Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2011:BU7370

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
HV 200.094.133
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldenaren kunnen voortgaan met betalen van hun schulden. (artikel 288 lid 1 aanhef en a Fw).

In appel beoordeling toelatingsverzoek in volle omvang en ex nunc.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 6 december 2011

Zaaknummer: HV 200.094.133/01

Zaaknummers eerste aanleg: 237082/FT-RK 11.1141 en 237084/FT-RK 11.1142

in de zaak in hoger beroep van:

[X.], en [Y.],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: appellanten, respectievelijk de man en de vrouw,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 12 september 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 september 2011, hebben appellanten verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat zij alsnog worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 november 2011.

Bij die gelegenheid zijn appellanten gehoord, bijgestaan door mr. C.F.A Cadot, kantoorgenoot van mr. Mattheussens.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 september 2011;

- de brief met bijlagen van de advocaat van appellanten d.d. 10 november 2011.

3. De beoordeling

3.1. Appellanten hebben de rechtbank verzocht om ten aanzien van ieder van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaringen ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.dis 17 juni 2011 blijkt een totale gezamenlijke schuldenlast van circa € 12.856,=.

Daaronder bevinden zich schulden aan Inkasso Unie B.V. ad € 3.664,46 (VGZ) en aan De ZuidWester Maatschappelijk Werk ad € 1.118,73.

Uit genoemde verklaringen blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat de schuldeisers onvoldoende vertrouwen hadden dat appellanten hun betalingsverplichting zouden nakomen.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep zijn de verzoeken van appellanten afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en c Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat appellanten de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellanten recentelijk nieuwe schulden hebben laten ontstaan alsmede dat zij zich onvoldoende hebben ingespannen om meer inkomen te verwerven ter voldoening van hun schulden, aangezien de vrouw geen pogingen heeft gedaan om betaalde arbeid te vinden.

Appellanten kunnen zich met voormeld vonnis niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3. Appellanten hebben in hun beroepschrift zoals aangevuld tijdens onder meer de zitting – kort samengevat – gesteld dat de rechtbank haar vonnis heeft gebaseerd op feiten die dateren uit het verleden. Daartoe voeren zij aan dat zij in staat zijn om hun verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling na te komen. De man heeft een netto maandinkomen van circa € 1.067,= en ook de vrouw heeft inmiddels een baan voor 8 uur per week waarmee zij € 211,24 bruto per maand verdient. Bovendien ontvangt de vrouw - vooralsnog - een teruggave van de Belastingdienst van € 165,=. Exclusief de inkomsten die de vrouw thans genereert krachtens haar arbeidsovereenkomst met PostNL Productie BV, brengt dit het totale inkomen van appellanten op circa € 1232,= .

Voorts stellen appellanten dat zij maatregelen hebben getroffen om te voorkomen dat er in de toekomst nieuwe schulden zullen ontstaan. Zij hebben deelgenomen aan een cursus Budgetbegeleiding en zij worden thans bijgestaan door een maatschappelijk werkster.

Tot slot merken appellanten op dat er in 2011 nauwelijks nieuwe schulden zijn bijgekomen.

3.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.4.1. Artikel 288 lid 1 Fw bevat een drietal criteria waaraan een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt getoetst. Het betreft hier cumulatieve criteria. Dit betekent dat, de in voorkomende gevallen mogelijke toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 288 lid 2 Fw daargelaten, aan alle drie de criteria dient te zijn voldaan, wil een schuldenaar in beginsel tot de schuldsaneringsregeling kunnen worden toegelaten. Daarbij stelt het hof vast dat, anders dan in de toelichting bij grief II (bij nr. 6) namens appellanten wordt aangevoerd, in hoger beroep het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in volle omvang en ex nunc wordt beoordeeld.

Ingevolge de eerste toelatingsvoorwaarde dient voldoende aannemelijk te zijn dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

3.4.2. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben appellanten verklaard dat hun schuldenlast inmiddels is verlaagd naar € 9.000,=.

Het hof constateert dat appellanten in staat zijn om in een periode van ruim vijf maanden (van 16 juni 2011 tot 25 november 2011) ruim € 3.000,= af te lossen op hun schulden.

Het hof becijfert na aftrek van de maandelijkse lasten ad circa € 843,= (huur € 438,=, premies zorgverzekeringen € 209,=, Enexis € 20,=, Eneco € 81,=, Brabant Water € 12,=, Ziggo € 51,=, KPN Digitenne € 17,= en FNV-Bouw € 15,=), zoals in het beroepschrift uiteengezet en zoals blijkt uit het door appellanten overgelegde bankafschriften, dat appellanten op basis van het inkomen van de man uit arbeid, zijn WAO-uitkering en de maandelijkse teruggave van de Belastingdienst aan de vrouw maandelijks circa € 390,= te besteden hebben, waarbij het hof het maandelijkse invaliditeitspensioen van BPF-Bouw ten behoeve van de man ad circa € 46,= per maand (zie de vtlb-berekening en de toelichting hierop) nog buiten beschouwing laat.

Hierbij dienen de huidige inkomsten uit arbeid van de vrouw nog op te worden geteld, waarbij het hof rekening houdt met de ter zitting afgelegde verklaring van appellanten dat de vrouw in de praktijk meer dan 8 uur per week werkt en dat de kans groot is dat haar arbeidscontract binnen een paar maanden wordt uitgebreid naar 20 uur per week. Het jaarcontract van de vrouw loopt tot 18 oktober 2012, zodat er vanuit mag worden gegaan dat haar inkomsten in elk geval nog tot deze datum zullen doorlopen. Overigens werd in de toelichting op de persoonlijke omstandigheden in de zogenoemde artikel 285 Fw-verklaring al in meer algemene zin opgemerkt dat als de vrouw werk zou vinden, de schuldenlast waarschijnlijk niet langer problematisch zou zijn.

3.4.3. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, anders dan artikel 288 aanhef, lid 1, sub a Fw voorschrijft, appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden. Appellanten hebben de afgelopen maanden geen nieuwe schulden meer laten ontstaan en zij hebben verklaard dat zij in ieder geval sinds augustus 2011 hun vaste lasten voldoen. Dit wordt ondersteund door hetgeen in de 285-verklaring is opgenomen, waarin staat vermeld dat appellanten over voldoende financiële ruimte beschikken om in ieder geval het gas, water en licht te voldoen.

Appellanten zijn op de goede weg en het hof heeft er vertrouwen in dat zij zelfstandig in staat zijn om hun schulden af te lossen. Wanneer appellanten deze positieve lijn voortzetten – waarin zij circa € 3.000,= kunnen aflossen binnen vijf maanden tijd –, zullen zij naar alle waarschijnlijkheid eerder schuldenvrij zijn dan wanneer zij wel waren toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en zij een driejarig traject hadden moeten doorlopen.

3.4.4. Dit betekent dat, zij het op een andere grond dan die de rechtbank in eerste aanleg aan haar beslissing ten grondslag legde, het verzoek van appellanten tot toepassing van de schuldsanering dient te worden afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep zal – onder verbetering van de gronden – worden bekrachtigd.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.K. Veldhuijzen van Zanten en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2011.