Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8831

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
HV 200.096.170-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Redelijke toepassing van de wet brengt met zich dat schuldenaren die binnen 10 jaar nadat zij een schone lei hebben verkregen opnieuw buiten hun schuld in een uitzichtloze schuldenpositie geraken opnieuw toegang tot de WSNP moeten krijgen.

Art. 288 lid 2 sub d Fw

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 20 december 2011

Zaaknummer: HV 200.096.170/01

Zaaknummer eerste aanleg: 164347 FT-RK 11-720

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. B.P.J. Tillemans.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 18 oktober 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 oktober 2011, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar ontvankelijk te verklaren en de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog uit te spreken.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2011.

Bij die gelegenheid is [X.] gehoord, bijgestaan door mr. B.P.J. Tillemans.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de stukken van de eerste aanleg, afkomstig van de griffie van voornoemde rechtbank;

- de brief van de griffie van voornoemde rechtbank d.d. 2 november 2011.

3. De beoordeling

3.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) blijkt een totale schuldenlast van € 90.161,80. Daaronder bevinden zich een schuld van € 43.981,26 aan ABN AMRO, diverse schulden voor een totaalbedrag van ongeveer € 9900,=. aan Garage Bema B.V., diverse schulden voor een totaalbedrag van ongeveer € 15.000,= aan Zuidlease en een schuld van € 11.000,= aan de belastingdienst. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat deze aanvraag is ingediend door [X.]. [X.] heeft de schuldeisers een akkoord aangeboden van 5%. Een aantal schuldeisers is niet akkoord gegaan.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid lid 2 onder d Faillissementswet (Fw) overwogen dat het verzoek van de schuldenaar wordt afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van artikel 350, derde lid onder a of b Fw op grond van artikel 350, derde lid onder d Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.

3.3. [X.] heeft in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Op 12 juli 2001 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X.] uitgesproken. Op of omstreeks 27 oktober 2004 is deze schuldsaneringsregeling met de verlening van een schone lei en zonder uitdeling beëindigd. [X.] stelt dat zij sedert de beëindiging van deze schuldsaneringsregeling geen schulden meer heeft gemaakt. [X.] is van mening dat het haar niet toe te rekenen is dat zij momenteel aansprakelijk is voor diverse schulden. [X.] is op 6 mei 1975 in gemeenschap van goederen getrouwd met de heer [Y.]. De echtgenoot van [X.], wijlen de heer [Y.], heeft in eerste instantie in loondienst van ILS B.V. gewerkt. Daar heeft hij op weten te klimmen tot de functie van directeur. In 2005 deed de mogelijkheid zich voor om de onderneming over te nemen. Op enig moment werd deze vennootschap geconfronteerd met de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door een van haar grootste klanten, hetgeen ertoe heeft geleid dat een zeer groot deel van de omzet plotsklaps wegviel. In dat kader zijn de activiteiten van de vennootschap in 2007 stilgelegd, waarna de vennootschap is omgezet in een eenmanszaak. In 2008 leken de omzet en winst toe te nemen, zodat [Y.] besloot om personeel in dienst te nemen.

Op enig moment is bij [Y.] COPD geconstateerd. Daarnaast kampte hij met ernstige psychische klachten. De stress die deze psychische klachten veroorzaakten hadden weer tot gevolg dat de COPD-klachten fors verergerden. Als gevolg van de ernstige gezondheidsklachten zag [X.] zich genoodzaakt om haar (parttime)baan op te zeggen, opdat zij haar ernstig zieke echtgenoot kon verzorgen.

Het vorenstaande heeft ertoe geleid dat [X.] leeft van een bijstandsuitkering en de uitkering die haar man genoot. Na het overlijden van de echtgenoot van [X.] viel ook die uitkering weg. Tevens werd zij geconfronteerd met de schulden welke voortvloeien uit de eenmanszaak [Y.].

