Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8158

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
HD 200.072.554
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit tot ontzetting uit lidmaatschap van vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/41
JONDR 2012/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.072.554

arrest van de eerste kamer van 13 december 2011

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. G. Tajjiou,

tegen:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid SCHUTTERIJ ST. ELIGIUS JULIANA,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Geintimeerde sub 2.],

3. [Geintimeerde sub 3.],

4. [Geintimeerde sub 4.],

allen wonende te [woonplaats],

5. [Geintimeerde sub 5.],

wonende te [woonplaats],

6. [Geintimeerde sub 6.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. J.A. Houben-Timmermans,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 augustus 2010 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen gedeeltelijke eindvonnis in conventie van 23 juni 2010 tussen principaal appellant als eiser in conventie en verweerder in reconventie en principaal geïntimeerden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie. Appellant wordt verder aangeduid als [X.]. Geïntimeerden gezamenlijk worden verder in vrouwelijk enkelvoud aangeduid als de schutterij c.s. Geïntimeerde sub 1 wordt verder aangeduid als de schutterij.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 144069/HA ZA 09-1157)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, tevens akte houdende wijziging van eis, heeft [X.] zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de schutterij c.s. in de kosten van beide instanties, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, akte vragend van het gedane bewijsaanbod en van de wijziging van eis in hoger beroep.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de schutterij c.s. de grieven bestreden. Voorts heeft de schutterij c.s. voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, daarin één grief aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot ontzegging van de vorderingen aan [X.], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [X.] in de kosten van het hoger beroep.

2.3. [X.] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben hun zaak bij monde van hun advocaten doen bepleiten ter zitting van 4 oktober 2011. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnota’s.

2.5. [X.] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. De schutterij c.s. heeft ermee ingestemd dat recht wordt gedaan op het door [X.] gefourneerde dossier.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.2. tot en met 2.10 vastgesteld van welke feiten in dit geding moet worden uitgegaan. Met grief 7 wordt deze vaststelling (deels) bestreden. Het hof geeft hierna een nieuw overzicht van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

4.1.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

(i) [X.] is in 1964 lid geworden van de schutterij, welke vereniging in 1602 is opgericht. Geïntimeerden in principaal appel sub 3 tot en met 6 vormen het bestuur van de schutterij. Geïntimeerde sub 2 is vanaf maart 1999 tot maart 2004 secretaris van de schutterij geweest en van maart 2004 tot maart 2009 tweede voorzitter. [X.] is begin 2005 voor de duur van één jaar benoemd in de functie van penningmeester.

(ii) In de statuten van de schutterij is onder meer bepaald (productie 22 inleidende dagvaarding):

“LEDEN.

Artikel 4.

De vereniging kent:

a. geüniformeerde leden;

b. buitengewone leden (niet geüniformeerd);

c. juniorleden;

d. ereleden en leden van verdienste;

e. begunstigers.

Artikel 5.

1. Leden van de vereniging kunnen zijn zij die de zestienjarige leeftijd hebben bereikt en zich hebben bereid verklaard aan de oefeningen, wedstrijden, optochten en uitvoeringen van de vereniging deel te nemen.

2. Buitengewone leden zijn zij die aktief willen meewerken aan het bereiken van het doel van de vereniging doch niet deelnemen aan de oefeningen, optochten en uitvoeringen van de vereniging.

3. Juniorleden van de vereniging kunnen zijn zij die de zestienjarige leeftijd nog niet hebben bereikt en zich hebben bereid verklaard aan de oefeningen, wedstrijden, optochten en uitvoeringen van de vereniging deel te nemen.

4. Ereleden en leden van verdienste zijn die leden van de vereniging, die wegens buitengewone verdiensten jegens de vereniging op voorstel van het bestuur of van tenminste tien stemgerechtigde leden op een algemene vergadering met tenminste twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen als zodanig zijn benoemd.(…)

5. Begunstigers zijn zij die zich bereid hebben verklaard de vereniging financieel te steunen met een door de ledenvergadering vast te stellen jaarlijkse bijdrage.

Begunstigers zijn als zodanig geen lid van de vereniging.

6. (…)

7. Alleen leden hebben stemrecht.

De juniorleden hebben een adviserende stem.

8. Het huishoudelijk reglement bevat nadere bepalingen omtrent de verschillende categorieën van leden en hun rechten en verplichtingen.

