegeven zijn werkzaamheden nog niet volledig te hervatten. Vanaf januari 2000 heeft [Y.] op parttime basis weer werkzaamheden voor genoemde Stichting verricht. [Y.] ontving in die periode een vergoeding van € 2.150,00 netto per maand plus een vaste onkostenvergoeding van € 700,00 per maand. In 2002 zou [Y.] zijn werkzaamheden uitbreiden, maar vanwege de klachten en beperkingen ten gevolge van de moordpoging was hij daartoe niet in staat. [Y.] viel hij terug op een uitkering van het UVW van € 1.481,36 netto per maand, welk bedrag door de Stichting werd aangevuld met een bedrag van € 750,00 netto per maand tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. [Y.] betwist dat hij in die periode arbeidsongeschikt was ten gevolge van psychische klachten naar aanleiding van de relatieproblemen.

Aangezien [Y.] met ingang van augustus 2009 met pensioen is, heeft hij gedurende een periode van in totaal 88 maanden (van maart 2002 tot augustus 2009) minder inkomsten gehad en maandelijks zelf een bedrag van € 620,00 voor zijn rekening moeten nemen. De totale schade in verband met verlies aan arbeidsvermogen bedraagt derhalve € 54.560,00.

4.12.2. [X.] betwist allereerst dat [Y.] tegen gevolge van het schietincident arbeidsongeschikt is geraakt. Volgens [X.] is [Y.] al vanaf ongeveer 1980 arbeidsongeschikt en zet hij zich vanaf 1982 af en toe in voor een door hemzelf opgerichte Stichting waarvoor hij zichzelf een vergoeding toekent. [X.] betwist voorts dat [Y.] ten tijde van het schietincident weer (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt was. Nu medische informatie en arbeidsdeskundig bewijs daarvan is niet overgelegd, staat volgens [X.] vast dat [Y.] ten tijde van het schietincident nog steeds arbeidsongeschikt was. [X.] betwist dat [Y.] er netto op achteruit gegaan is en wijst er in dat verband op dat [Y.] geen arbeidsovereenkomst, geen salarisstroken, aangiften en aanslagen IB en jaaropgaven van tenminste vijf jaren voorafgaande aan het schietincident heeft overgelegd.

Tot slot stelt [X.] dat er op grond van het door [Y.] gestelde helemaal geen sprake kan zijn van verlies aan arbeidsvermogen omdat er geen negatief verschil bestaat tussen het inkomen van [Y.] van vóór het incident en daarna.

4.12.3. Het hof is van oordeel dat dit laatste verweer van [X.] doel treft. Uit de stellingen van [Y.] volgt immers dat hij voorafgaand aan het schietincident een vergoeding ontving van € 2.150,00 netto per maand. Na het schietincident had [Y.] maandelijks de beschikking over een bedrag van € 2.231,36 netto: een UVW-uitkering ad € 1.481,36 en een bedrag van € 750,00 netto. De onkostenvergoeding van € 700,00, welke aan [Y.] voor het schietincident maandelijks ter beschikking werd gesteld, kan bij gebreke van nadere informatie van [Y.] niet als inkomen worden aangemerkt en dient daarom bij de berekening van de inkomensschade van [Y.] beschouwing te worden gelaten. Bij gebrek aan toelichting is immers niet anders gebleken dan dat de onkostenvergoeding strekte ter dekking van kosten, welke kosten [Y.] ten tijde van zijn arbeidsongeschiktheid niet (meer) had. De conclusie is dat [Y.] door het schietincident geen arbeidsvermogensschade heeft geleden, zodat deze schadepost niet voor toewijzing in aanmerking komt.

[Y.] heeft nog bewijs aangeboden van zijn stellingen schade te hebben geleden in de vorm van verlies aan arbeidsvermogen, maar nu [Y.] niet iets heeft gesteld dat indien bewezen tot een ander oordeel zou kunnen leiden, wordt dit bewijsaanbod als niet relevant gepasseerd.

telefoonkosten ad € 490,50

4.13.1. [Y.] stelt dat deze telefoonkosten in verband de onrechtmatige gedraging van [X.] voor vergoeding in aanmerking komen. In eerste aanleg is ter onderbouwing van deze kosten een overzicht van de in de periode van 25 maart 2002 tot en met 4 januari 2006 gepleegde telefoontjes en de kosten daarvan overgelegd.

4.13.2. [X.] maakt bezwaar tegen deze telefoonkosten. Volgens [X.] is niet uitgesloten dat op kosten van de Stichting is gebeld en bovendien blijkt niet dat het om meerkosten gaat omdat [Y.] geen specificaties (telefoonrekeningen van voor en na het incident) heeft overgelegd.

