Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8342

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
HD 200.074.496
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA0828, Niet ontvankelijk
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:CA0828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koopovereenkomst auto, ontbinding en terugbetaling. . . . .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.074.496

arrest van de achtste kamer van 13 december 2011

in de zaak van

[X.],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.H. de Bruin,

tegen:

[Y.],

wonend te woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.M.P. van Zandvoort,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 september 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 16 juni 2010 tussen appellant - [X.] - als eiser en geïntimeerde - [Y.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 185320/HA ZA 08-2462)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het proces-verbaal van de zitting van 16 april 2010, waarbij mondeling vonnis is gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] onder overlegging van producties vijf (niet als zodanig genummerde) grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering als in eerste aanleg geformuleerd.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[X.] heeft in december 2005 een koopovereenkomst gesloten met [Y.] met betrekking tot een Mercedes-Benz SL 500 met kenteken [kenteken]. Volgens [X.] is een koopprijs overeengekomen van € 45.000,= en volgens [Y.] een bedrag van € 75.000,=.

[X.] heeft op 8 december 2005 per bank een bedrag betaald aan [Y.] van € 45.000,=, maar de betreffende auto is nimmer door [Y.] geleverd. Na de nodige discussies zijn partijen uiteindelijk overeengekomen om de koopovereenkomst ongedaan te maken. Hierbij heeft [X.] aanspraak gemaakt op teruggave van het door hem betaalde bedrag van € 45.000,=.

4.2.[X.] heeft bij inleidende dagvaarding van 30 juli 2008 een verklaring voor recht gevorderd dat deze koopovereenkomst is ontbonden, subsidiair gevorderd dat de betreffende overeenkomst door de rechter zal worden ontbonden en voorts dat [Y.] wordt veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 45.000,= vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.

4.3.[Y.] is op de dienende dag niet verschenen, waarna de rechtbank verstek tegen hem heeft verleend en het gevorderde bij vonnis van 10 september 2008 heeft toegewezen. [Y.] is bij dagvaarding van 28 november 2008 tegen dat vonnis in verzet gekomen. Daarbij heeft hij, kort samengevat, gevorderd om ontheven te worden van de tegen hem uitgesproken veroordeling en de vorderingen van [X.] alsnog af te wijzen. [Y.] heeft daarbij betoogd dat de betreffende koopovereenkomst buitengerechtelijk was ontbonden en dat hij het bedrag van € 45.000,= aan [X.] (reeds) had terugbetaald.

4.4.Bij vonnis van 31 december 2008 is een comparitie van partijen gelast. Nadat deze op 16 april 2009 was gehouden heeft de rechtbank mondeling vonnis gewezen. Daarbij is aan [Y.] opgedragen te bewijzen dat hij in of omstreeks december 2005, doch in ieder geval na 8 december 2005 op zijn bedrijf aan de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats] € 44.000,= in contanten heeft voldaan aan [X.]. Van de comparitie van partijen is een proces-verbaal opgemaakt.

4.5.Na bewijslevering heeft de rechtbank [Y.] geslaagd geacht in dat bewijs, het vonnis van 10 september 2008 vernietigd en de vorderingen van [X.] (alsnog) afgewezen. [X.] is in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissingen komt [X.] op.

4.6.1.De als eerste voorgedragen grief ziet op de omstandigheid dat het bestreden vonnis niet is gewezen door de rechter, die als rechter-commissaris de getuigen heeft gehoord. [X.] acht dit in strijd met een behoorlijke procesorde, waardoor zijn belangen zijn geschaad, waarbij hij verzoekt de hele procedure opnieuw te doen inclusief het horen van de getuigen.

4.6.2.De grief faalt. In het beroepen vonnis is melding gemaakt van de reden van de afwijking van artikel 155 lid 1 Rv, waarin is bepaald dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is geleverd, daarin zoveel als mogelijk het eindvonnis zal wijzen of zal meewijzen. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in lid 2 van het betreffende artikel. Tegen deze beslissing staat geen hogere voorziening open. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake is van strijd met een goede procesorde.

4.7.De overige grieven hebben de kennelijke strekking dat het hof het voorgebrachte bewijs opnieuw zal beoordelen en waarderen. Het hof stelt daarbij voorop dat – terecht – niet tegen de beslissing tot het bijbrengen van bewijs door [Y.] is gegriefd. Immers het door [Y.] gevoerde verweer dat hij na ontbinding van de koopovereenkomst het verschuldigde bedrag heeft terugbetaald dient in het licht van de stellingen van [X.] als een bevrijdend verweer te worden aangemerkt, zodat de bewijslast en het bewijsrisico bij [Y.] liggen.