(…)

Artikel 9

1. Een lid kan – volgens bij huishoudelijk reglement nader vast te stellen regelen – door het bestuur uit het lidmaatschap worden ontzet, indien het lid handelt in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

Een ontzet lid heeft het recht binnen zes weken in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering.

(…)

BESTUUR

Artikel 11

(…)

2. De bestuurders worden door de Algemene Vergadering uit de leden van de vereniging benoemd, met dien verstande dat de voorzitter steeds als zodanig door de Algemene Vergadering wordt benoemd en géén lid van de vereniging behoeft te zijn.

(…)

6.a. (…)

b. Een bestuurslid kan te allen tijde worden geschorst; een schorsing, welke niet binnen drie maanden wordt gevolgd door een besluit tot ontslag, eindigt door verloop van die tijd.

Op voorstel van het bestuur, danwel tenminste tien leden kan een bestuurslid worden ontslagen, na een desbetreffend besluit van het bestuur, respectievelijk ledenvergadering, indien dit bestuurslid niet meer voldoet aan de eisen, welke men redelijkerwijs voor het vervullen van het lidmaatschap van het bestuur mag stellen.

Een besluit als bedoeld in de vorige alinea kan slechts worden genomen met een volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen, in een vergadering waar tenminste twee/derde van de leden, aanwezig zijn, terwijl bij het nemen van een dergelijk besluit het betreffende (bestuurs)lid niet wordt meegeteld.

(…)

c. Van een besluit tot ontslag van een bestuurslid door de overige bestuursleden staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep open op de ledenvergadering.

Hij wordt binnen een week schriftelijk van dat besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld.

Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

(…)

ALGEMENE VERGADERINGEN

Artikel 13

(…)

3. Het bestuur is verplicht een algemene vergadering bijeen te roepen binnen vier weken na ontvangst van een daartoe strekkend en door tenminste tien stemgerechtigde leden – of zoveel minder als tezamen bevoegd zijn een/tiende gedeelte van de stemmen uit te brengen gedaan schriftelijk verzoek, onder vermelding van de aan de orde te stellen onderwerpen.

4. Indien het bestuur in gebreke blijft aan de verplichtingen, genoemd in het voorgaande lid, binnen de aldaar gestelde termijn te voldoen, zijn de verzoekers bevoegd zelf een algemene vergadering bij een te roepen.”

(iii) [X.] heeft in een brief van 13 oktober 2005 onder meer het volgende aan het bestuur meegedeeld (productie 4 conclusie van antwoord):

“Ook kan ik als penningmeester niet functioneren en verantwoording afleggen aan de ledenvergadering. (…) Mijn ontslag gaat in op 1 November.”

(iv) Geïntimeerde sub 3 heeft [X.] per 10 februari 2006 als penningmeester laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel.

(v) Het bestuur van de schutterij, in de persoon van geïntimeerden sub 2 tot en met 4, heeft in een brief van 16 maart 2006 onder meer het volgende aan [X.] meegedeeld (productie 12 inleidende dagvaarding):

“Het bestuur van bovenvermelde vereniging, op woensdag 15 maart in vergadering bijeen, heeft met meerderheid van stemmen besloten u als bestuurslid te schorsen in overeenstemming met het genoemde in artikel 11, lid 6 onder b) van onze statuten.

Gezonde samenwerking tussen u en de overige bestuursleden is naar mening van de vergadering niet meer mogelijk.

Uw individuele activiteiten, als bestuurslid buiten het bestuur om, zijn niet in overeenstemming met eerder genomen bestuursbesluiten en brengen de vereniging enkel schade toe.”

(vi) In een brief van diezelfde datum heeft een aantal betrokkenen het volgende aan het bestuur meegedeeld (productie 13 inleidende dagvaarding):

“Hierbij verzoeken ondergetekende, overeenkomstig art. 13 lid 3 van de statuten tot het bijeenroepen van een algemene ledenvergadering.

Het onderwerp van de vergadering is de ongeldigheid van het besluit ter wijziging van het H.H.R. op 16 juni 2005, en op de tweede plaats dien ten gevolgen een juridisch onjuiste benoemingen van nieuwe bestuursleden op 5 februari 2006, in vertrouwen dat het bestuur overeenkomstig zal handelen echter uiterlijk binnen de gestelde termijn van vier weken na ontvangst, zijnde een dag na dagtekening, een Algemene ledenvergadering bijeen roept.”