4.13.3. Dat, zoals [X.] stelt, niet is uitgesloten dat op kosten van de Stichting is gebeld, heeft hij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Dit verweer wordt gepasseerd.

Anders dan [X.] stelt, hoeft [Y.] niet aan te tonen dat het om ‘meerkosten’ gaat. Het gaat erom of de telefoongesprekken, die op genoemde lijst zijn vermeld, in verband met het incident door [Y.] zijn gemaakt. Dat is door [X.] niet betwist. Om die reden komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. De wettelijke rente over deze kosten is toewijsbaar vanaf de datum waarop de telefoonkosten zijn gemaakt. Voor de berekening daarvan dient naar het oordeel van het hof uitgegaan dient te worden van de data van de daarop betrekking hebbende telefoonnota’s.

ziekenhuisvergoeding ad € 161,00

4.14. [Y.] stelt dat hij op grond van de NPP-richtlijn recht heeft op een vergoeding van € 23,00 per dag en dat, nu hij in totaal 7 dagen in het ziekenhuis heeft gelegen, een ziekenhuisvergoeding van € 161,00 gerechtvaardigd is. Anders dan [X.] stelt, geldt deze richtlijn – thans Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en / revalidatiedaggeldvergoeding – niet alleen voor WAM-verzekeraars, dus niet alleen ingeval van letselschade door een verkeersongeval. Deze richtlijn betreft de vergoeding van diverse kosten van tijdelijk verblijf in een ziekenhuis als gevolg van een ongeval. Daarvan is in dit geval sprake, zodat [Y.] terecht aanspraak maakt op een ziekenhuisvergoeding van € 161,00. De wettelijke rente over deze kosten is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf 28 maart 2002.

installatie beveiligingscamera’s ad € 3.604,99

4.15.1. [Y.] wenst voorts vergoeding van de kosten die hij heeft gehad in verband met het installeren van beveiligingscamera’s. Hij stelt dat hij in verband met de moordaanslag last heeft van paniekreacties, angst, gespannenheid, slaapstoornissen en overmatige waakzaamheid en dat hij door middel van het plaatsen van beveiligingscamera’s zijn veiligheidsgevoel probeerde te verbeteren. De kosten daarvan houden volgens [Y.] rechtstreeks verband met de moordpoging. [Y.] legt ter onderbouwing van deze kosten een rekeningoverzicht van Chubb van 22 mei 2003 over.

4.15.2. [X.] stelt dat op dit rekeningoverzicht niet is vermeld dat het gaat om beveiligingscamera’s. [Y.] had tenminste de originele nota in het geding moeten brengen, aldus [X.].

4.15.3. Dit verweer van [X.] slaagt. Uit het door [Y.] overlegde rekeningoverzicht blijkt enkel dat sprake is van openstaande kosten, maar dat deze kosten betrekking hebben op de aanschaf- en installatiekosten van beveiligingscamera’s kan nu [Y.] de betreffende factuur niet heeft overgelegd daaruit niet worden afgeleid. Aldus heeft [Y.] zijn vordering onvoldoende onderbouwd. Bij gebreke daarvan wordt de vordering afgewezen.

kosten vervangend tapijt ad € 2.967,00

4.16.1. [Y.] vordert vergoeding van de kosten van vervangend tapijt in de woonkamer. Hij stelt dat hij eerst heeft getracht de bloedvlekken en bloedsporen, die ten gevolge van de moordaanslag op het tapijt in de huiskamer zaten, te verwijderen. In 1e aanleg heeft [Y.] van de kosten daarvan vergoeding gevorderd, welke kosten de rechtbank ook heeft toegewezen. Thans stelt [Y.] dat hij toen dat niet mocht baten uiteindelijk het tapijt heeft laten vervangen. Blijkens een offerte van de firma Life Style d.d. 4 juni 2002 zouden de kosten van het verwijderen van het oude tapijt en het leggen van het nieuwe tapijt neerkomen op een totaalbedrag van € 8.750,00. [Y.] heeft gekozen voor een goedkopere oplossing en via Vivante Hoek nieuw tapijt laten leggen voor een bedrag van € 2.967,00.

4.16.2. [X.] stelt dat deze schadepost dient te worden afgewezen, omdat in het kader van de schadebeperkingsplicht die op [Y.] rust het niet meer dan terecht is dat hij destijds heeft volstaan met het reinigen van het tapijt, welke kosten ook zijn vergoed. Het kan dan niet zo zijn dat [Y.] ook nog eens de kosten voor een nieuw tapijt op [X.] probeert te verhalen. Bovendien worden deze kosten doorgaans vergoed door de inboedelverzekeraar, aldus [X.].