4.8.1.[Y.] heeft zichzelf en twee andere getuigen, [Z.] en [A.], doen horen. Waar de verklaring van [Y.] zelf dient te worden gewaardeerd met inachtneming van het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv is het allereerst de vraag of de verklaringen van [Z.] en [A.] tot het bewijs kunnen bijdragen. [Z.] heeft, kort gezegd, verklaard dat hij laat in het jaar 2005 erbij aanwezig is geweest dat door [Y.] een bedrag van € 44.000,= in coupures van 200 en 500 is overhandigd aan [X.] in aanwezigheid van meerdere personen (4 tot 6 personen). Hij zegt dat daar mogelijk ook de eigenaar van de auto bij aanwezig was. Naar hij dacht zijn daarbij meerdere enveloppen gebruikt (want zoveel geld, denk hij, past niet in één envelop).

[A.] heeft, kort gezegd, verklaard dat hij na gerezen problemen over de betaling van zijn auto tegen [Y.] heeft gezegd dat deze het bedrag van € 45.000,= maar aan [X.] moest terug betalen, dat hij in december 2005 op het bedrijf van [Y.] was en dat hij heeft gezien dat [Y.] een flinke envelop in zijn handen had en dat deze envelop met groot geld op tafel in het kantoortje van [Y.] lag, dat er meerdere personen aanwezig waren waaronder [X.] en [Y.] en [Z.], maar dat hij niet bij de overhandiging van het geld aanwezig is geweest en dat hij zich vanwege de gespannen sfeer overigens ook afzijdig heeft gehouden.

4.8.2.Naar het oordeel van het hof heeft aldus alleen de getuige [Z.] een verklaring afgelegd waarbij de feitelijke betaling van een bedrag van € 44.000,= aan [X.] aan de orde is geweest. Een meer precies tijdstip dan “laat in 2005” heeft hij niet genoemd, terwijl bovendien zijn verklaring over een groot geldbedrag in meerdere enveloppen niet wordt ondersteund door [A.] (die immers specifiek spreekt over één grote envelop met geld). Bovendien past zijn verklaring dat het ging om een bedrag van € 44.000,= niet in de lezing van [A.] dat deze tegen [Y.] had gezegd dat het door [X.] betaalde bedrag van € 45.000,= moest worden terugbetaald. Al bij al is aldus hoogstens sprake van onvolledig bewijs en komt de waardering van de verklaring van [Y.] zelf aan de orde.

4.8.3.In de bewuste verklaring van [Y.] valt te lezen dat hij een bedrag van € 44.000 aan [X.] heeft terugbetaald rond de kerst van 2005. [X.] had de dag van tevoren tegen hem gezegd dat hij op kantoor zou komen en dat hij dan ofwel € 30.000 zou bijbetalen dan wel zijn geld wilde terughebben. Dat [Y.] wel snapte dat [X.] het bedrag van € 30.000 niet zou betalen en dat hij daarom de € 44.000,= al op zak had. Het bedrag zat in één grote envelop. Bij de overhandiging van het bedrag van € 44.000,= aan [X.] waren ook aanwezig [Z.], [B.] (de zoon van [X.]) en [A.].

4.8.4. Het hof hecht aan deze verklaring weinig waarde en overweegt daartoe het volgende.

- Op 6 februari 2009, derhalve na het uitbrengen van de verzetdagvaarding in november 2008, heeft [Y.] aangifte gedaan bij de politie te Oss, team Maasland Noord, terzake bedreiging door [X.]. In die door hem mede ondertekende aangifte (productie G bij productie 1 bij MvG) schetst [Y.] een chronologisch verloop van het conflict met [X.] over de aankoop van auto. Vaststaat dat door [X.] op 8 december 2005 een bedrag van € 45.000,= via de bank aan [Y.] is betaald. [Y.] geeft in die verklaring bij de aangifte aan dat hij rond de carnaval van 2006 is gebeld door iemand van de politie te Oss met de vraag wat er speelde en dat hij toen tekst en uitleg heeft gegeven. Vervolgens, zo schetst [Y.] het verdere verloop, is hij in maart 2006 met [X.] overeengekomen dat deze het betaalde bedrag terug zou krijgen.

- [Y.] heeft in de verzetdagvaarding aangegeven dat hij het bedrag van € 45.000,= aan [X.] had terugbetaald. Daarbij heeft hij niet aangegeven dat hij (nog) aanspraak maakte op bemiddelingskosten. Als valt af te leiden uit de brief van de raadsman van [X.] van 14 december 2007 (productie 3) heeft [Y.] ook tegenover hem niet gerept van enige bemiddelingskosten. [Y.] heeft in deze zaak twee, overigens ongedateerde, aankoopnota’s in het geding gebracht, waarbij vaststaat dat de nota waarin als aankoopprijs van de auto een bedrag vermeld staat van € 75.000,= niet aan [X.] is overhandigd. In deze beide nota’s wordt niet gerept van een rol van [Y.] als bemiddelaar en (eventuele) bemiddelingskosten

In zijn hiervoor vermelde aangifte bij de politie stelt [Y.] dat hij bij de terugbetaling aan [X.] een bedrag van € 1.500,= aan bemiddeling heeft ingehouden. In zijn verklaring als getuige stelt hij dat hij € 1.000,= als bemiddelingskosten in rekening heeft gebracht. De getuige [A.], beweerdelijk de eigenaar van de auto, spreekt in het geheel niet over bemiddelingskosten.