(vii) Bij brief van 30 maart 2006 heeft een aantal betrokkenen onder meer het volgende aan het bestuur meegedeeld (productie 13 inleidende dagvaarding):

“Op grond van artikel 11 lid 6 sub b van de Statuten dienen onderstaande geüniformeerde leden een motie van wantrouwen in tegen de voorzitter van Schutterij Sint Eligius-Juliana, de heer [Y.], en vragen daarmee de Ledenvergadering in te stemmen met het ontslag van de huidige voorzitter.

(…)

Wij doen dan ook een beroep op de Ledenvergadering om in te stemmen met het ontslag van de heer [Y.] als lid van Schutterij Sint Eligius-Juliana te [vestigingsplaats].”

(viii) Het bestuur van de schutterij c.s. heeft bij brief van 7 april 2006 onder meer het volgende aan [X.] meegedeeld (productie 14 inleidende dagvaarding):

“Gezien uw negatieve activiteiten binnen onze schutterij heeft het bestuur moeten besluiten om u met ingang van 7 april 2006 het lidmaatschap van Schutterij St. Eligius/Juliana te ontzetten. Deze ontzetting geschiedt met inachtneming van het gestelde in artikel 9 sub 2 onder b) en c) der statuten, laatstelijk gewijzigd op 1 december 1999.

Argumentatie (…)”

(ix) [X.] heeft bij brief van 11 april 2006 onder meer het volgende aan het bestuur meegedeeld (productie 5 conclusie van antwoord):

“Om nu alles correct af te handelen verzoek ik u, ondergetekende uit te schrijven uit het register van de Kamer van Koophandel.”

(x) Op 21 april 2006 heeft een ledenvergadering plaatsgevonden die door het bestuur bijeen was geroepen. Blijkens de notulen waren hierbij onvoldoende stemgerechtigde leden aanwezig om rechtsgeldige besluiten te nemen (productie 16 inleidende dagvaarding). Op 22 april 2006 heeft een ledenvergadering plaatsgevonden die door (een deel van) de leden, onder wie [X.], bijeen was geroepen.

(xi) In de notulen van een op 23 juli 2006 gehouden algemene ledenvergadering, bijeengeroepen door het bestuur, is onder meer vermeld (productie 20 inleidende dagvaarding):

“Het bestuur stelt aan de leden voor om een grote streep te zetten onder de affaire [X.]. We trekken de bij de politie gedeponeerde klacht in en laten alles rusten, met dien verstande dat dhr [X.] uit het lidmaatschap ontzet blijft en dus geen lid meer is van de vereniging. De meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden is met dit bestuursbesluit akkoord gegaan.”

(xii) Bij brief van het bestuur van 31 augustus 2006 is onder meer het volgende aan [X.] meegedeeld (productie 21 inleidende dagvaarding):

“Naar aanleiding van het schrijven van u advocaat heeft het bestuur in vergadering bijeengekomen op 17 juli 2006 besloten om het volgende besluit voor te leggen op de ledenvergadering van 23 juli 2006.

Er word een grote streep gezet onder de affaire [X.]/St. Eligius-Juliana.

We trekken de bij de politie gedeponeerde klacht in en laten alles rusten, met dien verstande dat u ontzet blijft en dus geen lid meer bent van de vereniging.

De meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden op deze ledenvergadering van 23 juli 2006 is met dit besluit akkoord gegaan.”

4.2.1. [X.] heeft bij inleidende dagvaarding van 7 september 2009, voor zover in dit hoger beroep van belang, in conventie, kort gezegd, gevorderd:

I. voor recht te verklaren dat [X.] lid is van de schutterij;

II. voor recht te verklaren dat [X.] bestuurslid is van de schutterij;

III. de schutterij c.s., althans principaal geïntimeerden die daartoe rechtsgeldig bevoegd zijn, op te dragen om bij de Kamer van Koophandel over te gaan tot inschrijving van [X.] als bestuurslid van de schutterij, binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis van de rechtbank, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de schutterij c.s. niet aan dit bevel voldoet, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de schutterij c.s. in de kosten van het geding.

4.2.2. De rechtbank heeft, voor zover in dit hoger beroep van belang, in het bestreden vonnis voormelde vorderingen sub I tot en met III afgewezen en de beslissing omtrent de overige vorderingen in conventie en de vordering in reconventie aangehouden. De rechtbank heeft hiertoe, kort gezegd, overwogen dat op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding de termijn waarbinnen [X.] de mogelijkheid had om het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap te laten vernietigen gelet op het bepaalde in artikel 2:15 lid 5 BW reeds was verstreken, zodat het besluit onaantastbaar is geworden. Nu [X.] aldus geen lid meer is van de schutterij, kan hij evenmin bestuurslid zijn, aldus de rechtbank.