Voorts wenst [X.] te benadrukken dat zij heeft getracht om de schuldeisers een regeling aan te bieden naar analogie van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuldeisers is een percentage van 5% aangeboden.

Volgens [X.] valt haar niet toe te rekenen dat zij momenteel aansprakelijk is voor diverse schulden welke voortvloeien uit de eenmanszaak van haar echtgenoot, weshalve zij terecht een verzoek strekkende tot toelating van de schuldsanering heeft ingediend. Immers, enkel als gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden is [X.] in de positie komen te verkeren dat zij wederom genoodzaakt is een beroep op de schuldsaneringsregeling te doen.

3.4. [X.] wijst erop dat in artikel 288 lid 3 Fw een hardheidsclausule is neergelegd ten behoeve van artikel 288 lid 1 sub b en artikel 288 lid 2 sub c Fw. Hoewel [X.] zich realiseert dat voornoemde hardheidsclausule in beginsel niet ziet op artikel 288 lid 1 sub d Fw, meent [X.] dat ook haar een beroep op die hardheidsclausule behoort toe te komen, nu [X.] te goeder trouw is en oprecht en actief (maar tevergeefs) heeft getracht met de schuldeisers tot een schikking te komen. [X.] meent dan ook met het oog op de redelijkheid en billijkheid in casu, gelet op alle feitelijke omstandigheden, een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel en zij mitsdien voor toepassing van de schuldsanering in aanmerking dient te komen.

Ten overvloede merkt [X.] op dat zij aan alle overige vereisten die krachtens artikel 288 lid 1 Fw gelden om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsanering, voldoet. [X.] gaat, na een omscholing te hebben gevolgd, per 1 januari 2012 in de verzorging werken.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1. Ingevolge artikel 288 lid 2 aanhef en onder d Fw wordt het verzoek afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van artikel 350, derde lid onder a of b Fw of op grond van artikel 350, derde lid onder d Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.

3.5.2. Gebleken is dat op [X.] op 12 juli 2001 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Deze is op 27 oktober 2004 geëindigd met toekenning van de zogenoemde schone lei. In artikel 288 lid 2 Fw is een aantal weigeringsgronden opgenomen. Op grond van het bepaalde in sub d van dat artikellid wordt een toelatingsverzoek afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoek is ingediend ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. Op deze regel maakt de wetgever slechts enkele uitzonderingen. Eén daarvan verwijst naar artikel 350, lid 3 sub d Fw: wanneer de (eerdere) schuldsaneringsregeling tussentijds is beëindigd wegens het ontstaan of onbetaald laten van nieuwe, bovenmatige schulden om redenen die de schuldenaar niet kunnen worden toegerekend.

Naar aanleiding van een vraag van het gerechtshof heeft de advocaat van [X.] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat zij mede heeft bedoeld te betogen dat het materiële toepassingsgebied van artikel 288 lid 2 sub d Fw zich ook uitstrekt tot het geval dat het niet om een tussentijdse beëindiging, doch om een reguliere beëindiging van de schuldsaneringsregeling met toekenning van de schone lei gaat en er nadien bovenmatige nieuwe schulden zijn ontstaan die de schuldenaar niet zijn toe te rekenen.