- [Y.] heeft in de verzetdagvaarding gewag gemaakt van een terugbetaling aan [X.] van het door deze laatste betaalde bedrag onder de mededeling dat bij die terugbetaling aanwezig waren [X.] en diens zoon [B.]. Die mededeling, waarvan hij stelt dat deze was ingegeven door de grote haast bij de verzetdagvaarding, had [Y.] al eerder gedaan tegenover de raadsman van [X.] getuige de eerder aangehaalde brief van die raadsman van 14 december 2007. In zijn eerder gememoreerde aangifte bij de politie (in februari 2009 en dus geruime tijd later) zegt [Y.] dat naast [X.] en diens zoon [B.] ook nog [Z.], [A.] en [B.] bij de overhandiging van het geld aan [X.] aanwezig waren. Op de aanwezigheid van [B.] bij de overhandiging van het geld komt hij overigens weer terug in zijn verklaring als getuige.

Het zijn deze ongerijmdheden op essentiële punten voorkomend in de verschillende eigen verklaringen van [Y.] alsmede in diverse door hem aangeleverde stukken, waarvoor [Y.] geen of althans onvoldoende afdoende verklaring heeft kunnen geven, die maken dat naar het oordeel van het hof dat de verklaring van [Y.] niet kan strekken ter aanvulling van het hiervoor beschreven onvolledig bewijs, zodat aan de verklaring van [Y.] als getuige geen waarde in zijn voordeel kan worden gehecht. Het hof laat daarbij dan nog maar in het midden hoe in het licht van deze ongerijmdheden/tegenstrijdigheden de verklaringen van de overige getuigen dienen te worden gewaardeerd.

4.8.5.De rechtbank heeft ook nog waarde gehecht aan de omstandigheid dat [Y.] geld heeft opgenomen op 14 december 2005. Voor zover uit die feitelijk juiste constatering moet worden afgeleid dat [Y.] op dat moment over contant geld beschikte is die juist. Daaruit kan naar het oordeel van het hof echter niet de gevolgtrekking worden afgeleid dat [Y.] deze opname heeft gepleegd teneinde [X.] terug te betalen, zoals hij stelt. Immers uit het als productie bij akte bewijslevering overgelegde rekeningafschrift van de Rabobank Oss e.o. blijkt ook dat [Y.] reeds op 9 december 2005 de opdracht had geplaatst om het bedrag van € 45.000,= in eurobiljetten uit te keren. Waar in ieder geval tussen partijen vaststaat dat na de aankoop van de auto dadelijk een bedrag van € 45.000,= is betaald op 8 december 2005 en bovendien nadien ettelijke contacten tussen partijen hebben plaatsgevonden ([Y.] spreekt bij comparitie over “verschillende keren”, terwijl [X.] als getuige verklaart dat hij een keer of 4 à 5 bij [Y.] is geweest om de auto op te halen), ligt het gezien de datum van de bestelling van de eurobiljetten niet voor de hand aan te nemen dat deze zijn besteld met het doel [X.] terug te betalen.

4.9.1.Dit alles brengt het hof tot de conclusie dat [Y.] niet geslaagd is in het bewijs dat hij enig bedrag aan [X.] heeft (terug)betaald, zodat nu vaststaat dat de koopovereenkomst waarop de betaling van een bedrag van € 45.000,= betrekking had buitengerechtelijk is ontbonden, [X.] alsnog aanspraak maakt op betaling van dat bedrag.

4.9.2.Voor zover zou moeten worden aangenomen dat [Y.] in de procedure subsidiair heeft willen betogen dat hij slechts gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van € 44.000,=, omdat hij ook na ontbinding van de koopovereenkomst aanspraak kon maken op door [X.] te betalen bemiddelingskosten, verwerpt het hof dat verweer. Niet alleen is dat verweer anders dan door eigen stukken of verklaringen niet onderbouwd, maar [Y.] heeft bovendien van die stelling geen bewijs aangeboden.

4.10. De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat de vorderingen van [X.], ook voor zover deze betrekking hebben op de verklaring voor recht dat de koopovereenkomst (buitengerechtelijk) is ontbonden, nu dat immers niet is betwist, alsnog dienen te worden toegewezen. [Y.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van de procedure.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [X.] en [Y.] strekkende tot de (ver)koop van de auto van het merk Mercedes Benz SL 500 met kenteken [kenteken] is ontbonden;

veroordeelt [Y.] tot betaling aan [X.] van € 45.000,= binnen vijf dagen na betekening van dit arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2008 tot de dag der algehele betaling;

veroordeelt [Y.] in de proceskosten aan de zijde van [X.] tot op heden vastgesteld voor de eerste aanleg op € 85,44 aan dagvaardingskosten, € 990,= aan griffiegeld en € 3.576,= aan salaris advocaat en voor het hoger beroep op € 87,93 aan dagvaardingskosten, € 1.350,= aan griffierechten en € 1.631,= aan salaris advocaat, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, M.J.H.A. Venner-Lijten en A.P. Zweers-van Vollenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 december 2011.