Het hof overweegt als volgt.

In principaal appel

4.3.1. De grieven 1 tot en met 3 worden gezamenlijk behandeld.

4.3.2. [X.] voert aan dat op de door verschillende betrokkenen en/of leden, onder wie [X.], bijeengeroepen ledenvergadering van 22 april 2006 het besluit tot ontzetting is herroepen.

De betreffende betrokkenen hebben het bestuur bij brief van 16 maart 2006 verzocht een algemene ledenvergadering bijeen te roepen. In deze brief is de ontzetting van [X.] niet genoemd als te behandelen onderwerp op de door het bestuur bijeen te roepen ledenvergadering. Dit was ook niet mogelijk, aangezien hij eerst bij bestuursbesluit van 7 april 2006 uit het lidmaatschap is ontzet. Het bestuur is aldus niet verzocht om een vergadering over dit onderwerp bijeen te roepen. De bevoegdheid van de leden om bij niet-tijdige bijeenroeping van de ledenvergadering door het bestuur hiertoe zelf over te gaan, welke bevoegdheid is vastgelegd in artikel 2:41 lid 3 BW en artikel 13 lid 4 van de statuten, vormt een doorkruising van de exclusieve bevoegdheid van het bestuur op dit punt. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat deze bevoegdheid van de leden beperkt moet worden uitgelegd. Nu het bestuur niet in de gelegenheid is gesteld een ledenvergadering bijeen te roepen met als onderwerp de ontzetting, kon dit onderwerp op de vergadering van 22 april 2006, voor zover deze vergadering al rechtsgeldig bijeen is geroepen, niet rechtsgeldig worden geagendeerd. Hieruit volgt dat de vraag of bij gelegenheid van die vergadering al dan niet is gestemd over de ontzetting geen beantwoording behoeft. De stelling van [X.] dat het besluit tot ontzetting op de vergadering van 22 april 2006 is herroepen, gaat dan ook niet op. Aan een opdracht tot bewijslevering wordt niet toegekomen. Het hof komt derhalve evenmin toe aan beantwoording van de vraag of de vergadering van 22 april 2006 rechtsgeldig bijeen is geroepen.

4.3.3. Op 21 april 2006, aldus één dag voor de vergadering van 22 april 2006, is de door het bestuur bijeengeroepen ledenvergadering gehouden. Uit de notulen van deze vergadering volgt dat de ontzetting van [X.] daarbij weliswaar aan de orde is geweest, maar niet dat over de ontzetting is gestemd. Het bestuur wilde immers eerst met [X.] in gesprek gaan. In deze vergadering is het besluit tot ontzetting dan ook evenmin herroepen.

4.3.4. Vervolgens is op 23 juli 2006 een algemene ledenvergadering gehouden, bijeengeroepen door het bestuur. Uit de notulen van die vergadering volgt dat is gestemd over de ontzetting van [X.]. In de notulen is immers vermeld: “dhr [X.] uit het lidmaatschap ontzet blijft en dus geen lid meer is van de vereniging. De meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden is met dit bestuursbesluit akkoord gegaan” (zie rechtsoverweging 4.1.2 onder xi). [X.] heeft hieromtrent aangevoerd dat voor deze vergadering niet alle stemgerechtigde leden zijn uitgenodigd, zodat de genomen besluiten volgens hem niet rechtsgeldig zijn. De achtergrond van deze stelling is een discussie tussen [X.] en het bestuur over de vraag wie binnen de schutterij stemrecht heeft en wie niet. Volgens [X.] heeft het bestuur op een bepaald moment besloten dat de niet-geüniformeerde leden niet meer mochten stemmen, hetgeen volgens hem strijdig is met de statuten. Deze niet-geüniformeerde leden zijn niet uitgenodigd voor de ledenvergadering van 23 juli 2006, waaruit volgt dat op die vergadering niet rechtsgeldig is gestemd, aldus [X.]. Het bestuur van de schutterij, bij monde van de voorzitter, heeft bij gelegenheid van het gehouden pleidooi aangevoerd dat de schutterij bestond uit geüniformeerde leden en donateurs (ook begunstigers genoemd). De schutterij kende volgens het bestuur geen niet-geüniformeerde leden. Het was binnen de schutterij gebruikelijk dat de donateurs meestemden. Het is het bestuur echter op enig moment gebleken dat dat op grond van de statuten niet was toegestaan, omdat donateurs geen lid zijn. Het bestuur heeft daarom nadien besloten de donateurs niet meer mee te laten stemmen, aldus het bestuur.