3.5.3. Het hof deelt deze visie. De in de wet van 24 mei 2007 (Stbl. 192) neergelegde nieuwe toegangsregeling tot de wettelijke schuldsaneringsregeling beoogt zoveel mogelijk het juiste midden te houden tussen twee uitgangspunten. Enerzijds is daar het uitgangspunt van het formuleren van strenge toelatingscondities, beheersing van de toenemende instroom en daarmee de toenemende werklast voor rechter en bewindvoerder. Anderzijds klemt juist bij economische tegenwind het sociaal-maatschappelijke belang dat de schuldsaneringsregeling ook daadwerkelijk bereikbaar moet blijven voor wie te goeder trouw is, oprecht en actief (maar tevergeefs) heeft geprobeerd met zijn schuldeisers tot een schikking te komen en voor wie aldus in een benarde schuldenpositie geen andere keuze overblijft dan een beroep op de rechter te doen. Voor deze groep schuldenaren is de schuldsaneringsregeling oorspronkelijk bedoeld en voor die groep wordt de toegang tot de regeling ook in het nieuwe stelsel niet belemmerd (vgl. de MvT, Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 5). Tot laatstbedoelde groep behoort [X.] naar het oordeel van het hof en toch zou toepassing van artikel 288 lid 2 sub d Fw met zich brengen dat [X.] niet, althans niet op dit moment, kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, ondanks het feit dat zij slaagt in de bewijsvoering uit het eerste lid van artikel 288 Fw.

Hoofddoelstelling van vorenbedoelde wet is ‘de beheersing van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling’. Voorkomen moest worden dat niet saneringsrijpe schuldenaren tot de regeling werden toegelaten nu bij de wetgever de indruk bestond dat meer schuldenaren in de schuldsaneringsregeling terecht kwamen dan nodig en dat deze regeling onvoldoende fungeerde als laatste redmiddel. Van dat alles is in het geval van [X.] geen sprake; zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt saneringsrijp te zijn en de schuldsaneringsregeling is voor haar daadwerkelijk het laatste redmiddel (vgl. de MvT, Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, blz. 4).

De wetgever lijkt de termijn van tien jaar bovendien te koppelen aan de negatieve gronden voor tussentijdse beëindiging van artikel 350 lid 3 Fw, te weten het daar bepaalde sub d tot en met g. Nergens in de parlementaire stukken is echter een aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat wanneer een schuldenaar eenmaal een schone lei heeft verkregen, hij in de daarop volgende tien jaar niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten. In een dergelijke situatie heeft de schuldenaar er blijk van gegeven de verplichtingen die de regeling met zich brengt te kunnen nakomen. Het gevaar dat toelating van niet saneringsrijpe schuldenaren met zich brengt doet zich in dat geval dus niet voor. Redelijke toepassing van de wet brengt daarom naar het oordeel van het hof met zich dat schuldenaren die binnen tien jaar nadat zij een schone lei hebben verkregen opnieuw buiten hun schuld in een uitzichtloze schuldenpositie geraken, opnieuw toegang moeten kunnen krijgen tot de schuldsaneringsregeling.

Uit de diverse Monitoren Wsnp blijkt dat schuldenaren na verkrijging van een schone lei zelden opnieuw een beroep doen op de schuldsaneringsregeling. In 2010 werd een schuldenaar in 849 gevallen niet-ontvankelijk verklaard in een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling, zijnde 4.6 % van alle toelatingsverzoeken (Monitor Wsnp, zevende meting, blz.17). Dit moet gebeurd zijn wegens het ontbreken van stukken (285 lid 2 Fw), omdat geen correcte poging om tot een minnelijke regeling te komen was ondernomen (artikel 288 lid 2 sub b Fw), omdat er sprake was van strabis-schulden (artikel 288 lid 2 sub c Fw) of vanwege de tienjaarstermijn van artikel 288 lid 2 sub d Fw. Ofschoon de verschillende aanleidingen tot niet-ontvankelijkverklaring niet in cijfers zijn uitgedrukt, is aannemelijk dat laatstbedoeld artikellid in slechts een zeer gering aantal gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring heeft geleid. Met de opvatting van het hof wordt derhalve geen afbreuk gedaan aan de hoofddoelstelling van eerder genoemde wet om de toestroom tot de schuldsaneringsregeling te beperken.

3.6. Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van het hof niets in de weg aan onmiddellijke toelating van [X.] tot de schuldsaneringsregeling. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden vernietigd. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [X.], wonende te ([postcode]) [woonplaats], aan de [woonadres];

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Maastricht kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, Th.A. Pouw en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2011.