4.16.3. Het hof is van oordeel dat deze kosten wel voor vergoeding in aanmerking komen.

Dat [Y.] in het kader van de op hem rustende schadebeperkingsplicht eerst heeft getracht de bloedvlekken te verwijderen, heeft niet tot gevolg dat, toen bleek dat deze kostenbeperkende methode niet het gewenste effect had, hetgeen [X.] niet heeft betwist, [Y.] geen recht meer had op vergoeding van de kosten van een vervangend tapijt. Uit de door [Y.] overgelegde offerte van Life Style van 4 juni 2002 blijkt dat de bloedvlekken niet verwijderd konden worden. De kosten moeten redelijkerwijs aan het incident worden toegerekend.

[X.] stelt wel dat deze kosten doorgaans door de inboedelverzekeraar worden gedekt, maar dat wil nog niet zeggen dat zulks ook in dit geval is gebeurd. Het hof passeert dit verweer.

De kosten van het vervangend tapijt zijn tot het bedrag van € 2.967,00 toewijsbaar. Uit de door [Y.] overgelegde offerte van Life Style blijkt het tapijt medio 2002 nog in zeer goede conditie verkeerde en pas anderhalf tot twee jaar oud was. Daarom zal het hof geen rekening houden met een voordeel van nieuw voor oud, zoals [X.] bepleit. De wettelijke rente over deze kosten is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf 3 maart 2005.

kosten strafprocedure ad € 325,00

4.17. [Y.] vordert voorts dat [X.] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 325,00. Dit bedrag heeft betrekking op de kosten die [Y.] in het kader van de strafprocedure heeft gemaakt. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft [X.] reeds tot betaling van dat bedrag veroordeeld. Om die reden kan [Y.] in de onderhavige civiele procedure niet nogmaals betaling van deze kosten vorderen. Het feit dat [X.] dat bedrag niet heeft betaald, maakt dat niet anders. [Y.] beschikt op grond van het genoemd arrest in de strafzaak immers over een executoriale titel om deze kosten op [X.] te verhalen.

smartengeldvergoeding ad € 75.000,00

4.18.1. Volgens de incidentele grief van [Y.] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat een vergoeding van € 30.000,00 in dit geval passend is voor de immateriële schade, terwijl de principale grieven van [X.] er in de kern op neer komen dat de rechtbank een te hoog bedrag heeft toegewezen. Voor een hoger bedrag dan € 5.000,00 dient op zijn minst vast te staan dat er ernstige en blijvende klachten zijn ontstaan als gevolg van het schietincident, aldus [X.]. [X.] stelt voorts dat in verband met zijn financiële situatie het smartengeld moet worden gematigd. Hij moet namelijk samen met zijn echtgenote en twee kinderen rondkomen van een bescheiden pensioen en AOW-uitkering.

4.18.2. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat ter vaststelling van de hoogte van de smartengeldvergoeding een deskundigenonderzoek naar de gestelde klachten en het causaal verband tussen de klachten en het incident niet nodig is. Vaststaat dat [Y.] al sinds 1996 kampte met psychische problemen en dat hij ten tijde van het schietincident ten gevolge van die klachten gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. De omstandigheid dat bepaalde klachten of beperkingen na het ongeval worden versterkt of – langer - blijven voortduren vanwege al bestaande klachten of vanwege de persoonlijkheid of moeilijke privé omstandigheden van het slachtoffer, doet er niet aan af dat op grond van vaste jurisprudentie die klachten en/of beperkingen aan het ongeval moeten worden toegerekend (HR 8 februari 1985, NJ 1985, 136 en 137). Dit is slechts anders ingeval van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien het slachtoffer zich van zijn kant – mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur en privé-moeilijkheden – onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het herstelproces (HR 4 november 1989, NJ 1989, 751). In het onderhavige geval zijn dergelijke bijzondere omstandigheden gesteld noch gebleken. Dat de klachten van [Y.] dus wellicht zijn versterkt of langer voortduren als gevolg van de al bestaande psychische klachten of zijn persoonlijkheid doet aan de aansprakelijkheid van [X.] ook voor deze klachten niet af. Bovendien is het hof met de rechtbank van oordeel dat evident is dat een slachtoffer van een poging tot moord, welke hij als gevolg van toevallige omstandigheden overleeft, daardoor immateriële schade lijdt door pijn, angst, onzekerheid en verdriet alsmede dat er dientengevolge sprake is van gederfde levensvreugde. Dit geldt in versterkte mate voor een slachtoffer dat een bijzondere aanleg heeft voor psychische klachten, zoals bij [Y.] het geval is, hetgeen voor rekening en risico van [X.] komt.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleszins aannemelijk is dat er bij [Y.] sprake is van de gestelde klachten. Voor de vaststelling van een smartengeldvergoeding is dat voldoende.

4.18.3. Bij de begroting van het smartengeld op de voet van art. 6:106 sub b BW dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder in ieder geval de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan [X.] te maken verwijt en de aard, ernst en duur van het letsel van [Y.]. Daarbij dient voorts acht te worden geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door de rechter zijn toegekend.