[X.] heeft bij het pleidooi desgevraagd bevestigd dat er geen buitengewone leden waren binnen de schutterij. De stelling van [X.] dat de niet-geüniformeerde leden niet zijn uitgenodigd voor de algemene ledenvergadering, treft reeds daarom geen doel. Donateurs, ofwel begunstigers, zijn volgens artikel 5 lid 5 van de statuten geen leden en hebben geen stemrecht; het zijn dus ook geen buitengewone, niet-geüniformeerde leden als bedoeld in artikel 4 van de statuten. Voor zover [X.] bedoelt dat de donateurs hadden moeten worden uitgenodigd teneinde mee te stemmen, overweegt het hof dat deze donateurs geen leden zijn die voor een ledenvergadering moeten worden opgeroepen, terwijl zij bovendien op grond van de statuten geen stemrecht hebben. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat de stemming op de vergadering niet rechtsgeldig is geweest. [X.] heeft bij gelegenheid van het gehouden pleidooi nog aangevoerd dat het oudste lid en de schietmeester niet waren uitgenodigd. Van de schietmeester staat vast dat hij geen stemrecht had (zie notulen van de algemene ledenvergadering van 23 juli 2006). Voor het overige dient deze stelling als tardief buiten beschouwing te worden gelaten. Nu [X.] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, is er geen grond om hem toe te laten tot bewijs. In rechte moet er dan ook vanuit worden gegaan dat op de algemene vergadering van 23 juli 2006 rechtsgeldig is gestemd voor handhaving van het door het bestuur genomen besluit tot ontzetting van [X.].

4.3.5. [X.] voert voorts aan dat het besluit van het bestuur om hem uit zijn lidmaatschap te ontzetten nietig is. In artikel 2:14 lid 1 BW is bepaald dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Voor zover [X.] wil betogen dat het bestuur niet bevoegd was het besluit tot ontzetting te nemen, dient deze stelling bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing te worden verworpen. Dat het besluit volgens [X.] op onredelijke gronden is genomen, kan niet tot het oordeel leiden dat het nietig is. Nu ook overigens niet is gebleken van strijd met de wet of de statuten, faalt het beroep op nietigheid.

4.3.6. Het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap kan voorts worden aangetast door bij de rechter de vernietiging van het besluit in te roepen. [X.] voert aan dat hij geen beroep doet op vernietiging van het besluit, maar een verklaring voor recht vordert dat hij nog altijd lid is van de schutterij. Aangezien hiervoor is vastgesteld dat het besluit niet is herroepen en aldus in beginsel rechtskracht heeft, dient voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht vast komen te staan dat het besluit op enigerlei andere wijze aantastbaar is. Het besluit kan worden aangetast door vernietiging door de rechter als bedoeld in artikel 2:15 BW. De vraag of het besluit vernietigbaar is op grond van de wet dient dan ook, anders dan [X.] (veronder)stelt, te worden beantwoord.

4.3.7. Artikel 2:15 lid 5 BW bepaalt dat de bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen vervalt na een jaar na het einde van de dag waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. De schutterij c.s. doet een beroep op deze vervaltermijn. Het besluit is bij brief van 7 april 2006 aan [X.] meegedeeld. Nu [X.] zich niet heeft beroepen op enige vertraging in de postbezorging, is aannemelijk dat deze brief enkele dagen later bij hem is bezorgd. Zelfs indien echter zou moeten worden aangenomen dat de termijn eerst is ingegaan na ontvangst van de brief van 31 augustus 2006, waarin het bestuur heeft bevestigd dat de algemene ledenvergadering van 23 juli 2006 in meerderheid akkoord is gegaan met de ontzetting en van welke brief [X.] de ontvangst niet heeft betwist, was de vervaltermijn van één jaar op het moment van uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 7 september 2009 ruimschoots overschreden. Dit betekent dat de schutterij c.s. zich terecht beroept op de vervaltermijn van artikel 2:15 lid 5 BW. De stelling van [X.] dat de artikelen 2:35, 36 en 37 BW voorrang hebben boven artikel 2:15 BW vindt geen steun in de wet, zodat deze stelling wordt verworpen.

4.3.8. [X.] voert subsidiair aan dat de schutterij c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij [X.] onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om het besluit aan te vechten. In de derde grief heeft [X.] zijn eis vermeerderd. Hij voert aan dat hij schade heeft geleden door het gestelde onrechtmatige handelen. Voor zover deze vordering tot betaling van schadevergoeding de vordering sub IV als bedoeld in de inleidende dagvaarding niet overlapt, is het hof van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet is komen vast te staan dat [X.] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om het besluit tot ontzetting aan te vechten. Op de ledenvergadering van 21 april 2006 is het besluit tot ontzetting immers aan de orde geweest en op de ledenvergadering van 23 juli 2006 is gestemd over de ontzetting. [X.] voert aan dat hij een verweerschrift heeft geschreven en aan alle bestuursleden heeft gezonden, welk verweerschrift volgens hem ten onrechte niet op de vergadering van 23 juli 2006 aan de orde is gesteld. Niet gebleken is echter dat [X.] voor de vergadering van 23 juli 2006 een verweerschrift heeft ingediend. Er is ook geen verweerschrift in het geding gebracht. De vordering tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

4.3.9. [X.] voert in de pleitnota nog aan dat hij schade heeft geleden als gevolg van onterechte beschuldigingen die door de schutterij c.s. zouden zijn geuit. Naar het oordeel van het hof valt dit onder vordering VI zoals weergeven in de inleidende dagvaarding. Het hoger beroep strekt zich niet uit tot deze vordering. Of [X.] schade heeft geleden als gevolg van al dan niet onterecht geuite beschuldigingen, staat in dit hoger beroep dan ook niet ter beoordeling van het hof.

4.3.10. Nu niet is komen vast te staan dat het besluit niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen en evenmin dat de stemming in de algemene ledenvergadering van 23 juli 2006 niet rechtsgeldig is geschied, is er naar het oordeel van het hof ook overigens geen grond om het besluit in strijd te achten met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW.

4.3.11. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het besluit tot ontzetting van [X.] rechtskracht heeft tussen partijen. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank de vordering tot toewijzing van een verklaring voor recht dat [X.] lid is van de schutterij terecht heeft afgewezen. De grieven 1 tot en met 3 falen.

4.4.1. Ten aanzien van de grieven 4 tot en met 6 overweegt het hof als volgt.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, nu [X.] geldig is ontzet uit het lidmaatschap van de schutterij, hij geen bestuurslid meer kan zijn. Vast staat immers dat alleen de voorzitter geen lid van de schutterij hoeft te zijn, de overige bestuursleden wel. Nu hij geen bestuurslid meer is, is de uitschrijving uit de Kamer van Koophandel naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig. Juist is dat [X.] op het moment van de uitschrijving nog lid was van de schutterij, zodat hij als bestuurslid, niet zijnde penningmeester, ingeschreven had kunnen blijven in het register. Nu hij echter zelf heeft verzocht om te worden uitgeschreven als penningmeester, hij op 16 maart 2006 is geschorst als penningmeester en uit het voorgaande volgt dat het daarop volgende besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap rechtskracht heeft tussen partijen, heeft de schutterij c.s. naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig gehandeld door [X.] te laten uitschrijven. De rechtbank heeft de vordering tot toewijzing van een verklaring voor recht dat [X.] bestuurslid is van de schutterij en de vordering tot inschrijving van [X.] in het register van de Kamer van Koophandel dan ook terecht afgewezen. Gelet hierop komt het hof niet toe aan de in grief 6 bedoelde vermeerdering van eis.

4.4.2. De grieven 4, 5 en 6 falen eveneens. Grief 7 is hiervoor onder 4.1.1 reeds behandeld en kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.5. Aan behandeling van het incidenteel appel wordt niet toegekomen, nu dit voorwaardelijk is ingesteld, te weten enkel voor zover één van de grieven in principaal appel mocht slagen.

4.6. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

4.7. [X.] wordt, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep als na te melden. Nu de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld niet is vervuld, is er geen plaats voor een kostenveroordeling in incidenteel appel. Geen van partijen wordt derhalve in de proceskosten van het voorwaardelijk incidenteel appel veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

in principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2010 voor zover daarvan hoger beroep is ingesteld;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de schutterij c.s. worden begroot op € 314,00 aan verschotten en € 2.682,00 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, M.J. van Laarhoven en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 december 2011.