Het hof overweegt allereerst dat [X.] een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [Y.], hij heeft immers geprobeerd hem te vermoorden, hetgeen door geheel toevallige omstandigheden niet is gelukt. [X.] valt dus een zeer ernstig verwijt te maken. Hij heeft [Y.] op een zeer bedreigende wijze in zijn eigen huis naar het leven gestaan. Dat [Y.], die op dat moment al psychische klachten had, dientengevolge in ernstige mate psychisch ontregeld is geraakt is alleszins aannemelijk. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste en deugdelijke gronden heeft geoordeeld dat een smartengeldvergoeding van € 30.000,00 in de gegeven omstandigheden een billijke vergoeding is.

4.18.4. Het hof ziet gelet op de ernst van het verwijt dat [X.] valt te maken in de gegeven omstandigheden geen reden voor matiging. Het hof acht in de gegeven omstandigheden de financiële situatie van [X.] onvoldoende aanleiding om deze vergoeding naar beneden bij te stellen. Dit betekent dat de rechtbank terecht en op juiste gronden [X.] heeft veroordeeld aan [Y.] een smartengeldvergoeding te betalen van € 25.000,00, zijnde voornoemd bedrag van € 30.000,00 verminderd met het reeds door het gerechtshof ’s-Gravenhage toegekende voorschot van € 5.000,00.

resumé

4.19. Op grond van het voorgaande falen de principale grieven. De incidentele grief faalt eveneens. Om die reden wordt [X.] veroordeeld in de kosten van het principaal appel en [Y.] in de kosten van het incidenteel appel. Bij de begroting van de advocaatkosten volgens het liquidatietarief wordt, gelet op het belang van de zaak, in principaal appel uitgegaan van tarief III en in incidenteel appel van tarief V. Voorts wordt in het incidenteel appel vanwege de eisvermeerdering uitgegaan van het volledige aantal punten en niet zoals gebruikelijk van de helft daarvan. Derhalve wordt in casu uitgegaan van één punt.

4.20. In het kader van de eisvermeerdering van [Y.] dient [X.] thans meer te betalen aan [Y.]. Uit het voorgaande blijkt dat [X.] naast het bedrag waartoe hij in eerste aanleg is veroordeeld – in totaal € 29.500,00 - nog een bedrag van € 3.618,50, te weten € 490,50 inzake telefoonkosten, € 161,00 inzake vergoeding ziekenhuisverblijf en een bedrag van € 2.967,00 betreffende de kosten vervangend tapijt, aan [Y.] dient te betalen. Om die reden dient het vonnis van 9 december 2009 te worden vernietigd voor zover [X.] daarbij is veroordeeld tot betaling van € 29.500,00 en zal [X.] alsnog worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 33.118,50, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum nader omschreven. Het vonnis wordt voor het overige bekrachtigd aangezien [X.] in eerste aanleg terecht is veroordeeld in de proceskosten.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verklaart [X.] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de vonnissen van 10 januari 2007 en 2 januari 2008 en verklaart [X.] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding vanwege het door [Y.] gelegde beslag;

vernietigt het vonnis van 9 december 2009 voor zover [X.] daarbij is veroordeeld om aan [Y.] te betalen een bedrag van EUR 29.500,-- (negenentwintigduizend en vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke over het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding van EUR 25.000,-- met ingang van 21 maart 2002, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding van EUR 4.500,-- vanaf de datum van dagvaarding, zijnde 25 augustus 2006, tot aan de dag der algehele voldoening;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X.] om aan [Y.] te betalen een bedrag van € 33.118,50 (drieëndertigduizend en één honderd en achttien en een halve euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over:

een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 25.000,00 vanaf 21 maart 2001,

een bedrag aan materiële schade van € 4.500,00 vanaf 25 augustus 2006,

een bedrag van € 490,50 inzake telefoonkosten vanaf de datum van de betreffende nota’s, een bedrag van € 161,00 betreffende de ziekenhuisvergoeding vanaf 28 maart 2003,

een bedrag van € 2.967,00 inzake de kosten vervangend tapijt vanaf 3 maart 2005,

tot aan de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis van 9 december 2009 voor het overige;

wijst de in hoger beroep vermeerderde vordering van [Y.] voor het overige af;

veroordeelt [X.] in de proceskosten in het principaal appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Y.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 239,00 aan verschotten en op € 1.158,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze 14 dagen na aanmaning daartoe niet door [X.] zijn voldaan, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van dit hof;

veroordeelt [Y.] in de proceskosten in het incidenteel appel, welke kosten aan de zijde van [X.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op nihil aan verschotten en op € 2.632,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 december 2011.